Mesch is het meest zuidelijke kerkdorp van Nederland, dus zolang je op vaderlandse bodem bent kun je niet dieper zinken :). Dat klinkt een beetje onaardig voor zo'n idyllisch gehucht, met minder dan 400 zielen en een van de oudste kerkgebouwen in Nederland, waarvan delen nog stammen uit de tijd voor de Romeinen. Het was het eerste stukje Nederland dat door de Amerikanen werd bevrijd in de Tweede Wereldoorlog, in 1944 - toen het noorden van ons land nog een hongerwinter voor de boeg had. Wij gingen er naar toe voor de prachtige natuur en met name de dassenburchten, die hier groot en oud zijn. Mocht je in de buurt zijn, dan kun je via deze link de wandeling downloaden die we gemaakt hebben. Het was zeer de moeite waard. Natuurlijk heb ik er een filmverslagje van gemaakt dat je straks kunt bekijken. Maar eerst iets meer over dassenburchten.
Das Foto: kallerna - Own work, CC BY-SA 3.0, wikimedia
We beginnen bij de ingang: zoals je op de foto ziet is de das een vrij breed en niet zo'n hoog dier. De ingang van hun ondergrondse burcht is net zo gevormd: breder dan hoog. De gangen (pijpen genaamd) zijn rond de 30 centimeter breed, er is een zeer vertakt gangenstelsel dat naar vele kamers loopt en deze ruimtes met elkaar verbindt. De kamers hebben een doorsnede van ongeveer een halve meter en zijn voorzien van een bedje van gras, bladeren en mos. Hier brengen de dassen in groepjes van 2 of 3 al slapend en rustend de dag door. Het materiaal wordt regelmatig gelucht en ververst, dan zie je hoopjes droog gras voor de burcht liggen. Grappig genoeg schuifelen ze met hun 'beddengoed' tussen de armen geklemd achteruit door de gangen. Die gangen en kamers kunnen overigens wel tot 4 meter onder de grond liggen.
De aarde die uit de gangen gewerkt wordt bij het uitgraven ligt meestal in een stortberg bij de ingang. Het gaat om enorm veel zand, tot wel 35 kuub. De holopeningen en stortbergen van dassenburchten zijn trechtervormig en zo geplaatst dat ze de burcht optimaal ventileren. Geuren van de vijanden van de das (mens, hond, wolf, beer) worden zo diep in de burcht naar de dassen gevoerd. Ze weten zo al, terwijl ze zelf nog onder de grond zijn, of de kust veilig is.
Burchten kunnen een enorme omvang bereiken. Op de site van Stichting Dassenwerkgroep Brabant las ik dat de grootte van een hoofdburcht in Brabant kan variëren van 1 hol tot meer dan 120. In Uden is een dassenburcht van meer dan 100 holen. Er is berekend dat hiervoor misschien wel 40.000 kilo aan grond moet zijn verplaatst. De oppervlakte van zo'n dassenburcht kan wel een hectare beslaan. Ook in Mesch is er zo'n enorme burcht. Aan beide kanten van het dorp zijn holle wegen met dassenpijpen en die zijn met elkaar verbonden, dus waarschijnlijk leven er onder het hele dorp dassen ;). De grootte van een dassenburcht wordt niet zozeer bepaald door het aantal dassen dat hierin woont, maar door de ouderdom, de graafbaarheid van de bodem en de ligging in het veld. Dassen graven heel graag en zijn dan ook altijd bezig hun burcht te vergroten. Dit biedt een aantal voordelen: er zijn meer openingen waardoor geurtjes naar binnen komen; bij onraad kunnen ze op meerdere plekken ongezien de burcht verlaten; als de hoeveelheid ongedierte (vlooien, teken en mijten) hen teveel wordt, verkassen ze gewoon naar een ander deel van de burcht. Dassenburchten kunnen honderden jaren oud zijn. Zo is er in Duitsland in de plaats Pisede, bij een zandafgraving, een oude dassenburcht zeer nauwkeurig onderzocht. Het bleek dat deze af en aan bewoond was sinds het einde van de IJstijden, zo'n 12.000 jaar geleden. In Rusland is de leeftijd van een nog bestaande burcht, met behulp van moderne dateringstechnieken, geschat op 8.000 jaar.
Of de dassenburchten van Mesch ook zo oud zijn weet ik niet, maar aan de bovenste Berneauerweg bevindt zich sedert mensenheugenis een goed bewoonde dassenburcht met vos en konijnen als onderhuurder. Deze dassen hebben verbindingen met de dassen uit de Voerstreek (over de grens in België). Bekijk het verslag van onze wandeling en de dassenburchten in het filmpje door hier te klikken.
Als kind vond ik het 't mooiste bos van Limburg: het Bunderbos. In de meivakantie zijn we er weer eens gaan wandelen en ik kan bevestigen dat het nog steeds (het) mooi(ste) is. De bosanemonen waren al uitgebloeid, maar daslook bloeide en geurde volop (naar knoflook). De witte stervormige bloemetjes vormden hele tapijten tussen de bomen. We kwamen boshyacinten tegen en ook andere voorjaarsbloeiers kleurden de randen langs de paden. We startten onze wandeling bij het kasteelpark van Elsloo en liepen langs de Hemelbeek het bos in richting Geulle. Onderweg zagen we nijlganzen en Canadese ganzen met kuikens en knaagsporen van bevers. Het Bunderbos staat bekend om zijn vele bronnen. Een bron is een plaats waar een geconcentreerde natuurlijke uitvloeiing van grondwater optreedt; ze vormen het overgangsmilieu van grondwater naar oppervlaktewater. Deze bronnen voeden de vele beekjes die door dit hellingbos stromen.
Door wat voor soort bron zou dit beekje worden gevoed?
Hoe ontstaan bronnen eigenlijk? Als het regent, verdampt een deel van het water en een ander deel wordt door rioolsystemen afgevoerd. De zogenaamde 'nuttige neerslag' is de hoeveelheid die in de bodem zakt. Als de bodem bestaat uit doorlatende grond zoals zand of grind dan zakt het water weg. Er zijn echter plekken met ondoorlatende kleipakketten die het water 'dwingen' om weer aan de oppervlakte te komen. Toen ik informatie opzocht over de Limburgse bronnen, stuitte ik op een artikel van W. Hendrix. Hierin las ik er dat er verschillende soorten bronnen zijn: een dalbodembron ontstaat doordat het dal de grondwaterspiegel 'aansnijdt'. Dagzoombronnen ontstaan waar ondoorlatende (klei)lagen aan de oppervlakte komen langs hellingen (een dagzoom is de plek waar een gesteentelaag of andere geologische structuur aan het oppervlak ligt). Bij breukvlakbronnen komt het water aan de oppervlakte door een geologische breuk in het aardoppervlak. Soms komt het water op een ondoorlatende laag en kan het nergens heen, dan stuwt het zover op, dat het over die laag heen kan komen. Zo'n bron heet - je raadt het al - een stuwbron. Dan zijn er nog bronnen met een zeer moeilijke naam: artesische bronnen. Een artesische bron is een bron waaruit het water 'spontaan' naar boven komt door de hydrostatische druk op het water dat zich in een ondergronds bekken bevindt (de naam komt van de streek Artesië in Frankrijk waar dit soort bronnen veel voorkomen). Kortom; bronnen zijn er in veel soorten. Al wandelend maakten wij ons niet druk over stuwbronnen of artesische bronnen, maar we genoten van het kabbelende geluid van de beken, het frisse lentegroen de prachtige vogelzang.
Geniet mee in het filmpje van deze week door hier te klikken.
Het stond al heel lang op ons verlanglijstje: een bezoek aan de Zouweboezem bij Ameide in het broedseizoen. Daar broedt een vogel die we erg graag eens goed van dichtbij wilden bekijken: de zwarte stern. Trouwe lezers van mijn blog weten dat we in 2020 ook al eens op zoek zijn gegaan naar de zwarte stern, toen was dat in de Krimpenerwaard. Dat was eind juli en de vogels waren al weer bijna allemaal gevlogen. In mijn blog (klik hier) vertelde ik toen over de bijzondere plant waarop de zwarte stern van nature broedt: krabbenscheer. Deze keer waren we er wel op tijd bij en vertrokken op een zondag in alle vroegte naar Lexmond (onder Utrecht). We reden langs de Lek, met zijn prachtige uiterwaarden waar vogels zongen, vlinders fladderden en bloemen volop in bloei stonden. Zo arriveerden we bij de Zouweboezem; dit 118 hectare grote gebied diende ooit als opslag van overtollig polderwater. Op de rietpercelen groeide riet, dat gebruikt werd voor de daken van boerderijen. Nu zijn de uitgestrekte moerassen en rietvelden het domein van moerasvogels als zwarte stern, waterral, snor en bruine kiekendief. Al snel hoorden we het enigszins schrille krijsen dat zo typerend is voor sterns. De zwarte sterns broeden hier niet op krabbenscheer maar op kunstmatige nesten die door mensen zijn verzorgd: vlotjes met een hekje er om heen. De vogels maken er graag gebruik van. We waren er op 22 mei en we zagen zo'n beetje alle rituelen van de broedtijd; vogels die nestplek zochten, verleidingsrituelen: het showen met de witte stuit, het aanbieden van voedsel - zoals de oeverlibellen die deze dag uitgevlogen waren - een paring, en ook een nest waar het eerste ei al was gelegd. Zwarte sterns sluiten een seizoenshuwelijk en keren meestal terug naar de plek waar ze eerder gebroed hebben. Ze vliegen laag over de kunstnesten en een mannetje strijkt neer op een nestvlotje dat hem bevalt. Hij houdt zijn vleugels een paar seconden omhoog gestrekt zodat de witte onderkant goed te zien is. Zijn lokroep trekt het vrouwtje aan en zij is degene die de nestplek goedkeurt - of niet. Een plekje midden in de kolonie is aantrekkelijker dan één aan de rand. Na alle verlovingsrituelen vindt de paring plaats en het eerste ei verschijnt in het nest. Dan begint het broeden, maar nog niet continue, dat gebeurt pas als het broedsel compleet is (2-3 eieren). Tot het legsel compleet is, blijft het mannetje huwelijkscadeautjes aandragen in de vorm van visjes en insecten.
Huwelijksrituelen op het nest: aanbieden van een libel
Nadat we de sterns een tijdje geobserveerd hadden, zijn we het gebied verder gaan verkennen. Overal klonk vogelzang; een rietzanger en blauwborst konden we goed bekijken. De weilanden zagen goudgeel van de boterbloemen en er stonden ook orchideeën tussen de begroeiing. Al met al een prachtige dag, die je mee kunt beleven in het filmpje door hier te klikken.
In de meivakantie waren we weer eens in Limburg om te wandelen en te genieten van het mooie heuvelland. Het was nog fris maar meestal zonnig en er was niet veel wind: ideaal wandelweer. Bij aankomst is het traditie om te gaan lunchen bij Buitenlust in Camerig, waar we onder het genot van een rijk voorziene streekplank prachtig uitkijken over het Geuldal. Aansluitend liepen we via de Bellet hoogstamboomgaard (waar ik al eens een blog aan wijdde) naar de Geul. Zuid-Limburg herbergt een aantal zoogdieren die in de rest van Nederland niet voorkomen, zoals de hazelmuis en de eikelmuis, die hier aan de noordkant van hun verspreidingsgebied zitten, zoals je op onderstaand kaartje over de eikelmuis kunt zien.
Verspreidingsgebied van de eikelmuis (rode kleur: Eliomys quercinus) By Carlosblh - Commons, CC BY-SA 3.0, wikimedia
De eikelmuis (fruitdiefje in de volksmond) komt uitsluitend in Zuid-Limburg voor in de omgeving van Maastricht. De eikelmuis is zeldzaam en met uitsterven bedreigd. Er leven nog slechts enkele tientallen dieren op de oostelijke Maasdalhelling in de hellingbossen bij Gronsveld en daarbuiten mogelijk verspreid nog enkele dieren in de omgeving van Maastricht en Valkenburg. De eikelmuis staat op de Nederlandse Rode Lijst als ernstig bedreigd. Het werd dus tijd voor een beschermingsplan. In 2018 is er een vijfjarenplan gemaakt (Feys S. & Nijs G. 2018) met als doel de kleine bestaande populatie te beschermen en het areaal geschikt leefgebied te vergroten onder andere richting het Geuldal.
Eikelmuis By Jctramasure - Own work, CC BY-SA 3.0, wikimedia
Eikelmuisjes zijn tussen 10–17 cm lang (mannetjes zijn meestal iets groter dan vrouwtjes) en hun staart voegt daar nog eens 15 cm aan toe. Die staart is dichtbehaard en eindigt in een zwart-witte pluim. Als een roofdier het muisje bij de staart pakt, stroopt deze af (net als bij hagedissen). De kale staart verdroogt en wordt afgebeten. Vanaf dat moment gaat de eikelmuis staartloos door het leven want de staart groeit niet meer aan. Hoewel eikelmuizen bekend staan als ‘fruitdiefjes’, vormt dierlijk voedsel het grootste deel van het menu van de soort. Huisjesslakken, wormen, spinnen, insecten en allerlei andere ongewervelden zijn dagelijkse kost, en ook jonge vogels, eieren, amfibieën en reptielen worden vermalen met hun kiesjes.
De rugvacht is grijs- tot kaneelbruin, vaak enigszins rossig en de buik vuilwit. Het meest opvallende kenmerk is echter het zwarte oogmasker. Het muisje leeft vooral 's nachts, met grote ogen en oren staan deze zintuigen op scherp om in het donker te overleven. Samen met de hazelmuis behoort de eikelmuis tot de familie van de slaapmuizen. Die houden enkele maanden per jaar een winterslaap. In het najaar vetten ze op en in de winter teren ze in op die reserves. Een eikelmuis kan daarom variëren in gewicht van 45-140 gram.
In Nederland wordt het voornaamste leefgebied gevormd door kleinschalig cultuurlandschap (hoogstamboomgaarden, hagen, graften en holle wegen) die verbonden zijn in een aaneengesloten netwerk met (structuurrijke) hellingbossen op kalkrijke bodem. In Nederland is het Savelsbos de enige locatie waar zowel historisch als tegenwoordig nog met zekerheid eikelmuizen voorkomen. Oude schuurtjes in combinatie met wilde overhoekjes, struweelbosjes en fruitbomen vormen ideale schuil- en foerageergelegenheid voor de eikelmuis.
De eikelmuizen zijn gebaat bij structuurrijk en gevarieerd bos en bosranden, met veel vruchtdragende bomen en struiken. Daarnaast wordt in het plan gepleit voor aanleg en goed beheren van hoogstamboomgaarden: "In het verleden was een groot
deel van het Savelsbos omringd door hoogstamboomgaarden, waar de eikelmuizen terecht
konden voor een aantal belangrijke aspecten in hun levenscyclus. In deze boomgaarden
vinden ze niet alleen voedsel (fruit) in het najaar, maar ook schuil- en rustplaatsen in de
vaak oudere bomen met holtes, en dit gedurende het hele jaar. Een groot deel van deze
boomgaarden verdween echter en maakte plaats voor akkerland, waardoor het leefgebied
van de eikelmuizen vermoedelijk sterk inkromp. Om deze trend te keren kan de aanleg en
het eikelmuisvriendelijk beheer van hoogstamboomgaarden in of aansluitend aan het leefgebied van eikelmuizen een positief effect hebben op de soort."
Door het omringende landschap opnieuw ‘aan te kleden’ met hagen, heggen, vruchtdragende bomen en struiken, ontstaat ook buiten het bos aanvullend leefgebied voor de soort en worden op termijn geschikte foerageergebieden met elkaar verbonden. Zo kan de eikelmuis zich in de toekomst hopelijk verspreiden door het Geuldal en wellicht op termijn in de Bellet boomgaard een stekje vinden.
Nog zonder eikelmuizen maar met de laatste appelbloesem in bloei zie je de boomgaard en de rest van onze wandeling naar de Geul en weer omhoog naar Camerig in het filmpje van deze week (klik hier).
Fluitenkruid en vogelzang in het filmpje van deze week
We kunnen nog een paar weken genieten van die heerlijke vogelzang. Na de langste dag verstomt dit lentegeluid omdat vogels dan bezig zijn hun jongen groot te brengen. Dat doen ze liever in stilte om kuikenrovers niet op ideeën te brengen. Dank zij het windstille weer in de eerste drie weken van mei, heb ik veel kunnen filmen met het originele geluid erbij omdat er geen wind op de microfoon stond. Dus deze week een filmpje waarin fluitenkruid en zingende vogels centraal staan. Omdat er al veel blad aan de boom zit, zijn de vogels niet in beeld maar wel goed te horen. De melodieuze merel, de wat fellere en snellere zwartkop en de winterkoning met zijn typerende triller maken hun opwachting in de film. Ik was vroeg op, waardoor de menselijke geluiden ook minimaal zijn. Elke vogelsoort heeft trouwens zijn eigen starttijd voor de zang, gemeten voor of na zonsopgang. Mijn tante stuurde mij een artikel uit een Duits tijdschrift met informatie hierover. De gekraagde roodstaart is er als vroegste bij. Van april tot juli kun je hem horen vanaf 80 minuten voor zonsopgang. Daar moet je dus wel elke keer vroeger voor op :). De zwarte roodstaart volgt tien minuten later; vanaf 70 minuten voor zonsopgang kun je deze vogel horen. De roodstaarten hebben trouwens elk hun eigen voorkeuren qua landschap, de gekraagde prefereert oude parkachtige bossen en de zwarte warme en droge plaatsen, ook stedelijk gebied. Ze zullen dus niet 'tegen elkaar opzingen'. De boerenzwaluw kwettert vanaf een half uur voor de zon opkomt, al snel gevolgd door de zanglijster (55 min.), de koekoek en het roodborstje (allebei 50 minuten voor zonsopgang). De merel, zwartkop en geelgors starten 45 minuten voor de zon boven de horizon rijst. Als de winterkoning (40 min.), tjiftjaf en pimpelmees starten met hun zang (35 min.) begint het langzaam licht te worden. Daarna komt er elke paar minuten een soort bij: koolmees (30 min.), fitis (22 min.), putter (20 min.), groenling en spreeuw (15 minuten) en de vink maakt om 10 minuten voor de zon aan de hemel verschijnt het vogelkoor in en om de tuin compleet.
Je zou denken dat de vogels die het eerste 'op' zijn, ook als eerste weer gaan slapen. Dat is echter niet het geval: de langslapers gaan juist als eerste te ruste. De vogels die vroeg zingen hebben lichtgevoeliger ogen, waardoor ze beter zien in het donker. Daarom kunnen ze langer actief zijn, met voedsel zoeken maar ook met zingen. Aan het eind van de dag wordt ook regelmatig nog gezongen door de vogels. Daarbij kun je bovenstaande lijst hanteren in omgekeerde volgorde.
Klik hier om het filmpje van deze week te zien en de vogelgeluiden te beluisteren.
Hoewel ik als tiener regelmatig uitsliep tot het eind van de ochtend, ben ik inmiddels een ochtendmens geworden. Vaak ben ik om zes uur al wakker en in de winter lig ik dan nog een tijdje in het donker te staren. In de lente is het een voordeel, want dan is het al licht en kan ik genieten van het ochtendgloren en de rust die er dan heerst. Ik rijd meestal de polder in, er is nog geen kip op de weg, maar rond de boerderijen is er wel al volop activiteit. Zo ook deze lentemorgen, waarbij ik de ochtenddauw en de vogelzang wilde vastleggen. Ik moest de camera af en toe even stopzetten wegens het geluid van een trekker of andere landbouwmachine. In het riet hoorde ik de kleine karekiet zingen, ze verstoppen zich altijd en zijn moeilijk in beeld te krijgen. Een zwanenpaar gleed statig door het water en in de bomen kweelde een zanglijster. Enkele waterplasjes verder was een klein stukje 'bos' en in de bermen zag ik drie kleuren dovenetels: wit, paars en geel. De eerste twee zie je op onderstaande tekening.
Paarse en witte dovenetel Bron: Carl Axel Magnus Lindman - «Bilder ur Nordens Flora» Stockholm, wikimedia
Deze plant, die tot de lipbloemigen behoort wordt graag bezocht door insecten die op zoek zijn naar suikerrijke nectar, want dovenetels produceren daar veel van. Je kunt een bloemetje van de plant trekken en aan de achterkant uitzuigen om de nectar te proeven (doe dit niet op een plek met veel verkeer en/of plassende honden). Van gedroogde bloemen wordt wel thee gezet. Zelfs als de bloem is afgevallen perst ze er nog een laatste restje nectar uit. Verdund door dauw en regenwater op de grond is de nectar nog steeds zoet genoeg om mieren aan te trekken. Die halen ook de zaden (in de vorm van 'nootjes' met een vlezig, oliehoudend aanhangsel) uit de vruchtkelk en verslepen dat. Ze eten het mierenbroodje en het zaad heeft zo weer een nieuw terrein om te ontkiemen.
De witte dovenetel is een groen overwinterende plant, maar de veel kleinere paarse dovenetel is eenjarig. Toch zie je die ook regelmatig in de winter, maar dat zijn dan pas ontkiemde exemplaren. Van deze plant zijn resten gevonden die dateren uit de IJzertijd (700 voor Christus). In de meivakantie waren we in Limburg en daar zag ik 'grote' paarse dovenetels. Ik dacht dat dat kwam door de voedzame grond aldaar, maar nu ik dovenetels nog eens opzocht in de Nederlandse Oecologische Flora, zag ik dat dat een aparte soort betreft. Ik was zo stom om 'm niet te filmen (misschien staat-ie nog ergens toevallig in beeld, maar ik moet dat beeldmateriaal nog uitzoeken). Dus van deze 'gevlekte dovenetel' ook een botanische illustratie.
Dan is er nog de gele dovenetel; daar zijn ook twee soorten van: de bontbladige (geel met witte vlekken), een cultuurplant die vaak verwilderd voorkomt in de natuur. Die zie je in het filmpje van deze week. Er is echter ook een nog een wilde variant, die in ons land beperkt te vinden is: alleen in Zuid-Limburg, een deel van de Achterhoek en Oost-Twente. Dat is een schaduwplant die veel in loofbossen voorkomt, op plaatsen waar de lichthoeveelheid maar een kwart is. Ik zag ze in Limburg overigens ook onder heggen langs holle wegen. Maar die variant zie je dus over een tijdje in de filmpjes uit Limburg.
Tenslotte nog de naam: de netel is 'doof' omdat hij niet prikt zoals de brandnetel. Bekijk in de film door hier te klikken.
Na mijn middagbezoek aan het zwanenmeer (zie vorige blog) besloot ik een keer
in alle vroegte te gaan filmen. De zon komt namelijk achter het plasje op, dus
ik bedacht dat dat mooie tegenlichtopnamen kon opleveren. Na enkele bewolkte
ochtenden, was er een heldere zonsopgang voorspeld. In het donker reed ik naar
het vogelplasje met de kijkhut. Het aantal zwanen was niet zo groot als
tijdens mijn eerste bezoek. In de verte dreven enkele vogels. Maar al snel
deden de aantallen er niet meer toe, want een paartje begon elkaar het hof te
maken. Nu eens om en om en dan weer volledig synchroon dipten ze hun snavels
in het water, met sierlijke bewegingen. Uiteindelijk paarden ze, waarna ze hun
band bevestigden door uit het water op te rijzen en knus tegen elkaar aan te
vlijen. Daarna was het tijd om te rusten, badderen en de veren te poetsen.
Inmiddels was nog een flinke groep jongelingen aan komen vliegen, dus ook met
de aantallen kwam het goed.
Ik hoef er deze keer niet veel woorden aan te wijden, je moet er vooral zelf
naar kijken.
In de plas bij de vogelhut in het Spookverlaat houdt zich momenteel een flinke groep knobbelzwanen op. Zo veel dat je met recht kunt spreken van een zwanenmeer. Knobbelzwanen staan bekend als zeer territoriale broedvogels maar in hun
eerste levensjaren, tijdens de rui en in de winter houden zij er vaak een meer
sociale levenswijze op na. Nadat jonge knobbelzwanen in september vliegvlug zijn geworden blijven ze vaak nog enige tijd bij de ouders in het territorium. In de loop van de winter worden ze door de ouders verjaagd. De jongen verzamelen zich dan in groepen, samen met knobbelzwanen die nog geen territorium bezitten, zoals sub-adulte vogels. Jonge zwanen herken je aan de laatste vegen grijs in het verenkleed en een roze snavel. Zo'n groep kreeg ik voor de lens op een zonnige lentedag. Toch werd er hier en daar geflirt, een teken dat er ook zwanen in de groep zwommen die al uit zijn op een serieuze verbintenis, daarover de volgende keer meer. Knobbelzwanen hebben door hun omvang weinig natuurlijke vijanden. Als ze als jonkie niet gepakt worden door een snoek of ander roofdier, dan vormt een strenge winter met dichtgevroren wateren hun voornaamste levensbedreiging. Daar komt nog een ander aspect bij. Sinds de jaren 90 is bekend dat knobbelzwanen hun legdatum en legselgrootte laten afhangen van de gemiddelde temperatuur in de winter voorafgaand aan het broedseizoen. Na een koude winter leggen veel vrouwtjes later of zelfs helemaal niet. Aangezien we al lang geen strenge winters meer hebben gehad, zie ik de knobbelzwanenstand hier in de polders elk jaar toenemen.
Het zwanenmeer
De meeste Nederlandse knobbelzwanen komen voor in de provincies Zuid-Holland en Noord-Holland. Dit heeft twee oorzaken: de voorkeur van de vogels voor veenweidegebieden en de zwanendriften uit het verleden. Vroeger werden in het boerenland geleewiekte (leewieken = kortwieken van de vleugels waardoor de vogels niet meer kunnen vliegen) knobbelzwanen gehouden voor de handel en productie van vlees en veren. Toen het fokken van zwanen steeds minder lucratief werd, werden de jongen niet meer gevangen of geleewiekt. Ze vestigden zich in de buurt en vormden daarmee de basis voor de nu vrij levende populaties. Tot en met mei kunnen grote groepen onvolwassen knobbelzwanen (tot 5 jaar) rondzwerven en foerageren op graslanden, percelen met wintergraan en koolzaadvelden. Hierbij kunnen ze belangrijke schade veroorzaken door vraat, vertrapping en bevuiling. De omvang van de fouragerende groepen varieert van enkele zwanen tot meerdere tientallen, tot 90 aan toe. In de zomer vertrekken ze naar groot, open water om vervolgens in het najaar, als de waterplanten niet meer groeien, terug te keren naar de binnenlanden.
Behalve knobbelzwanen verbleef er op het eilandje in de plas een stelletje nijlganzen met jongen. Flink wat grauwe ganzen maakten er toilet. Eén paartje maakte daarbij vlak na elkaar een soort koprol in het water, gedrag dat ik nooit eerder had gezien, maar dat er heel vermakelijk uit zag. Let er maar eens op in het filmpje!
Klik hier om het filmpje van deze week te bekijken.
In mijn volgende blog: een romantische ochtend in het zwanenmeer.
De meimaand is begonnen en ik wil daarom aandacht vragen voor een actie die is overgewaaid uit het Verenigd Koninkrijk en België: Maai Mei niet. Doel van het geheel is dat je gedurende de meimaand (een deel van) je gazon niet maait, zodat er wilde bloemen kunnen groeien. Ze leveren nectar die insecten broodnodig hebben. Ik weet niet hoe het bij jullie is gesteld, maar in mijn tuin zie ik elk jaar minder zweefvliegen, wilde bijen en hommels. Als we vroeger buiten zaten, hoorde je het heerlijke gegons van deze kleine beestjes, maar het wordt wat dat betreft steeds stiller in de tuin. Om ons heen worden meer en meer tuinen versteend. Stichting Steenbreek, samen met de Bijenstichting en Flora van Nederland initiatiefnemer van de meimaandactie, probeert hier al jaren iets aan te doen onder het motto: steen eruit, plant erin. De tuinen die grenzen aan de onze zijn erg verschillend: twee maal groen en twee maal steen - waarvan één zelfs met kunstgras :(. Onze kleine voortuin wordt trouwens al jaren in het voorjaar niet gemaaid om de blauwe druifjes, narcissen maar ook veel wilde bloemen zoals speenkruid, hondsdraf en vogelmuur ruim baan te geven in een tijd dat er nog weinig andere bloemen bloeien.
Een maand niet maaien voor een bloemenweelde en insectenvoedsel
Alle gazons in Nederland samen hebben een oppervlakte van 11.000 voetbalvelden. Als we die niet maaien, dan creëren we samen een gigantisch bijenbuffet. De paardenbloem biedt voedsel aan maar liefst 27 soorten solitaire bijen! Ook jouw gazon kan meedoen, zonder al te veel moeite , er zitten meer planten in je gazon dan gras alleen. Die komen tot bloei zodra je een (gedeelte van) je gazon niet maait. Daar profiteren bijen en vlinders van. Niet alleen particulieren kunnen meedoen, maar gemeenten worden nadrukkelijk ook opgeroepen om de maaimachine een maandje in de schuur te laten. Gemeenten spelen bij het verhogen van de biodiversiteit een belangrijke rol met de bermen en groenstroken die een enorm areaal vormen. Dat gaat over vele duizenden strekkende kilometers: circa 140.000 kilometer bij wegen, 17.500 kilometer bij dijken en ongeveer 3000 kilometer langs het spoor.
Om deze blog te illustreren heb ik gefilmd in de berm langs een wetering. Madeliefjes, boterbloemen, pinksterbloemen, paardenbloemen en smalle weegbree waren zo maar wat soorten die ik zag uit het lijstje dat ook in je tuin kan bloeien. Het was helaas een kille dag, dus de insecten lieten verstek gaan. Als je van een biljartlaken houdt is dat misschien niks voor jou, maar die hebben we hier in het Groene Hart al genoeg, met al die saaie groene weilanden.
Je kunt meteen aan de slag gaan vanuit je luie stoel, namelijk door deze keer niet in actie te komen en de maaier en jezelf een maand rust te gunnen. Als tuinbezitter kun je ook een stapje verder gaan en je gazon aanmelden via de website. Je ontvangt gelijk leuke tips om mee te doen. En tel het laatste weekend van mei jouw kruidachtige planten in een vierkante meter van je gazon en geef deze aan de stichting door, zodat de Bijenstichting jouw nectarscore kan berekenen. Met alle resultaten van Nederland weten we na deze maand wat er groeit in onze omgeving en hoeveel extra bijen we in mei helpen overleven. Aanmelden kan via deze site. Een overzicht van planten en insecten die in je gazon voor kunnen komen (afhankelijk van je grondsoort) vind je door hier te klikken.
Bekijk het bermbloemenfilmpje van deze week door hier te klikken.
In het paasweekend maakte ik een wandeling rond het Spookverlaat in Alphen aan den Rijn. Hier vind je een oude houtkade met een bijzondere geschiedenis, omgeven door verschillende waterplasjes en een vogelhut. De komende weken kun je enkele filmpjes zien, die ik in dit gebied maakte. Op mijn lentewandeling zag ik ontluikend groen en bloesem, vlinders (dagpauwoog, bont zandoogje en koolwitje) en er was vogelzang alom. Langs het pad naar de vogelhut was een stukje heg gevlochten van levende meidoorn, zo te zien was dat nog niet lang geleden gebeurd. Het vlechten van levende heggen is een ambacht die je vooral in Brabant en Limburg tegenkomt. Deze traditie behoort tot het Unesco immaterieel erfgoed, daarom wil ik daar vandaag iets meer over vertellen.
Vlechten met levende meidoorn
Een kort geschiedenislesje
Heggen van dood of levend hout worden al meer dan 2.000 jaar gevlochten om het vee in de wei of buiten de akker te houden. Dat weten wij dankzij de schrijver van Julius Caesar die hier een uitgebreide beschrijving van gaf. Archeologische vondsten laten zien dat het vlechten van heggen met hazelaartakken en andere materialen zelfs al veel eerder in de historie plaatsvond, maar daar zijn geen schriftelijke bewijzen van. De ommekeer van dode omheiningen naar levende vlechtheggen kwam met het groeiend tekort aan hout. Om de sterk groeiende bevolking te kunnen voeden werd er veel bos omgezet in akkers en weilanden. Ook ontstond een groeiende vraag naar bouw-, gerief- en brandhout. Nog bestaande bossen waren veelal in handen van de adel die hun bezittingen beschermde tegen houtroof. Voor hen was het behoud van de bossen ook belangrijk als jachtgebied. Er dreigde overal een tekort aan hout.
Er ontstond het besef dat de omheiningen van dood hout jaarlijks veel hout vroegen dat langzaam wegrotte op de akkers. Door de aanleg van levende heggen kon men niet alleen besparen op hout, als men slim omging met het beheer van de heggen konden deze heggen ook nog hout leveren. Uit die tijd stamt dan ook het gezegde: “Dode omheiningen kosten hout, levende omheiningen leveren hout”.
De oorspronkelijke vlechtheggen bestonden meestal uit doornige struiken, met name meidoorn, die met een speciale techniek in elkaar werden gevlochten om de heggen ondoordringbaar te maken voor het vee. Heggenvlechten was dus vooral functioneel, maar in tuinen van landgoederen en kloosters werden wel siervlechtwerken in heggen aangelegd. Het vlechten van heggen heeft in het verleden niet alleen in Nederland maar in geheel West Europa, met name in Engeland, Duitsland, België en Frankrijk, een belangrijke functie gehad.
Meer over de interessante historie van de vlechtheg kun je lezen op deze site.
Hoe werkt heggenvlechten met levend materiaal?
Bloeiende meidoorn
Het heggenvlechten was een speciaal ambacht dat gedaan werd door de boer, de boerenzoons of boerenknechten. Daarnaast waren er mensen die zich gespecialiseerd hadden in dit vlechtambacht en in de winter bij boeren de heggen vlochten. Deze heggenvlechters, ook wel heggenleier of heggenlegger genoemd, waren vaak keuterboeren die als aanvulling op de inkomsten uit het boerderijtje gingen vlechten. Tegenwoordig wordt het werk vooral door vrijwilligers gedaan. Maasheggenvlechters gebruiken uitsluitend handgereedschap en werken alleen in de winterperiode. Er wordt vooral in ‘hoog Nederland’ (Noord-Brabant en Limburg) in deze stijl gevlochten. Als de stammen van de heg polsdik zijn, is de heg klaar om gevlochten te worden. Eerst wordt de heg flink gesnoeid, zodat de vlechter er goed bij kan. De vlechter gebruikt zogenaamde liggers en staanders. De liggers worden schuin ingezaagd met een snoeizaagje of, voor de geoefende vlechters, een traditionele hiep. De verbinding met de sapstroom (een stukje bast en hout) is minimaal anderhalve centimeter dik en mag niet gebroken zijn. De ingezaagde ligger wordt onder een hoek van tachtig graden gebogen en tussen de staanders gevlochten. Staanders staan ongeveer elke meter en worden op een hoogte van honderdtwintig à honderddertig centimeter ingezaagd en gevlochten.
Hiepen, gereedschap voor heggenvlechten Bron: Felix Blum, wikimedia
NK Maagheggen vlechten
Om de kennis en traditie in ere te houden, vindt er jaarlijks een Nederlands kampioenschap Maasheggenvlechten plaats, georganiseerd door Stichting Landschapsbeheer Boxmeer. Door de coronapandemie konden de wedstrijden de afgelopen jaren niet doorgaan, maar dit jaar werd op 13 maart een kleinschalige editie (zonder publiek) gehouden. Een kort verslag op de website van de stichting:
"Zoals gebruikelijk in de 15 voorafgaande edities vond het kampioenschap plaats op de tweede zondag van maart. Op een prachtig zonnige 13 maart werd er gevlochten door 36 teams. Bijzonder dit jaar was dat er zes universiteitsteams deelnamen aan het kampioenschap. Drie studententeams vertegenwoordigden de universiteit van Wageningen en de drie teams de Radboud universiteit uit Nijmegen. Mooi dat mede hierdoor eerste stappen zijn gezet om het ambacht van het heggenvlechten en daardoor het in stand houden van het mooie Maasheggenlandschap doorgegeven kan worden aan de volgende generatie.
De 36 teams zorgden ervoor dat het Maasheggengebied 300 meter gevlochten heg rijker geworden is. De jury stond na 5 uur vlechten voor de moeilijke taak een winnend team aan te wijzen. Door alle deelnemers werd vol inzet gesnoeid, gezaagd en gekapt om uiteindelijk een mooie en sterke heg te vlechten."
In het filmpje van deze week zie je een klein stukje levende meidoornheg, die nu prijkt in de Hollandse polder. Wie weet wordt dit een goede traditie. Want behalve dat het hout bespaart en mensen en dieren 'binnen de perken houdt', is het een heerlijke schuil- en broedplaats voor vogels en kleine (zoog)dieren. De Vereniging Nederlands Cultuurlandschap heeft berekend dat de randen van Nederlandse akkers en weilanden 200.000 kilometer lang zijn. Dat is vijf keer de aarde rond. In hun deltaplan ijveren ze voor houtwallen, sloten, heggen, singels en andere vormen van ‘groen en blauw’ op die randen om zo de natuur weer te verlevendigen.
Dat was veel leeswerk in mijn blog deze week, voor degenen die vooral willen genieten van zo'n houtwal en de uitbundige lente: klik hier om het filmpje van deze week te bekijken.