Tijdens een zonnig moment liep ik weer eens een rondje door het lokale parkje. Het was er een week niet van gekomen en het stormachtige, gure maartse weer had daar zeker aan bijgedragen :). Daarom was ik erg verbaasd hoeveel groener het in die zeven dagen was geworden. Ondanks de kou en -waarschijnlijk- dankzij de regen hadden de blaadjes van met name de struiken een sprint getrokken. Een meidoorn toonde zijn groene pracht in volle omvang. Het was zo'n lichte groene kleur die je alleen in de lente ziet. Ik werd er meteen vrolijk van.
Meidoorn in frisse lentetooi
Waar ik mij in mijn vorige blog verbaasde over de 'voelende' ranken van erwten en peulen, riep de snelle groei van het gebladerte weer een nieuwe vraag bij mij op. Hoe doet zo'n plant dat, al die bladeren in zo'n korte tijd? Dat heeft met een heleboel factoren te maken.
De vorm en de soort (dik, leerachtig, dun) van het blad zijn genetisch vastgelegd in de struik. Ook de groeisnelheid en maximale grootte van een blad zijn in het DNA van de plant verankerd. Dan zijn er omgevingsfactoren die een rol spelen. Voldoende licht beïnvloedt de fotosynthese, en dat stimuleert de groei. Water is belangrijk voor de celspanning, die zorgt dat de bladeren uitzetten. Hoge luchtvochtigheid bevordert de bladgroei en droogte remt deze. Voedingsstoffen zoals stikstof en CO2 uit de lucht zijn noodzakelijk voor de opbouw van bladweefsel. En de juiste temperatuur beïnvloedt de snelheid van de stofwisseling en celdeling. En zo komen we bij de hormonale processen in de plant.
Ontluikende hazelaarbladeren Bladontplooiing is een interactie tussen genetische aanleg, omgevingsfactoren en hormonale processen
Bladgroei begint met het delen van van cellen, gevolgd door een periode van celstrekking. De celwand wordt daarvoor flexibeler en de cel wordt groter. Dit wordt allemaal aangestuurd door plantenhormonen, zoals auxine en gibberelline. Auxine reguleert niet alleen de celstrekking, maar ook de wortelvorming en zorgt ervoor dat de plant naar het licht groeit (fototropisme) en de wortels juist naar beneden (geotropisme). Auxine is het spul dat je koopt als je een potje stekpoeder in je winkelmandje legt. Gibberelline speelt een cruciale rol bij kieming, stengelverlenging, bloei en vruchtzetting. In de landbouw wordt het gebruikt om kiemrust te breken, de opbrengst te verhogen en vruchtgroei te stimuleren.
De gedeelde en gestrekte cellen nemen water op, waardoor de druk stijgt en het blad in omvang toeneemt. Dat was dus de actieve bijdrage van de buien in de afgelopen week :).
Niet alleen bladeren hadden zich razendsnel ontwikkeld; de sleedoorn zat ineens vol met bloemen. Ik weet nu dus dat het hormoon gibberelline daar een grote rol in heeft gespeeld...
Als die mooie bloemetjes.... Daar zit het hormoon gibberelline achter!
Weer een reden om niet al te achteloos langs de mooie natuur te racen. Ik verbaasde me over alle hondenuitlaters in het park, die al wandelend op hun telefoon staarden. Bekijk al die pracht en verwonder je over elk uitgekomen blaadje, wilde ik roepen, maar ik weet niet of iedereen zo'n oproep op prijs had gesteld. Dus besloot ik in mijn eentje stiekem te genieten :).
Afgelopen zaterdag was een windstille ochtend; een prima mogelijkheid om vogelzang vast te leggen zonder nare ruis in de microfoon. Over vogelzang schreef ik al enkele blogs. En in het filmpje van deze week kun je zien èn horen welke vogels ik in het park tegenkwam. Niet alleen de vogels lieten zich van hun beste kant zien, de sleedoorn showde haar ragfijne witte bloemetjes tussen het prille lentegroen.
Sleedoorn
Een vlinder die verbonden is aan deze struik is de prachtige sleedoornpage. De vlinder legt de eitjes in de oksels van takken op de grens van oud en jong hout, waar de eitjes overwinteren. De eitjes zijn wit en plat en hebben een geribbeld patroon. In het voorjaar komen de eitjes uit en vreten de rupsjes de knoppen van binnenuit, later peuzelen ze van het blad. De rupsen verpoppen eind juni of begin juli op de grond onder afgevallen bladeren. Mieren begraven de poppen in oppervlakkige holletjes. Door de verborgen leefwijze van de sleedoornpage zie je de vlinders helaas niet vaak. Meestal gaan enthousiaste tellers er in februari op uit om op de kale takken naar eitjes te speuren en zo in kaart te brengen waar de vlinder voorkomt.
Sleedoornpage (v) is klaar om een ei te leggen Foto: Charles J. Sharp - Own work, from Sharp Photography, CC BY-SA 4.0, Wikimedia
Sleedoornpage ei Foto Gilles San Martin - Flickr: Thecla betulae egg, CC BY-SA 2.0, Wikimedia
In navolging van de sleedoornpage zou je verwachten dat de meidoornuil (een nachtvlinder) haar eitjes op de meidoorn legt. Maar dat is lang niet altijd het geval. De meidoornuil is vaak te vinden op sleedoorn (en berk) om haar nageslacht veilig te stellen. De eitjes van deze soort worden dan ook vaak door sleedoornpagetellers gevonden. De eitjes verschillen van de sleedoornpage: ze zijn hoger en lopen bovenaan wat taps toe. Ook het patroon is anders, met langgerekte groeven.
De eitjes van de meidoornuil overwinteren en komen rond deze tijd (eind maart/begin april) uit. De jonge rupsjes eten van het jonge blad en zijn ook overdag actief. Oudere rupsen rusten overdag stijf tegen takken aangedrukt en zijn dan opvallend goed gecamoufleerd, zij scharrelen 's nachts hun maaltje bij elkaar. Na vier tot zes weken zijn de rupsen volgroeid en maken ze een cocon in de strooisellaag. Dan gebeurt er iets bijzonders; of eigenlijk eerst een tijdje niks: de verpopping vindt pas na zes tot acht weken plaats. Tot die tijd blijven ze als rups in de cocon zitten. Dit zie je bij meer vlindersoorten, vooral soorten die in het voorjaar rups zijn en een vliegtijd hebben in het najaar. Vermoedelijk is dit een strategie om in geval van ongunstige omstandigheden nog enigszins mobiel te zijn. Een pop kan zich immers niet verplaatsen en een rups wel. Om deze theorie te testen zijn er experimenten gedaan. Poppen werden in zaagsel gelegd en dit werd vervolgens flink nat gemaakt en omgewoeld. Op zo'n moment kwamen de rupsen uit de cocon en maakten op een andere plek een nieuwe cocon.
Meidoornuil Foto Ben Sale from Stevenage, UK - [2245] CC BY 2.0, Wikimedia
Om de vlinders te zien moet je dus wachten tot het najaar, de top van de vliegtijd ligt in de eerste helft van oktober. Maar komende tijd kun je wel speuren naar de rupsen van deze soort. Dat is geen makkie, want zo te zien springen ze niet in het oog.
Rups van de meidoornuil Foto: Harald Süpfle, CC BY-SA 3.0, Wikimedia
Je kunt natuurlijk ook gewoon genieten van de mooie sleedoornbloemen en hopen op een vlinder in het najaar!
Sleedoornbloemen
Vergeet niet het filmpje te bekijken met de link bovenaan deze blog ;).
De titel is geen typefout. Hoewel ik het filmpje van deze week maakte terwijl ik wandelde in het bos, gaat het hier over een idee van ARK Natuurontwikkeling: het wandelend bos. In de strijd tegen klimaatverandering wil Nederland de komende tien jaar 185 miljoen bomen planten, dat is ongeveer 37.000 hectare extra bos, 10% meer dan we nu hebben. Nu kun je op zo'n oppervlakte 'gewoon' wat jonge aanplant in de grond jassen, maar het is beter om daar eens goed over na te denken. Volgens ecologen planten we namelijk in Nederland massaal verkeerde bomen aan. Maar 2 tot 3% van de Nederlandse bossen bestaan uit inheemse bomen die voldoende wild en gevarieerd zijn.
Zo kan de essentaksterfte, veroorzaakt door een Aziatische schimmel, snel om zich heen grijpen omdat veel essen in Nederland zijn aangeplant en te weinig genetische variatie hebben om zich te weren tegen deze boomziekte. De essen zijn allemaal kopieën van elkaar en hebben daardoor dezelfde afweer of, in dit geval, gebrek er aan.
Soms lijkt een boom of struik inheems, zoals de sleedoorn. Die komt van nature in ons land voor, maar langs wegen zijn op grote schaal Zuid-Europese varianten aangeplant. Die zijn anders 'geprogrammeerd' qua bloeiperiode omdat het in die streken eerder lente is. Ze bloeien dus in februari, maar dan zijn onze insecten nog niet actief. Ik wist eigenlijk niet beter meer dan dat de sleedoorn zo vroeg bloeide. Hier in de polder tonen ze hun bloemenpracht al vroeg. Vorig jaar filmde ik in april langs de zandpaden van mijn jeugd de bloesem bij Neerbeek (klik hier om dat filmpje te bekijken). Behalve de kersenbomen stond daar ook de sleedoorn in bloei. Dat vond ik erg laat, maar feitelijk zijn dat echte wilde sleedoorns die voor Nederland op het juiste moment bloeien. Daar moeten we heel zuinig op zijn.
Tenslotte worden er ook bomen aangeplant die weliswaar Nederlands zijn, maar niet van nature voorkomen in een bepaalde biotoop of bostype. Dat verstikt de laatste restjes wild bos, waar boomzaden van heel andere soorten naar binnen waaien. Als bomen op de verkeerde plek worden aangeplant, kunnen ze bovendien de toenemende droogteproblematiek in de Nederlandse natuur verergeren.
Het wandelende woud, bron ARK Natuurontwikkeling
De ecologen van ARK pleiten er dus voor om niet zomaar bomen toe te voegen, maar na te denken over een meer natuurlijke situatie voor bebossing. Een natuurlijk bos is voortdurend in beweging. Boomzaden ontkiemen, jonge boompjes worden opgegeten of groeien uit tot grote bomen, die sterven af, waarna er weer plek ontstaat voor nieuw bos. In een natuurlijke situatie ‘wandelt’ een bos. Er ontkiemen bomen aan de bosrand of op een open plek, losgewoeld door wilde zwijnen, waar vogels zaden hebben verstopt of uitgepoept. De jonge boompjes worden deels weer opgegeten door grote grazers. Op plekken waar die grazers niet komen, groeien de bomen uit tot bos, omdat er stekelstruiken staan of wolven of lynxen op de loer liggen. Na vele decennia of soms zelfs eeuwen, valt een boom weer om, door storm, brand, ziekte of ouderdom. Het dode hout is een rijk gevuld buffet voor allerlei schimmels en insecten als het vliegend hert. Op de opengevallen plek groeien kruiden, struiken en uiteindelijk wellicht weer bomen.
Een wandelend bos trekt bepaald geen sprintje. Bosranden kun je in de loop van 2 of 3 jaar zien oprukken. De overgang van grasland, via ruigte en struweel naar bos zie je in 20 of 30 jaar gebeuren. Met de hele cyclus tot volgroeid bos ben je zo 200 of 300 jaar verder. Dus door nu beter na te denken over het aanplanten van al die bomen, zorgen we er niet alleen voor dat er meer CO2 wordt vastgelegd, maar ook dat de bossen aantrekkelijker worden voor het hele ecosysteem. En dan wordt een boswandeling geen saaie wandeling meer tussen eentonige vlaktes met dennenbomen maar een struintocht door gevarieerde natuur. Op de tekening van ARK Natuur kun je bekijken hoe dat er uit ziet. De tekening kun je gratis downloaden via hun webwinkel.
In het filmpje van deze week spelen de kale winterbomen de hoofdrol in twee minibiotoopjes die in heempark Zegersloot zijn nagebootst: eiken/beukenbos en een stukje moerasbos met wilgen. Klik hier om het filmpje te bekijken.
Heb je mijn bomenfilm nog niet gezien en heb je wel interesse? Op 22 maart gaan we 'm nog een keer vertonen in De Vlinder.
De meeste bomen en struiken zijn nog kaal, maar hier en daar piept het groen van de blaadjes al een beetje te voorschijn. Af en toe duikt er een struik op met een waas van witte dotjes. Nog voor de blaadjes zich ontwikkeld hebben, opent de sleedoorn zijn prachtige witte bloemetjes. Dat is nu overal te zien. Deze struik behoort tot de rozenfamilie, net als de meidoorn en de vogelkers trouwens. Veel wilgen zijn al over de top van hun bloei heen als de sleedoorn nectar en stuifmeel gaat leveren. Vroege insecten zoals hommels maken daar graag gebruik van. Van nature komt deze struik vooral in het oosten en zuiden van ons land voor, maar in veel plantsoenen en langs wegen is deze soort aangeplant, zodat we er vrijwel overal van kunnen genieten. Uit de bloemetjes groeien kleine pruimpjes die in de loop van de zomer van groen naar bedauwd blauwgrijs kleuren. Deze steenvruchtjes zijn waarschijnlijk een voorouder van onze huidige pruimen. Ze zijn echter een stuk kleiner en ook veel wranger/zuurder dan onze 'consumptiepruimen'. Het woord 'slee' betekent 'stroef makend'. Vanuit het Limburgs ken ik de uitdrukking 'schlee tenj' (ik weet niet of het goed schrijf), dat betekent dat iets een stroef gevoel op de tanden geeft.
Nu, dat doen die pruimpjes zeker. Om zo te eten zijn ze niet echt lekker. Maar je kunt ze in jam verwerken, met hun hoge pectinegehalte zorgen ze dan voor een stevige gelei. Wanneer de vorst erover heen is gegaan smaken de pruimpjes iets minder zuur. Dat kun je simuleren door ze een paar nachtjes in de vriezer te leggen. De Engelsen zijn verzot op sleedoornwodka (sloe wodka). De vruchtjes worden ingeprikt en met suiker in een fles wodka gedaan. In een paar maanden tijd kleurt het tot een prachtig rood drankje. Voor de liefhebber :).