Posts tonen met het label Limburg. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Limburg. Alle posts tonen

zaterdag 28 september 2024

Glibberen door de blubber om boomkikkers te zien

In de meivakantie waren we in Limburg en één van de natuurgebieden die al heel lang op onze "to do-lijst" stond was De Doort, in de buurt bij Echt. In het voorjaar zijn hier onder andere boomkikkers actief. Waarnemingen van deze beschermde soort zijn niet gedetailleerd terug te vinden op waarneming.nl, dus we besloten een wandeling te maken die ons alle biotopen van De Doort zou laten zien, in de hoop dat we de kikkertjes onderweg zouden spotten. Toen we de wandeling begonnen was het zwaarbewolkt. Niet per sé het beste uitgangspunt om de boomkikkers te zien, want je kunt deze beestjes van enkele centimeters groot het makkelijkst waarnemen als ze zitten te zonnen op (braam)bladeren. 

We parkeerden de auto en hoorden onze eerste koekoek van dit seizoen; een goed begin! Langs de randen van het bos en de Middelsgraaf speurden we naar boomkikkers maar we zagen niet meer dan een slome vuurjuffer, die nog wat zonnewarmte nodig had om actief te worden.

Vuurjuffer

Voor wie het zich niet meer herinnert: het voorjaar van 2024 was erg nat en daar ondervonden we al snel de gevolgen van. Onze voeten zakten weg in glibberige klei en na korte tijd waren onze schoenen egaal bruingrijs. We waren niet de enigen: een das had ook moeite met de modder en liet een spoor van zijn bezoek achter.

Dassenspoor in de blubber, ook uitgegleden, net als wij

We kwamen maar langzaam vooruit en verdwaalden ergens waar het pad ophield. We hadden in de routebeschrijving blijkbaar een afslag gemist. Door sprokkelhout en modder baanden we ons een weg terug. Hier kwamen andere wandelaars ons tegemoet - voor hen moest de ergste modder nog komen :(. We vroegen of ze wisten waar de boomkikkers zich ophielden. Ze gaven ons een beschrijving, die op dat moment duidelijk leek, maar toen we de eerste vijf aanwijzingen hadden gevolgd en een verharde weg overstaken raakten we alsnog het spoor bijster. Langs een veld dat overeenkwam met de beschrijving van de wandelaars konden we de boomkikkers niet ontdekken. Dus vervolgden we de route in onze eigen beschrijving. Toen we wederom aan de rand van een enorme modderpoel stonden, hakten we de knoop door: we zouden teruglopen naar de verharde weg en dan de kortste route naar de auto nemen. We kwamen dus opnieuw langs het beschreven veldje in het bos. Er was echter één verschil: de zon was doorgekomen. 

Biotoop van de boomkikkers

We besloten nog één keer langs de bosranden te speuren. Zoek de boomkikker!

Zoek de boomkikker

Boomkikkers kunnen hun kleur veranderen van lichtbruin tot donkergroen, dus ze kunnen volledig opgaan in hun omgeving. De bruinzwarte rand doet denken aan een bladrand of takje. De zon kwam verder door en elke keer als we met onze ogen knipperden kwamen er kikkertjes bij. Op het laatst zagen we er veertien!


Met onze modderschoenen klotsten we tevreden naar de parkeerplaats. In principe hadden we een paar honderd meter over verharde weg en zandpad kunnen lopen om de boomkikkers te zien. Dus het modderbad was in dat opzicht geheel overbodig. Bij de auto spraken we nog een ander wandelduo. Zij waren de braamstruiken gepasseerd toen er nog geen zon was en hadden geen enkel kikkertje gezien. Dus 'timing is everything'. 

Meer informatie over boomkikkers vind je op de site van Ravon
Op de site van Visit Zuid-Limburg vind je een wandelroute door De Doort (die komt niet precies overeen met onze route). 
Eerder schreef ik dit blogje over boomkikkers


zondag 12 november 2023

Nog meer paddenstoelen uit de Vijlenerbossen

Herfst in de Vijlenerbossen

Vorige week beschreef ik een aantal paddenstoelen die we tegenkwamen tijdens een wandeling in de Vijlenerbossen (Zuid-Limburg). Zoals beloofd, laat ik er deze keer nog een aantal zien. 

Een soort die we erg veel tegenkwamen die dag was de gele aardappelbovist.

Gele aardappelbovist

Deze aardappelkleurige ballen behoren tot de paddenstoelen die samenwerken met bomen (zie mijn blog van vorige week), vooral met de zomereik in dit geval. Als je de bol opensnijdt heb je een soort grapefruit (witte schil) maar dan met bruine vulling. Dat zijn de sporen, die vrijkomen als de buitenste laag is uitgedroogd en opengespleten.

Door Herbert Baker at Mushroom Observer, wikimedia

In tegenstelling tot de aardappel, kun je deze paddenstoel beter niet eten: hij is giftig. Je gaat er van braken en zweten, krijgt hoofdpijn en je bloeddruk kan zo laag worden dat je flauwvalt of zelfs bewusteloos raakt. Ook kan het leiden tot een roes of stoornissen van het gezichtsvermogen. En dit alles binnen een half uur tot drie kwartier na het eten van de bovist. Niet aan te raden dus. 

De Roodporiehoutzwam groeit op dood hout (soms ook nog levend) van loofbomen veelal op berk, wilg en els. Vaak op nog rechtstaande stammen, takken en stronken.
Een goed kenmerk bij deze eenjarige houtzwam is de rode verkleuring van de poriën aan de onderzijde die na indrukken meestal ontstaat.

Roodporiehoutzwam

De zwam breekt dood hout af en helpt zo mee om 'de rommel' in het bos op te ruimen en voedingsstoffen opnieuw beschikbaar te maken. In sommige landen worden de kurkachtige vruchtlichamen vermalen, tot vellen geperst en gedroogd om papier met een bijzondere kleur en textuur te produceren. 

Ook de witte bultzwam is zo'n opruimer, die met name oud beukenhout door middel van witrot aantast en zo langzaam in kleine stukjes uiteen laat vallen. 

Witte bultzwam

De naam komt van de vaak bultige aanhechting. De vruchtlichamen kunnen flinke afmetingen hebben (5 tot 20 cm). Ze zijn in de vorm van een waaier of een console aan de groeiplaats gehecht en bij de aanhechtingsplaats dikwijls bultvormig verdikt. Het oppervlak van de paddenstoel is "viltig" of "donzig" van textuur, crème, grijswit of grijsbruin van kleur, van concentrische kleurzones voorzien en plaatselijk dikwijls groenachtig vanwege de groei van algen. De paddenstoel bevat polysacchariden met ontstekingsremmende en vaatbeschermende eigenschappen en stoffen die de groei van bacteriën kunnen remmen. In hoeverre deze ook medicinaal worden toegepast weet ik niet.

Tot slot nog een foto van het gewone zwavelkopje, waaraan ik al eens een blog heb gewijd. Klik hier om dat te lezen. 

Gewoon zwavelkopje



zondag 5 november 2023

Paddenstoelen in de Vijlenerbossen

Bij een (korte) vakantie in Limburg hoort steevast een wandeling in de Vijlenerbossen (en na afloop een heerlijke streekplank bij restaurant Buitenlust :)). De bossen zijn gevarieerd en meestal verrassend rustig, maar ook voorzien van voldoende 'kuitenkillers' (steile heuvels) om aan de conditie te werken.

Tamme kastanjes in de Vijlenerbossen

In het begin van onze herfstvakantie had er al eens ijs op de autoruiten gezeten. Eindelijk herfst dachten we toen we om 9 uur (inmiddels was het al een riante 4 graden, haha) naar ons vervoermiddel liepen. Maar een paar dagen later steeg het kwik naar bijna 20 graden. Zacht weer en regen, zorgden ervoor dat de paddenstoelen uit de grond schoten, zoals deze mini vliegenzwam, die - nog maar pas ontsproten - toch al door een slak was belaagd. Het blad ervoor en zaadje ernaast zijn van de haagbeuk (om een idee te geven van de afmetingen). 

Vliegenzwam

Ik laat onderstaand wat van onze paddenstoelenoogst de revue passeren. 

Porseleinzwam

De porseleinzwam is een ijle beauty, de ivoorwitte kleur en de slijmerige hoed doen denken aan porselein, vandaar de naam. Een porseleinzwam leeft meestal op beuken en tast vaak alleen delen van de boom aan die al verzwakt zijn. In gezonde bomen is de schade beperkt. Aangetaste takken kunnen uiteindelijk afbreken. Er wordt gezegd dat de porseleinzwam een indicator is voor de aanwezigheid van andere parasitaire zwammen zoals de honingzwam en de reuzenzwam. Uit de porseleinzwam wordt een middel tegen schimmels gehaald: oudemansine A. Deze stof kan bij huidziektes ingezet worden.

Gewone hertenzwam
Met het wildseizoen heeft de gewone hertenzwam niet veel te maken. Deze houtopruimer heeft eerst witte plaatjes (waar de sporen in zitten), later kleuren deze rozig, zoals op de foto. Dat-ie geurt naar rauwe aardappel heb ik bij het nemen van de foto niet opgemerkt. Dit is trouwens zo'n BP (bruine paddenstoel) die ik met ObsIdentify heb gedetermineerd, want die BP's vind ik een moeilijke groep. Ik dacht dat deze zijn hertennaam wellicht aan zijn kleur zou danken, maar dat blijkt niet het geval. Om de link met het hert te ontdekken moet je een microscoop meenemen: steriele cellen op de lamellen hebben een uitsteeksel die wat op een hertengewei lijken. Dat is op de foto dus niet te zien :). 

Gele knolamaniet
Met knolamanieten is het altijd oppassen geblazen. De gele is niet supergiftig, maar verwarring met de groene, dodelijke, knolamaniet ligt altijd op de loer. Als je de foto bekijkt dan denk je wellicht: wat is er zo geel aan de gele knolamaniet? Nou sommige zijn geel en andere niet :). In mycologentaal: de hoed is ivoorwit tot bleek citroengeel van kleur. Vaak heeft het witte velumresten op de hoed. Het velum is het omhulsel dat om de paddenstoel zit als hij uit de grond komt. Doordat de paddenstoel gaat groeien knapt het en blijven er resten achter op (o.a.) de hoed (de velumresten zijn de witte stippen op de vliegenzwam). De gele knolamaniet komt voor bij eiken, deze paddenstoel leeft in symbiose met de wortels van deze boom. Dat wil zeggen dat zowel de paddenstoel als de boom baat hebben bij de samenwerking. Door de schimmeldraden kan de boom makkelijker water en voedingszouten opnemen. In ruil daarvoor krijgt de paddenstoel suikers en zetmeel. 

Volgende keer meer!




 




vrijdag 5 november 2021

Late kleuring van de bomen

In de herfstvakantie waren we een paar dagen in Limburg en we hoopten op zonnig herfstweer en mooi gekleurde bomen. Wat beide aspecten betreft kwamen we bedrogen uit. Er woei een stormachtige wind, de regenbuien konden we - met hulp van buienradar - maar nauwelijks ontwijken en de bomen waren nog grotendeels groen. Niet alle bomen verkleuren op dezelfde tijd. Beuken zouden rond deze tijd hun kleurenpracht moeten tentoonstellen en Amerikaanse eiken ook. Maar die hadden niet meer dan een blosje. De lindenbomen die we vanuit onze hotelkamer zagen waren enigszins gekleurd maar door de harde wind ook al half kaal gewaaid. Alleen de esdoorns kleurden in de loop van de week geel.

De bomen in het Limburgse heuvelland waren maar mondjesmaat gekleurd

De oorzaak van de late kleuring ligt in de hoge temperaturen van afgelopen september en oktober, die tot de top-10 van de warmste najaarsmaanden horen. Ook was er geen nachtvorst te bespeuren waardoor bomen te weinig signalen krijgen dat het tijd wordt om de bladeren te laten vallen. In 2016 waren de bomen eind oktober nog groener dan nu, maar nu zit er nog meer blad aan de bomen vergeleken met vijf jaar geleden. En dat heeft weer gevolgen voor de concentratie van CO2 in de lucht. Normaal neemt het aandeel CO2 in de lucht in deze periode toe omdat bomen zonder bladeren dat niet meer opnemen. Nu nemen de bladeren dat nog op en hebben we een lagere concentratie dan gewoonlijk om deze tijd. Per saldo maakt het op de lange termijn niet zo veel uit, want als de bladeren straks vallen dan worden ze verteerd in de bodem en komt de opgeslagen CO2 alsnog vrij. 
Als bomen langer hun bladeren vasthouden heeft dat ook weer gevolgen voor de directe omgeving van de boom: er komt nu minder zonlicht op de bodem, bodemdieren moeten 'wachten' om het blad te gaan verteren en de boom verdampt meer water. Lijsterbessen en beuken kunnen daar minder goed tegen. Dus als deze warme najaarstemperaturen blijven voorkomen zullen bepaalde bomen het slechter gaan doen, ten gunste van meer zuidelijke soorten zoals de plataan of de walnoot. 
Tijdens onze wandelingen konden we trouwens vaststellen dat de walnoot het dit jaar goed gedaan heeft, in vele bermen konden we noten oogsten, een mooi en lekker aandenken aan ons tripje. De laatste ochtend hadden we uiteindelijk mooi weer. De wandeling, die vanuit Epen naar gehuchtjes in het heuvelland voerde heb ik op film vastgelegd. Klik hier om dat te bekijken. 




vrijdag 7 mei 2021

Nectar, stuifmeel en een kacheltje

De kersenboomgaarden uit mijn jeugd zijn er na al die jaren nog

Hoewel ik er al 40 jaar niet meer woon, kom ik nog graag terug in Limburg. We wandelen er vaak en één van de redenen daarvoor is dat de paden van mijn jeugd vrijwel onveranderd zijn. Moeiteloos kunnen we routes lopen langs dezelfde boomgaarden en akkers en door dezelfde bossen als vroeger. En de meeste van die paden zijn nog steeds onverhard. Trage wegen noemen ze dat en die zijn van groot ecologisch belang. Ze vormen een stabiele leefgemeenschap voor bepaalde planten en dieren. Van daaruit kunnen die dieren en planten zich verspreiden over de omgeving, daarbij geholpen door de wegen zelf: dieren kunnen de paden volgen of er juist veilig oversteken omdat ze verkeersluw zijn. Daarnaast zijn het ook fijne wegen om te wandelen; zonder voortrazend verkeer. Om die reden hebben we een abonnement op het blad van IVN Limburg; de Natuurgids. Voor 19 Euro per jaar krijgen we acht full colour bladen met daarin per keer twee mooie wandelingen in Limburg (en heel veel natuurinfo). We hebben hebben er al tientallen van gedaan en we zijn nog nooit verkeerd gelopen, dank zij de uitstekende routebeschrijvingen. Ook wandelingen van meer dan tien jaar geleden kun je moeiteloos volgen, omdat de kleine paadjes en oversteekjes door weilanden via de piepende stegelkes (draaihekjes) ongewijzigd zijn gebleven in al deze tijd. Verharde wegen zijn in die routes een uitzondering. 

Bloemen bieden insecten niet
alleen nectar en stuifmeel maar ook warmte

Tussen Neerbeek en Spaubeek stonden veel kersenboomgaarden in bloei. Insecten zoemden om de frêle witte bloemetjes. Bioloog en onderzoeker Casper van der Kooi (ik schreef eerder over zijn onderzoekingen aan de klaproos), doet momenteel onderzoek naar de temperatuur van bloemen. Daaruit blijkt dat bloemen niet alleen nectar en stuifmeel te bieden hebben aan insecten, maar ook warmte. Rond de meeldraden en de stempel (de voortplantingsorganen van de bloem) is het soms wel vijf of zes graden warmer dan de buitentemperatuur. Insecten kunnen zelf hun temperatuur niet regelen en op koude dagen (zoals in onze huidige lente) zitten ze graag in de warmere bloemen om zelf op temperatuur te komen. Als het buiten 10 graden is, is een bloemhart van 15 graden een weldaad om te vertoeven voor zo'n beestje. Daar heeft de plant ook baat bij want doordat het insect langer blijft, zal hij meer stuifmeel opnemen en meenemen naar andere bloemen: zo is de bestuiving ook beter geregeld. Nu heeft de plant geen centrale verwarming tot haar beschikking, dus hoe warmt de bloem op? Daar hebben planten verschillende strategieën voor: sommige bloemen richten zich naar de zon (door aan de schaduwkant iets harder te groeien), sommige bloemen gaan open of juist dicht om op temperatuur te komen. De vorm van de bloemkelk zal ook een rol spelen; daar wordt nog verder onderzoek naar gedaan. Ook gaat Casper nog bekijken hoe bloemen oververhitting voorkomen. 

Deze week zijn er twee filmpjes om te bekijken. Het Limburgse filmpje met kersenbloesem, speenkruid en sleedoorn (klik hier) en een filmpje uit het Weteringpark; in het westen loopt de natuur altijd een beetje achter omdat het er koeler is (klik hier).  




zaterdag 12 september 2020

Weidebeekjuffers: een schitterend schouwspel

Weidebeekjuffer (man)
Jarenlang ging het bergafwaarts met de beekjuffers: schitterende metallic juffers (kleine libellen) in de kleuren staalblauw en mosgroen. Beekjuffers hebben zuurstofrijk water nodig en in de vorige eeuw waren de beken niet schoon genoeg meer om dat te bieden. Ik herinner me hoe de Geleenbeek zich schuimend van de fosfaten een weg zocht langs het Stammenderbos. Inmiddels is er veel verbeterd aan de waterkwaliteit en met name de weidebeekjuffers hebben hun territoria langs beken weer ingenomen. Gelukkig maar, want een fladderende weidebeekjuffer boven het water is een prachtig schouwspel waar ik blij van wordt. Terwijl mijn man een ijsje at bij de naburige ijsboerderij, posteerde ik mijn camera op statief langs de oever van de Geul bij Camerig om de territoriumdrift, de paring en de ei-afzetting van deze wondermooie juffers vast te leggen. De zon scheen warm in mijn nek, maar het was de moeite waard. Voor de mannetjes van de beekjuffers is het hebben van een territorium een absolute noodzaak om zich voort te kunnen planten. Mannetjes zonder territorium hebben een veel lagere kans om een vrouwtje te paaien. Ze investeren daarom enorm veel energie in het verkrijgen en behouden van een territorium. Na de paring begeleidt het mannetje het vrouwtje bij het ei afzetten binnen het territorium. Hierbij verjaagt hij vrijwel alles wat maar een beetje in de buurt komt van het eiafzettende vrouwtje, zelfs grote libellen. 


Vrouwtjes van de weidebeekjuffer zetten eieren af

En dat verdedigen is erg belangrijk, want als het vrouwtje met een volgend mannetje paart, is dat mannetje in staat om het sperma van zijn voorganger te verwijderen met speciale borstels aan zijn lijf. Om de aandacht van vrouwtjes te trekken hebben weidebeekmannetjes op de onderzijde van de achterlijfspunt een wit vlekje. Op het moment dat een vrouwtje dichtbij of in het territorium van het mannetje verschijnt reageert deze daarop door vlak voor het vrouwtje in de lucht de hangen. Daarbij steekt hij het achterlijf omhoog zodat het ‘achterlichtje’ zichtbaar wordt. Het vrouwtje toont haar interesse door achter het mannetje aan te vliegen en in zijn territorium plaats te nemen. Het mannetje blijft fladderend om het vrouwtje vliegen. Een onderdeel van deze dans is het ‘drijfvertoon’ waarbij het mannetje zich op het water laat vallen en zich een stukje laat meedrijven op het water. Gedacht wordt dat hij hiermee zijn dapperheid etaleert, of dat hij hiermee de aandacht wil vestigen op de kwaliteit van zijn territorium. Eieren van beekjuffers ontwikkelen zich namelijk veel beter naarmate de stroomsnelheid hoger is. Door zich een stukje te laten meedrijven kan het vrouwtje de stroomsnelheid inschatten. Dat gedrag heb ik niet kunnen waarnemen. Feit is wel dat ik de paring en ei-afzetting zag gebeuren op een stukje water waar zeker stroming aanwezig was. In het filmpje heb ik ook de biotoop in beeld gebracht: oevervegetatie is van belang als uitkijkpost en bepaalde waterplanten zijn vitaal voor het afzetten van de eitjes. Geniet van de fraaie juffers in het filmpje door hier te klikken


zaterdag 15 augustus 2020

Zomer op de Kunderberg

Esparcette, verwilderd veevoer
Een wandeling door het Limburgse heuvelland is altijd een traktatie, al werkte het weer niet helemaal mee op de maandagochtend dat we over de Kunderberg liepen. De zon liet zich af en toe zien, er vielen wat spatjes regen en het waaide flink. De Kunderberg staat bekend om zijn zeldzame bloemensoorten die goed gedijen op de kalkgraslanden zoals wilde majoraan, duifkruid, knikkende distel en het voor mij nog onbekende esparcette. Dat is een mooie roze vlinderbloemige, die een beetje lijkt op lupine. Maar de esparcette is kleiner dan lupine en de bloemetjes zijn subtiel gestreept. De soort is aangeplant als veevoer en vanuit de akkers verwilderd. Het waaide te hard om veel vlinders te zien, maar hier en daar viel er een enkel exemplaar te ontdekken. In de luwte van een bosrand warmde een boomblauwtje van de tweede generatie zich op. Aan de bovenkant zijn de mannetjes en de vrouwtjes van het boomblauwtje effen lichtblauw, de mannen hebben een brede zwarte vleugelrand. De onderkant is zilvergrijs met zwarte stipjes. De eitjes worden gelegd bij  bloemknoppen. Hierdoor moet de eerste generatie van de boomblauwtjes, die in het voorjaar vliegt, andere waardplanten kiezen dan de zomergeneratie. De meeste planten hebben immers maar een korte bloeiperiode. In het voorjaar zetten ze de eitjes bijvoorbeeld af op hulst. In de zomer gebruiken ze klimop, vlinderstruik en de paarse kattenstaart. Boven het plateau jubelde een veldleeuwerik hoog in de lucht; een geluid dat ik associeer met mijn Limburgse jeugd, toen deze vogels zo gewoon waren dat je ze 's zomers altijd kon horen.
Veldleeuwerik
Foto: wikimedia, By Diliff - Own work, CC BY-SA 3.0
Om vrouwtjes te imponeren stijgen de mannetjes tot wel 100 meter hoogte in de lucht om daar hun vrolijke lied te kwelen. Er schijnt een veldleeuwerik te zijn geweest die maar liefst 56 minuten in de lucht bleef zingen voor hij neerdaalde aan de voeten van zijn begeerde vrouwtje. Of zijn avances effect hebben gehad vermeldt het verhaal niet :). Van de 750.000 broedparen uit mijn jeugd zijn er nog maar 35.000 over, zo'n 5% vergeleken met de jaren zeventig. Verlies van leefgebied is hiervan de grootste oorzaak. We daalden door een holle weg af richting Heerlen en kwamen bij een gebied met akkerbouw, waar de veldleeuweriken nog steeds te horen waren boven de gerstvelden. De wolkenlucht begon er dreigender uit te zien, met de glooiende groene en goudkleurige akkers eronder was het wel een prachtig gezicht. We konden ons brood nog oppeuzelen in de zon, maar die ging daarna al snel schuil achter de wolken. We zaten net in de auto toen de eerste spetters van een flinke regenbui afketsten op de voorruit. Loop de wandeling met ons mee in het filmpje door hier te klikken.


zaterdag 18 mei 2019

Flirtende vlinders hebben geen tijd om te eten

Het bont zandoogje kan overwinteren
als rups of als pop
Een wandeling in de buurt van het Limburgse plaatsje Holset voerde door een relatief jong berkenbos. Berken zijn echte pionierbomen, die kale vlaktes snel koloniseren. De bomen laten veel licht door, waardoor er veel ondergroei is. Dat zijn plekjes waar de hazelmuis en hazelworm zich thuis voelen, maar die soorten zijn verschrikkelijk moeilijk te spotten. In het lichte bos waren bonte zandoogjes aan het flirten. Bonte zandoogjes zien we gelukkig steeds vaker in Nederland. Wat betreft hun overwinteringsgedrag zijn dat best bijzondere vlinders. Zoals de meeste mensen wel weten maken vlinders een volledige gedaantewisseling door: uit het ei komen rupsen, vreetmachines die gedurende dit stadium 20x langer en duizenden keren zwaarder worden vergeleken met het moment dat ze als rups te voorschijn kwamen. Na het popstadium vliegen de vlinders uit. Hoe vlinders overwinteren is per soort genetisch vastgelegd: sommige soorten doen dat als vlinder (zoals de citroenvlinder en de dagpauwoog), andere als ei of als pop. De bonte zandoogjes kunnen flexibel overwinteren: als rups of als pop, dat is zeldzaam in de vlinderwereld. De overwinterende poppen komen eerder uit, omdat ze al een stadium verder zijn, en die bonte zandoogjes kunnen we dan al vroeg in het jaar tegen komen, op zijn vroegst in maart. De mannetjes gaan vervolgens posten op een uitstekende tak of andere plek waar hij goed gezien kan worden door de vrouwtjes. Als er een interessante partner langskomt vliegt het mannetje om het vrouwtje heen en scheidt geurstoffen (feromonen) af. Het vrouwtje kan op basis van de geur en het vlieggedrag zien of het mannetje van 'haar soort' is. Dan kan de paring plaatsvinden. In het filmpje van deze week, zie je dit flirtgedrag.

Geen tijd om te eten
Er is een onderzoeker die gedurende een periode van 8 jaar heeft bijgehouden hoe vlinders de dag doorbrengen. De meeste tijd (30%) vliegen de vlinders, gevolgd door drinken (26%) van nectar, sap van rottend fruit, mest of hars. Territoriaal gedrag (zitten, patrouilleren en vechten met concurrenten) neemt gemiddeld zo'n 20% van hun tijd in beslag, en zitten ook zo'n 19% (bijvoorbeeld om op te warmen). Met flirten en paren brengen ze 4% van hun tijd door, om tenslotte 1% van hun tijd te besteden aan eieren leggen. De tijdbesteding van de verschillende soorten vlinders kan afwijken van deze gemiddelden. Vlinders die er een territorium op na houden zijn daar vaak intensief mee bezig. Zo sterk zelfs dat ze nauwelijks aan eten toekomen. Specifieke gegevens van het bont zandoogje heb ik niet (het onderzoek is gedaan in een tijd dat de bont zandoogjes nog vrij zeldzaam waren), maar andere territoriale vlinders zoals het bruin zandoogje en de argusvlinder besteden zo rond de 50-55% van hun tijd aan territoriaal gedrag. Het bruin zandoogje kan maar een paar procent van de tijd aan voedsel zoeken besteden, de argusvlinder ongeveer 15%. Zulke vlinders hebben een kort leven...

Boompieper
Foto: xulescu_g [CC BY-SA 2.0]

We zagen in het bos tenslotte ook een boompieper, een soort die je echt moet zoeken in het oosten van ons land. Hij zat in een boom op een kapvlakte en steeg op in de lucht om te zingen, om vervolgens weer te landen op een tak. Lees meer over de boompieper op de site van de Vogelbescherming. Hij duikt even op in de film.

E-mailabonnees kunnen hier klikken om het filmpje van deze week te bekijken.


donderdag 9 augustus 2018

Modderhuizen in 'Nederlands Toscane'

Vakwerkhuisje bij Camerig (L)
Onze tweede wandeling in Limburg startte bij zonsopgang in Mechelen. Terwijl we over een holle weg omhoog liepen, scheen het oranje licht door de bomen. Aangekomen bij een weiland met vergezicht, kleurde de lucht perzikroze en ontvouwde zich een on-Nederlands tafereel. De heiige verten van het glooiende landschap deden denken aan Toscane, en dat in eigen land! We hadden dus beslist geen spijt dat de wekker om 5.15 uur had gerinkeld. We liepen door het Schweibergerbos en daalden af naar de Geul via het slaperige dorpje Bissen. Bij de boerderijen hoorden we overal het vrolijke gekwetter van de huiszwaluwtjes, die heel wat nesten bevolkten onder de dakranden. Hun moddernesten zijn bijzonder, want slechts 5% van de vogelsoorten maakt gebruik van modder voor hun onderkomen en maar een klein deel daarvan gebruikt uitsluitend klei. Het is een gemakkelijk materiaal, dat veel verschillende vormen kan aannemen en het geeft goede beschutting. Voorwaarde is wel dat het blijft plakken, want de nesten van de zwaluwtjes worden niet ondersteund en hangen vrij aan muren of daken. Natte modder heeft sterke kleefkracht, en de vogeltjes verbeteren dat materiaal met hun eigen speeksel. Twee dingen kunnen zorgen voor een kink in de kabel: lucht tussen de lagen en te snel opdrogende modder die gaat barsten.
Maar ook daar hebben de zwaluwen een oplossing voor: als ze een nieuwe lading modder aanbrengen trillen ze met hun kop waardoor het vocht wordt verdeeld en de nieuwe modder op en in de drogere oppervlakken wordt aangebracht. En ze pauzeren om te zorgen dat de net verwerkte klei kan drogen en verharden, zodat het geheel niet te zwaar wordt. Het huiszwaluwnest wordt van onderaf opgebouwd met modder die binnen 50 meter van het nest wordt gevonden. Gelukkig waren de nesten al klaar voor de grote droogte begon, want modderplasjes zijn nu zeldzaam. Ongeveer 1500 bolletjes worden één voor één naar de nestplek gebracht in de snavel. Extra stevigheid wordt gecreëerd door stro en paardenharen in de modder te verwerken. De ingang waar je de koppies uit ziet steken is 2,5 centimeter hoog en 6,5 centimeter breed.
In de 'Naturalis Historia' Van Plinius de Oudere (77-79 na Christus) is te lezen: "Volgens de theorie dat de mensen hun eerste ideeën over architectuur van vogels hebben, wordt ons verteld dat Doxius, de uitvinder van de huizen van klei, zijn idee had van de zwaluwen". De Limburgse vakwerkhuizen zijn daar misschien het levende bewijs van. Want vakwerk bestaat uit een houten balkstructuur met een vulling van gevlochten wilgentenen (ook wel takken van eik of hazelaar), die bestreken wordt met een mengsel van stro en leem. De meeste vakwerkhuizen stammen uit de 18e en 19e eeuw, een boerderij uit Epen is zelfs gedateerd in de 15e eeuw. Maar de zwaluwtjes bouwen vast al veel langer zo!

E-mailabonnees kunnen hier klikken om het filmpje te bekijken. Behalve de Toscaans aandoende landschappen, zie je het huiszwaluwnestje, fladderende weidebeekjuffers en koeien in de Geul.




zondag 5 augustus 2018

Over bier en brood in dorstig Limburg

In de heetste week van juli waren we in Limburg om te wandelen. Welgeteld twee keer hebben we dat kunnen doen, daarna werd het zo warm dat we ons heil in andere activiteiten moesten zoeken. Onze eerste wandeling voerde over het Plateau van Crapoel, waarover ik vorig jaar al eens een blog schreef. Toen waren we er in het koele voorjaar. Nu dorstte de natuur naar water en menige bermplant hing er verlept bij. Op de landwegen dwarrelde het stoffijne zand op onder onze voeten.
Gerst - Prof. Dr. Otto Wilhelm Thomé
Flora von Deutschland, Österreich und der Schweiz 1885
De lucht trilde van de hitte boven de gerst die klaar was om geoogst te worden. Delen van de akker waren al gemaaid en in de koelere avondlucht trok de tractor er opnieuw op uit om de klus te klaren. Ik had me nooit zo verdiept in de verschillen tussen de graansoorten die als voedselgewas dienen, maar vroeger snoepte ik wel eens rijpe tarwekorrels. De oorspronkelijke tarwesoorten heten emmertarwe, eenkoorn en spelt. Daaruit veredelde men broodtarwe en harde pastatarwe. Gerst is te herkennen aan de lange pluimen aan de aren. Het wordt vooral gebruikt voor het brouwen van bier en whisky, want deze soort bevat te weinig gluten om een mooi gerezen brood van te maken. Granen hebben er voor gezorgd dat mensen zich in nederzettingen konden gaan vestigen. Aanvankelijk werden de zaden van dit soort grassen verzameld door rondreizende groepen. Dat betekende dat je op het juiste moment op de juiste plaats moest zijn, anders was het graan niet rijp of waren de korrels al uit de aren gesprongen. Het zijn immers zaden die zich moeten verspreiden om elders opnieuw te kiemen. Toen mensen granen gingen verbouwen kon men op één plaats blijven en de oogst controleren en afwachten. Het is overigens nooit vastgesteld hoe de jagers-verzamelaars hebben geleerd dat je deze granen kunt eten, want rauw zijn ze niet gezond. Dat lees ik dus jaren na mijn snoeperijen van de rauwe tarwe :). Oorspronkelijk groeide gerst in Ethiopië en Azië (Tibet, Nepal en China), het gewas kan relatief goed tegen kou en is daarom tegenwoordig tot in Scandinavië te vinden. Zevenduizend jaar geleden werd het voor het eerst gekweekt in het Midden Oosten. Door veredeling selecteerde men op grotere korrels en aren die niet opensprongen, waardoor ze geoogst konden worden. De eerste aanwijzingen dat het gewas werd geteeld in Europa dateren van 2000-3000 voor Christus, er werden resten van gerst gevonden bij paalwoningen in Zwitserland. In de Middeleeuwen bereidde men gerstepap en platte broden, maar inmiddels bereiden de bakkers ons brood dus van tarwemeel.
Er wordt nu in ons land nog zo'n slordige 165 miljoen kilo aan gerst verbouwd als veevoeder en voor de bierindustrie. De wandeling maakte ons dorstig en het bier was welverdiend :).

In het filmpje een verslag van 'een dag op het plateau'. E-mailabonnees kunnen hier klikken om het filmpje te bekijken.


vrijdag 26 mei 2017

Het Limburgs Heuvellandschap - Het plateau van Crapoel en het Gulpdal

In de laatste aflevering van de serie korte filmpjes over Zuid-Limburg staat het plateau van Crapoel centraal. Op bijgaande kaart, ontleend aan Wikimedia, is het plateau met Cr aangegeven. Het plateau wordt begrensd door riviertjes Gulp (Gu) en Geul (Ge). Zoals uit dit kaartje blijkt is het heuvelland in feite een plateau, doorsneden door rivier- en beekdalen. Het grootste plateau is het Plateau van Margraten (M op de kaart), dat tot 140 meter hoog wordt.  Op de plateaus vinden we dorpjes, boomgaarden, hoeves, akkers, tuinbouwgrond en weilanden. Dat kun je in mijn filmpje zien. De randen van de plateaus zijn steile hellingen. Omdat ze minder makkelijk te bewerken zijn, zijn die vaak nog bebost. Rivieren zoals de Maas en beken zoals de eerder genoemde Geul en Gulp, maar ook de Geleenbeek die ik in eerder blog liet zien, hebben gedurende vele jaren diepe dalen uitgesneden in dit landschap. De beken slingeren door grasland met wilgen en populieren. In de dalwanden zijn twee opvallende landschapselementen te zien: grubben en graften. Grubben (ook wel holle wegen genoemd) zijn diep ingesleten paden die zijn ontstaan in de zachte ondergrond door eeuwenlang gebruik. Graften zijn terrasachtige hellingen die gevormd zijn door vroegere landbouwmethoden, waarbij de hogere gronden gebruikt werden om de lagere delen op te hogen. Daarnaast droeg erosie ook een steentje bij. Al met al maken al deze landschapselementen een wandeling heel afwisselend. En al dat stijgen en dalen is een goede training voor de kuiten :). Een dier dat dankbaar gebruik maakt van dit landschap is de das. Overal vonden we sporen in de vorm van wissels (looppaadjes), prenten (pootafdrukken), haar dat aan prikkeldraad was blijven hangen en burchten (de holen waarin de dassen wonen).
Die burchten kunnen eeuwenoud zijn, want ze worden van generatie op generatie gebruikt en telkens uitgebreid. De ingang van zo'n burcht is breder dan hoog. Vossenholen zijn hoger dan breed. Denk aan de vorm van een dassen- en vossenlichaam en je begrijpt waarom dat zo is. Op bijgaande foto van John Campbell (Wikimedia) zie je beide dieren naast elkaar. In het filmpje kun je een ingang van zo'n dassenburcht zien.  



vrijdag 14 april 2017

Sjweikeser Rèngelaote

Het zou afgelopen zondag 24 graden worden, maar daar was in alle vroegte nog niet veel van te merken. De thermometer wees 6 graden aan. Vogels zongen uitbundig en op het gras en de frisgroene blaadjes parelde de dauw. Op spinnenwebben glansden de waterbolletjes als diamanten aan een snoer. Ik was op pad in Sweikhuizen, Zuid Limburg. Een dorpje met nog geen 300 huizen, al waren dat er ooit maar twee, zoals de naam doet vermoeden. Die is namelijk afgeleid van Zweihuizen. De wilgen langs het water hadden bladrozetjes als roosjes, de witte abeelblaadjes leken wel van zilver. Even verderop zag ik het frisgroene meidoornblad mooi afsteken tegen het blauwe water van de Geleenbeek. Esdoornknoppen liepen uit en ontvouwden hun blad. Tegen de steile helling stonden de fruitbomen in volle bloei. Ooit was Sweikhuizen bekend wegens de kweek van een pruimensoort, de groene reine claude ofwel de 'Sjweikeser Rèngelaot' in het lokale dialect.
Van 1820 tot de jaren zestig van de vorige eeuw werden in Sweikhuizen de sappigste pruimen van de streek geteeld. Door ruilverkaveling en verminderde belangstelling voor de fruitteelt ten gunste van de landbouw, raakte de pruimenteelt in verval. Er waren nog maar enkele tientallen bomen over toen vrijwilligers actie ondernamen. In 2000 plantten ze zo'n 100 scheuten van deze pruimenbomen in hun achtertuinen. Met hulp van de gemeente en Natuurmonumenten worden de hellingen inmiddels weer beplant met deze lokale boomsoort. De wit bebloesemde boomtjes staan verspreid in het gras en als ik richting het dorpje kijk, zie ik tussen de andere bomen overal bloesem. Prachtige weitjes met pinksterbloemen, bomen met allerlei schakeringen groen, ik heb het allemaal vastgelegd in dit filmpje.


Op de site van de stichting Stichting Sjweikeser Rèngelaot vind je meer informatie over de lokale pruim. Je kunt er ook een mooie wandelroute downloaden (kijk bij het Ommetje), van een kleine 7 km langs de boomgaarden, het dorpje Sweikhuizen en de Geleenbeek.


dinsdag 16 augustus 2016

Etende bever

Hoewel hun (vraat)sporen niet te missen zijn krijgen we bevers door hun nachtelijke levenswijze zelden te zien. In de zomermaanden hebben de bevers niet genoeg aan de donkere uren om hun kostje bij elkaar te scharrelen. Je kunt ze dan met een beetje mazzel ook in de schemering aantreffen. We hadden ze al eens zien zwemmen in Zweden en Estland, maar in Nederland hadden we de bevers nog niet waargenomen. Afgelopen week hebben we enkele avonden gepost in het Joamerdal (bij Venlo) en daar zagen we de bever (filmpje), half verscholen onder een wilg knagen aan de takken. Met zijn lengte van 1 meter plus nog eens 30 cm staart en een gewicht tussen de 20 en 30 kilo is de bever het grootste knaagdier van Europa. Bevers eten uitsluitend plantaardig voedsel. Dat is voornamelijk bast en twijgen van bomen en struiken en soms wortels van riet, brandnetel, gele plomp en gele lis. In de zomer wordt er ook groenvoer gegeten in de vorm van smeerwortel, fluitenkruid, gewone berenklauw en dergelijke. Uit analyses van de maaginhoud van bevers blijkt dat zij wel 100 verschillende plantensoorten eten. Bevers knagen een beetje aan de planten om de smakelijkheid en voedzaamheid ervan te beoordelen, als het bevalt en de plant of boom niet te veel anti-vraatstoffen heeft dan eet de bever er meer van. Esdoorns hebben bijvoorbeeld veel anti-vraatstoffen, die het opnemen van eiwitten door de bever moeilijker maakt. Esdoorns staan wel op het menu, maar de bever eet er niet te veel van.
Beverliefhebber Willy de Koning besteedt een groot deel van haar vrije tijd aan het observeren van de bever in Nederland. Zij doet daarvan verslag op haar blog, dus neem daar een kijkje als je meer wilt weten over de bever.