zaterdag 19 september 2026

Waarom hebben loofbomen zoveel verschillende bladvormen?


Een slinger met verschillende bladvormen

Nu sommige bladeren beginnen te verkleuren komen ze wat meer in de belangstelling te staan en zo vroeg ik me af waarom loofbomen zoveel verschillende bladvormen hebben. Het lijkt me niks van doen te hebben met herkenning, want bomen kunnen niet op stap gaan om een collega-eik of beuk te zoeken. Maar helemaal toevallig zal het niet zijn, want vrijwel alles in de natuur heeft een functie. Zo blijkt dat ook te zijn voor het boomloof: de bladeren hebben zich door evolutie aangepast aan hun specifieke leefomgeving en omstandigheden. 

De belangrijkste redenen voor de verschillende bladvormen hebben te maken met vijf aspecten: licht, temperatuur, water, vraat en wind.

Elke boomsoort zijn eigen bladvorm

Brede bladeren vangen veel zonlicht op en vergemakkelijken daarmee de fotosynthese, waarmee voedsel gemaakt wordt door de boom. Maar grote bladeren kunnen daardoor ook snel warm worden in de zon. Inkepingen in het blad zorgen dat er wind over het blad kan waaien zodat de boom toch koel blijft. Een ander nadeel van een groot blad is dat er veel water verdampt via de bladeren. Op droge of winderige plaatsen zul je dus eerder bomen of struiken met kleine of smalle bladeren vinden. Vreemde vormen, stekelige randen en harde structuren maken het voor rupsen en andere insecten lastiger om het blad op te peuzelen. In koude en winderige gebieden hebben veel boomsoorten diep ingesneden bladeren. Die inkepingen laten wind en sneeuw passeren zodat de boomtakken niet afbreken. 

Brede bladeren hebben voor- en nadelen

De esdoorn (in het midden op de tekening met de vijf bladeren) heeft een vrij specifieke bladvorm met zijn puntige bladeren en diepe inkepingen. Dat zijn twee heel bepalende factoren voor de esdoorn. De diepe inkepingen zorgen er voor dat de wind makkelijk langs het blad kan waaien om de grote bladeren te koelen en om te voorkomen dat de boom zoveel wind vangt dat takken afbreken. Het is ook een besparing van energie en voedingsstoffen voor de boom, want in de inkepingen hoeft de boom geen bladweefsel aan te maken. 
Door de uitstekende punten blijft er toch een flink oppervlak over om zonlicht op te vangen voor fotosynthese. Langs de inkepingen valt er ook op bladeren die lager aan de boom zitten nog voldoende zonlicht om te overleven, dat dan weer opgevangen wordt door de punten :). Zo is de cirkel rond.

Esdoornbladeren met punten en inkepingen

De lijsterbes heeft een totaal andere bladvorm: samengestelde bladeren, die bestaan uit meerdere kleine deelblaadjes aan één steel. Ook deze specifieke bladvorm biedt de boom een aantal slimme biologische voordelen.

In plaats van veel energie te steken in het maken van zware, houten zijtakken, gebruikt de lijsterbes de bladsteel als tijdelijke tak. In de herfst laat de boom de hele steel vallen. De lijsterbes groeit vaak op open plekken, bosranden en in schrale omstandigheden waar het hard kan waaien. De openingen tussen de kleine deelblaadjes laten de wind er gemakkelijk doorheen waaien. Hierdoor scheuren de bladeren niet en vangt de boom minder wind. De kleine blaadjes kunnen flexibel meebewegen met het licht. Omdat ze zo fijn van structuur zijn, koelen ze door de wind ook heel snel af. Dit voorkomt dat de bladeren verbranden als ze in de volle zon staan. Door de fijne structuur en de puntige vorm van de deelblaadjes blijft regenwater er niet lang op liggen. Dit verkleint de kans op schimmels en ziektes.

Lijsterbes met samengestelde bladeren

Met deze kennis in je achterhoofd kun je eens letten op de bladvorm en hoe deze past bij de standplaats van de boom. Dat is vooral interessant bij bomen die op een natuurlijke manier op hun plek terecht zijn gekomen. Maar ook bij de bomen die je in een stadspark tegenkomt kun je deze informatie gebruiken. Die parkbomen zijn daar vaak min of meer willekeurig aangeplant om voor een gevarieerde begroeiing te zorgen. Als je let op de leefomstandigheden in het park, kun je dan zien welke bomen daar thuishoren en welke bomen eigenlijk ergens anders zouden moeten staan? 

Als uitsmijter nog een laatste plant, die wel hoog kan worden maar geen stam heeft: de wilde wingerd is een klimplant met een handvormig samengesteld blad. De bladvorm van deze plant is volledig aangepast aan oppervlakken zoals muren, bomen en schuttingen. Omdat de wilde wingerd verticaal omhoog groeit, moeten de bladeren plat tegen de muur of boomstam liggen. De bladvorm zorgt ervoor dat de bladeren als mozaïek perfect langs en over elkaar heen vallen. Hierdoor vangen ze vrijwel elk straaltje zonlicht op zonder elkaar te veel in de schaduw te zetten. De bladeren vormen samen een dicht, gelaagd groen scherm (en in de herfst prachtige rode, roze of oranje kleuren!). In de zomer houdt deze bladerdichtheid de felle zon tegen, wat de boom of muur erachter koel houdt. 

Wilde wingerd

De openingen tussen de deelblaadjes zorgen er tegelijkertijd voor dat de wind warmte en vocht efficiënt kan afvoeren, zodat de plant zelf niet oververhit raakt op een hete stenen muur. Voor een klimplant die afhankelijk is van kleine zuignapjes of hechtstengels om overeind te blijven, is gewicht en wind een grote vijand. Door het blad op te delen in losse blaadjes, kan de wind er makkelijker doorheen waaien. Dit voorkomt dat stormen de hele plant van de muur lostrekken. 
De deelblaadjes hebben scherpe, gezaagde randen en lopen uit in een fijne punt. Dit werkt als een natuurlijk afvoergootje. De bladeren worden niet te zwaar door regenwater en het verkleint de kans op schimmelvorming als de bladeren op elkaar liggen. 

Machtig mooi hoe deze aanpassingen allemaal zijn ontstaan. Voor je eigen veldonderzoek geef ik je mijn ezelsbruggetje mee: LIWIWATEM (licht, wind, water, temperatuur). Dat zijn de dingen waar je op moet letten als je de herfstbladeren vanaf nu - hopelijk met extra interesse - bekijkt!




maandag 14 september 2026

Hoe gaat het met de huismussen in Nederland?

Met de titel bedoel ik vogels en niet de mensen die met een kop chocolademelk wegzakken in een gemakkelijke stoel nu de herfst nadert :). In 2016 schreef ik een Ode aan de mus, de tsjilpers die mij in groepen opvrolijken op donkere dagen. Kort geleden zat er nog eens een kluitje jonge mussen in onze tuin. Superleuk, maar ik had die mussen ook lange tijd gemist. Ik vroeg me af hoe het eigenlijk gaat met de huismussen in ons land. 

Jonge mussen in de avondzon in onze tuin

Sinds twee jaar doe ik in mijn wijk de MUS-telling van Sovon. Dat MUS staat voor Meetnet Urbane Soorten, dus het slaat niet direct op de mus als vogel. Maar binnen zo'n MUS-telling kun je wel mussen tellen, als je begrijpt wat ik bedoel... In de lente moet ik op twaalf door de computer aangewezen vaste punten in mijn postcodegebied alle vogels tellen. Op ieder punt precies vijf minuten; dat wordt getimed in een handige app waar ik ook de soorten en aantallen kan invoeren. Ik moet dit in totaal drie keer per voorjaar doen, twee keer in de vroege ochtend en één keer 's avonds. Het tijdbeslag valt dus mee, en als je de stadsvogels en hun geluiden een beetje kent is het prima te doen. Heb je zin om mee te doen, kijk dan even op de Sovonsite via bovengenoemde link of jouw postcodegebied nog een teller nodig heeft. 

Afijn, ik besloot eens te kijken hoeveel mussen ik geteld heb in mijn wijk tijdens die tellingen. Globaal herinner ik me dat ik huismussen erg weinig tegenkwam en slechts bij twee van de twaalf telpunten.

Weinig mussen tijdens de MUS-tellingen

In 2025 heb ik tijdens drie metingen totaal 9 huismussen geteld (respectievelijk 0, 6 en 3 in de verschillende tellingen), in 2026 telde ik er 8 (respectievelijk 1, 7 en 0). In onze tuin zagen we eind augustus op één avond 20 mussen, die gezellig in de klimroos zaten te zonnen en te poetsen. Dat is dus meer dan het totaal van die zes tellingen in twee jaar! 

Een deel van die twintig mussen in de klimroos

Sovon gebruikt de gegevens van alle MUS-tellers onder andere om trendgegevens te achterhalen: gaan vogelsoorten in aantal en verspreiding vooruit of achteruit. 2024 was het jaar van de huismus en daarvoor heeft Sovon in 2023 een voorstudie gepubliceerd. Daaraan heb ik dus nog geen steentje bijgedragen, want toen was ik nog niet gestart met tellen. Maar het kan mijn wijkcijfers wel in perspectief plaatsen. Gaat het overal zo slecht met de huismus?

In de samenvatting van het rapport lees ik meteen het goede en het slechte nieuws:
"De Huismus (Passer domesticus) is met een landelijke broedpopulatie van naar schatting 600.000 tot 1 miljoen paren een van de talrijkste broedvogels in Nederland en komt in bijna het hele land voor. Toch is de Huismus sinds 1980 met meer dan 60% afgenomen. Ook op Europees niveau is in de periode 1980-2021 de broedpopulatie van de Huismus met 64% afgenomen" (Reinartz R., Roodbergen M., Alefs P., Schoppers J., Wortel M. 2023. Voorstudie Jaar van de Huismus. Sovon-rapport 2023/74. Sovon Vogelonderzoek Nederland, Nijmegen)

De mus is de meest voorkomende broedvogel in Nederland, maar verderop in het rapport lees ik dat dit ook komt omdat de merelaantallen sterk achteruit zijn gegaan door besmettingen met het usutuvirus. Dus de mus ging niet vooruit, maar de merel als voormalige nummer 1 ging achteruit, en zo schoof de mus een plaatsje op in de rangorde. 

Als ik kijk naar de trends per provincie dan komt mijn provincie Zuid-Holland er niet goed af, het aantal mussen is hier op de lange termijn afgenomen. Het goede nieuws is dat er een stijging te zien is in Drenthe en Noord-Holland. Voor de korte termijn is de mussenpopulatie in de meeste provincies stabiel.


Maar hoe kunnen we de trend keren en zorgen voor meer mussen? Dan moeten we eerst kijken naar de oorzaken van de afname. Minder groen in de steden leidt tot minder voedsel en minder schuilmogelijkheden. Onze huizen worden 'dichtgespijkerd' om te isoleren en hiermee verdwijnt er nestgelegenheid voor de musjes, die het liefst broeden in gaten en holen onder dakpannen. Pesticidegebruik in achtertuinen betekent dat de musjes vergiftigd worden als ze plantenzaden eten of insecten verschalken die stuifmeel en nectar van bespoten planten hebben opgepikt. 
Sperwers en huiskatten pakken regelmatig een huismusje en dat doet ook geen goed. Tenslotte zijn er meer parasieten en ziekteverwekkers waar de musjes onder lijden.

Op het platteland zijn er ook verschillende redenen waarom de mussen minder te eten hebben: de omschakeling van graan naar maïs, het verlies van stoppelvelden, het gebruik van herbiciden en efficiënter oogsten. Dat leidt deels tot minder verspilling, maar de mussen kunnen geen 'graantje meer meepikken'. 

Poetsende mus in mijn onbespoten tuin vol met zaden
van planten en aangewaaid 'onkruid'

Wat kun je zelf doen om mussen te helpen? 

Zorg voor een groene tuin, met weinig verharding. Plant zoveel mogelijk onbespoten inheemse planten die zaden produceren voor de mussen. In het voorjaar hebben mussen insecten nodig voor hun jongen. Die inheemse planten bloeien dan en trekken insecten aan voor de bestuiving. Primadeluxe voor de mussen dus. 
Geef de paardenbloemen in je gazon een kans, mussen zijn dol op de zaden! Een open plekje met zanderige bodem is ideaal voor een mussenzandbad. Hiermee kunnen ze parasieten te lijf gaan en letterlijk van zich afschudden. En heb je een kat? Bind die dan een belletje aan zodat de musjes tijdig gealarmeerd worden en kunnen vluchten.

Om het gebrek aan nestgelegenheid op te lossen kun je mussenkasten ophangen. Mussen zijn koloniebroeders, dus mussenkasten combineren meerdere 'woningen'. Ik heb er één met drie kastjes-in-een. Daar broedt meestal één koolmezenpaartje in. Een paar straten van ons huis zijn namelijk woningen waar de mussen onder de dakpannen kunnen broeden. Dat vinden ze nog net een stukje fijner. 

Kijk zo voor de winter nog eens kritisch naar je tuin. Het is nu een goed moment om nieuwe bloemen en struiken te planten. Hopelijk heb je met een paar aanpassingen volgend jaar ook twintig mussen in je tuin. En woon je in mijn postcodegebied, dan ga ik volgend jaar jouw mussen meetellen!

vrijdag 11 september 2026

De sterke vezels van de brandnetel

Na een maaibeurt groeien de brandnetels al weer

Ik slenterde mijn middagwandelingetje in het park, vergezeld door een mild septemberzonnetje en dito briesje. Het viel me op hoe snel de brandnetels weer waren opgekomen na de maaibeurt in juli. De planten stonden op het punt om te gaan bloeien. Als je in detail wilt weten hoe dat er uit ziet, klik dan vooral op de link hierboven, want ik heb de plant vorig jaar onder het binoculair gelegd. Dan kun je ook die 'naalden' goed zien, die het jeukende stofje in je huid prikken. 

Brandnetel in de knop

Thuis gekomen zocht ik nog eens wat informatie op over de brandnetel, want er is altijd iets nieuws te leren over de natuur. Zo las ik op de site van het Hunebedcentrum dat brandnetels al sinds de prehistorie door mensen gebruikt worden. Het waren feitelijk de eerste Tupperwaredoosjes, want door boter, vlees en vis in brandnetelbladeren te wikkelen, werd de bacteriegroei geremd. Hierdoor was het eten langer houdbaar. Brandnetels zijn ook al duizenden jaren populair als geneesmiddel. Het zijn vitaminebommetjes en bevatten tal van andere stoffen: flavonoiden, vetten, koolhydraten, magnesium, kalium, ijzer, kiezelzuur, eiwitten en vitamines A, C, E. In de zaden zit ongeveer 30 % vette olie, slijmstoffen, carotenoiden en veel vitamine E. Op bovengenoemde site kun je via de link lezen waar deze plant allemaal goed voor is. 

We maken in het voorjaar vaak soep van de brandneteltopjes om te profiteren van de vele vitaminen in de plant. We (nou, voornamelijk mijn man hahaha) plukken met handschoenen op een plek waar geen honden komen. Daarna moet je de oogst uitschudden en goed wassen, even wokken en vervolgens bouillon erbij. Kook het nog even een paar minuutjes door en maak er met de staafmixer een gladde soep van. Het is een heerlijk hartig gerecht, dat zich ook goed laat invriezen voor de winter. Naarmate de planten groeien komt er meer kiezelzuur in, dan kun je de brandnetels beter niet meer gebruiken om te eten. 

Brandnetelveldje

In tijden dat er door mensen nog geen planten werden verbouwd om kleding van te maken (zoals vlas of katoen), was de brandnetel ook een uitkomst. De vezels van brandnetel werden zo'n 3000-4000 jaar geleden (in de Bronstijd) al gebruikt om kleding te maken. Voor textiel is de grote brandnetel het meest geschikt door de langere vezels. Brandnetel kan op dezelfde manier als vlas tot touw of stof worden verwerkt. De stof van brandnetels wordt neteldoek genoemd. 

Ik was benieuwd hoe dit in zijn werk ging. Op diverse sites en ook op YouTube kun je informatie en filmpjes vinden hoe je de vezels van brandnetels kunt isoleren van de harde kern en er vervolgens touw van kun draaien (dit heet twijnen). Ik besloot dat zelf eens te proberen en begaf me naar een brandnetelveldje in het park. Je hebt zo lang mogelijke stengels nodig, want hoe langer de vezel, hoe mooier je touw. De die-hards plukken brandnetel met blote handen (er zijn trucjes om minder last te hebben van de brandharen), maar ik ging op pad met dikke tuinhandschoenen en een snoeischaar. Ik ritste ter plekke de bladeren van de netels al, zodat ik met de kale stengels thuiskwam.

Kale brandnetelstengels

Die stengels zijn vrij stug door de harde binnenwand, rond een holle kern. De truc is nu dat dit harde gedeelte moet worden gescheiden van de vezels aan de buitenkant. Daarbij zitten de 'knopen' (de verdikkingen die je ziet op de foto) in de weg. Die moet je met een mesje opensnijden of kneuzen met een steen. Dat was al een klusje dat oefening nodig had. Uiteindelijk kon ik gaan proberen om de vezels los te krijgen. Maar ook daar zal de Bronstijdmens meer routine in hebben gehad dan ik, want ik trok de vezels in korte reepjes er vanaf in plaats van de hele lengte.

Maar goed: dit was de oogst van 4 stengels.

Vezels van de brandnetel

Voor een goed en stevig touw moet je de vezels enkele dagen te drogen hangen. Ik besloot het twijnen uit te proberen met de nog natte vezels om het aan jullie te laten zien in dit blogje. Je moet de vezels tegen elkaar indraaien en zo ontstaat er een verbazingwekkend sterk stukje touw, dat ik tot een armbandje maakte. 

Brandnetelarmbandje


Maar misschien zijn er leukere en natuurlijker toepassingen, bijvoorbeeld als opbindtouw voor planten in je tuin. Een mooie manier om van brandnetels af te komen op een minder gewenste plek (maar laat er een paar staan voor de vlinders). 

Op een brandneteltopje had ik een libel zien zonnen; die had vast geen weet van vezels en touw uit de Bronstijd. En als-ie het wel wist, dan was het misschien een beetje beneden zijn stand: de Bronstijd - het zal wat. Zijn voorouders leefden 300 miljoen jaar geleden al. Dat is nog eens andere koek!

Heidelibel op brandnetel

PS ik hoop dat de foto's in deze blog zichtbaar zijn, want er was een storing bij het uploaden van foto's. Ik heb het nu op een andere manier dan normaal moeten doen, maar weet niet of het bij iedereen op deze manier goed aankomt.




 

woensdag 9 september 2026

Onze jaarlijkse portie heide

Hier in het westen van Nederland zijn de heidegebieden dun gezaaid. Toch proberen we elk jaar in augustus een mooie wandeling of fietstocht door een heideveld te maken, zoals je in deze blogjes kunt lezen. Eind vorige maand waren we een paar dagen in Noord-Brabant. We vroegen ons af of de heide zou bloeien na die enorm droge zomer. Dat bleek gelukkig wel het geval. In natuurgebied de Kampina konden we genieten van de paarse kleur en de weeïg zoete geur van de nectar die opsteeg uit die duizenden bloemetjes. Omdat het fris was en de zon vaak verstek liet gaan hoorden we helaas niet het gezoem van de vele insecten dat voor mij bij zo'n heidetocht hoort.

Heideveld natuurgebied Kampina

Toch hebben de heidevelden het wel degelijk zwaar door de hete en droge zomer. Op de site van Staatsbosbeheer las ik dat je nu drie kleuren heideplanten kunt zien. Allereerst de paars bloeiende gezonde planten die de droogte hebben overleefd. Daarnaast zijn er oranje struikjes; dit zijn planten die dit jaar het loodje hebben gelegd omdat ze te weinig water hadden. Dan zijn er nog grijs gekleurde struikjes. Die plantjes zijn al langer afgestorven, door eerdere droogte of plagen zoals het heidehaantje (een keversoort). 
Op onderstaande panoramafoto kun je de verschillende soorten zien: de oranje plantjes staan tussen de paarse en midden onder zie je een grijs struikje. Klik op de foto om 'm wat groter te bekijken.

Drie kleuren heidestruikjes

Op bovenstaande foto lijkt het allemaal mee te vallen, maar niet elk heideveldje had nog zoveel gezonde planten. Er waren ook delen waar de oranje struikjes overheersten. 

Staatbosbeheer legt uit dat twee aspecten bepalend zijn voor de overlevingskansen van de heideplantjes: de leeftijd van het struikje en de bodem. 
Oudere heideplanten hebben vaak betere overlevingskansen dan de jonge eerste of tweedejaars planten. Dit komt doordat oude planten dieper wortelen, waardoor ze net bij dat beetje extra water kunnen dat dieper in de bodem zit. De wortels van jonge heideplantjes zitten nog aan de oppervlakte en die drogen daardoor veel sneller uit.

Ook de samenstelling van de bodem is cruciaal. Op plaatsen waar de grond nog een beetje leem bevat, blijft de bodem net iets vochtiger en zie je nu weinig sterfte en veel bloei. Plekken met een grove bodemsoort houden minder goed water vast, wat fataal is voor de heide tijdens een (zeer) droge periode. Dit verschil kan heel lokaal zijn; de bodemomstandigheden kunnen binnen honderd meter enorm verschillen. Zo kan het ene heideveld prachtig paars kleuren, terwijl het veldje ernaast volledig oranje is geworden.

Te jonge plantjes of te droge bodem?
Hier hebben veel heideplantjes het te zwaar gehad

Augustus is de maand waarin de heidebloei op zijn hoogtepunt is, maar waarschijnlijk is er nu ook nog het een en ander te zien. Wil je de staat van de heide met eigen ogen bekijken dan heb je misschien iets aan deze heidewandeltips

Ik hoop dat je veel paarse heide ziet, en niet te veel oranje en grijs tegenkomt op je tocht!

Gezonde struikheide



woensdag 2 september 2026

Ik word gek van die Blauwtjes!

Icarusblauwtje (man)

Blauwtjes zijn supermooie vlinders, ze lijken met hun blauwe kleur een stukje hemel op aarde te brengen. MAAR.... wat zijn ze moeilijk uit elkaar te houden. In de Veldgids Dagvlinders (KNNV) zijn maar liefst 60 pagina's gewijd aan deze vlinderfamilie. In de introductie van deze soort staat beschreven: "Er zijn grofweg twee groepen blauwtjes: die met mannetjes met een blauwe bovenkant en die met mannetjes met een bruine of zwarte bovenkant. Voor de 'blauwe blauwtjes' is de tint van de vleugels vooral voor geoefende waarnemers een goed hulpmiddel om de soortnaam te bepalen. Bij de 'bruine blauwtjes' moet het vlekkenpatroon op de onderkant van de vleugels gebruikt worden om de vlinder op naam te brengen'. 

Nou ja, dan krijg ik al vlekken voor mijn ogen, alsof die beestjes rustig gaan poseren om jou die kleur of vlekjes eens rustig te laten bestuderen! En dan zijn de vrouwtjesblauwtjes nog vaak bruin ook.... Ik heb alle soorten blauwtjes uit de veldgids op een rij gezet. Als ze in Nederland voorkomen heb ik er een (N) achter gezet. Veel blauwtjes zijn doortrekker, dwaalgast of zeldzaam/bedreigd in geïsoleerde populaties, vaak ik het zuidelijkste puntje van Limburg of in delen van Brabant en Drenthe. Als ze algemeen voorkomen in ons land heb ik de naam vetgedrukt.

Welke blauwtjes zijn er? Tijgerblauwtje (N), Klein tijgerblauwtje, Geraniumblauwtje (N), Dwergblauwtje (N), Staartblauwtje (N), Boomblauwtje (N), Klein tijmblauwtje, Vetkruidblauwtje, Bloemenblauwtje, Tijmblauwtje, Pimpernelblauwtje (N), Donker pimpernelblauwtje (N), Gentiaanblauwtje (N), Berggentiaanblauwtje, Veenbesblauwtje (N), Kroonkruidblauwtje, Heideblauwtje (N), Vals heideblauwtje, Vals bruin blauwtje, Bruin blauwtje (N), Klaverblauwtje (N), Turkooisblauwtje, Wikkeblauwtje, Icarusblauwtje (N), Esparcetteblauwtje, Getand blauwtje, Adonisblauwtje, Bleek blauwtje (N), Witstreepblauwtje, Zwart blauwtje.

Om blauwtjes op naam te brengen moet je vlekjes bestuderen!
Ik heb op basis van een foto de vlekjes van een
Icarusblauwtje zou nauwkeurig mogelijk nageschilderd

Van de dertig blauwtjes zijn er dus eigenlijk maar twee in het hele land te zien. Dat maakt de stress al weer wat minder, want die twee soorten kun je vrij makkelijk uit elkaar houden. 

Op de zilvergrijze onderkant van de vleugels van het boomblauwtje staan kleine zwarte stipjes. De bovenkant van de vleugels is blauw, zowel bij de mannetjes als de vrouwtjes, maar de vrouwtjes hebben een vrij brede zwarte rand aan de buitenrand. Dat is meestal moeilijk waar te nemen, want in rust zie ik ze zelden met opengeklapte vleugels. 

Boomblauwtje

Dat ziet er aanzienlijk anders uit dan de oranje en witgerande zwarte stippen van het icarusblauwtje (op de tekening hierboven en de foto hieronder). 

Icarusvlinder

De mannetjes hebben die mooie hemelsblauwe kleur (eerste foto in dit blog). Vrouwtjes zijn bruin, soms met een blauwe vleug, maar niet altijd.

Icarusvrouwtje met blauwe vleug

En dan begint het gedonder, want hoe onderscheid je een icarusvrouwtje van een bruin blauwtje (man en vrouw daarvan zijn allebei bruin - het vrouwtje is iets lichter)? Bij het bruine blauwtje lopen de oranje stipjes op de bovenkant van de vleugels helemaal door tot aan de top (dat is niet het geval bij het icarusvrouwtje, vergelijk de foto's maar eens). 

Bruin blauwtje

Ook aan de onderzijde is er verschil in het stippenpatroon. Dat is echt priegelwerk om naar te kijken: je moet hierbij focussen op de eerste drie zwarte stippen op de ondervleugel. Daarvan staan er twee schuin boven elkaar en rechts daarvan (op enige afstand) nog een stip. Dat is de zogenaamde hockeystick-vorm. Als je de drie stippen van het icarusblauwtje bekijkt staan deze volledig horizontaal en op gelijke afstand van elkaar. Ik neem aan dat je inmiddels de titel van mijn blog he-le-maal begrijpt!

Bruin blauwtje onderzijde

Bruine blauwtjes vliegen in ons land in Zuid-Limburg en langs de grote rivieren. Hier kun je ook heideblauwtjes vinden, die overigens ook rondfladderen op de heidevelden in het Noorden van ons land. Om deze te spotten zijn we een keer voor dag en dauw ons hotel uitgegaan naar de Delleboersterheide (Friesland). We hebben daar alle pijpenstrootjes en andere plantjes langs het pad afgezocht in de hoop een heideblauwtje te vinden dat nog moest opwarmen. Dan blijven ze nog even lekker stilzitten namelijk en zijn ze beter te fotograferen. En onze inspanning werd beloond....!

Heideblauwtje

Als volleerde blauwtjesherkenner (hahaha) let je nu op de hockeystick (geen!), drie stipjes op regelmatige afstand (niet!), dus dit is in ieder geval geen icarus- of bruin blauwtje. Onderscheidend voor het heideblauwtje zijn de grote ronde stippen en de tekening langs de rand die groter en duidelijker pijlvormig is dan bij de eerder genoemde soorten. De bovenzijde van de vleugels van het mannetje zijn helderblauw met een brede zwarte rand en witte 'franjes', vrouwtjes zijn bruingekleurd met eveneens bruine franje. 

Heidevlinder man

Als je nu nog aan het lezen bent, dan ben je een echte doorzetter. Dus ik bespreek nog even een paar zeldzamere soorten blauwtjes, speciaal voor de 'die-hards'. Jaren geleden waren we een paar dagen bij de Meinweg in midden-Limburg. Toen ons tripje erop zat besloten we langs Posterholt te rijden, waar een van de laatste populaties van het donker pimpernelblauwtje te vinden was. Hier geen gezeur over oranje stippen want dit blauwtje is te herkennen aan de kaneelkleurige onderkant van de vleugels met een rijtje kleine zwarte stipjes. De mannetjes zijn aan de bovenkant bruin met blauwe bestuiving, de vrouwtjes bruin.

Donker pimpernelblauwtje

Het is een kieskeurig vlindertje en voor de voortplanting zijn twee factoren van belang: de aanwezigheid van de voedselplant grote pimpernel (de bloem op de foto) waarbij bovendien een nest van (moeras)steekmieren te vinden is. Omdat deze mieren maar enkele meters van het nest vandaan gaan, selecteert het vrouwtje planten die dichtbij een mierennest groeien. Jonge rupsen eten van de zaden van de pimpernel. Na de derde vervelling laat de rups zich op de grond vallen en wacht tot hij wordt meegenomen door een steekmier. Na vijf tot vijftien minuten krijgt de mier een druppel zoetigheid als beloning. De rups richt zich op, de mier pakt hem en gaat met de rups tussen zijn kaken naar het nest. De rups eet kleine mierenlarven en eitjes en overwintert tussen de mierenlarven. In het nest vindt ook de verpopping plaats. 

Helaas ging het een jaar of twee later grondig mis met dit bijzondere plekje. Door een misverstand werd de berm te vroeg gemaaid en verdwenen alle pimpernellen. Daarmee waren ook de pimpernelblauwtjes ten dode opgeschreven. Alleen in het puntje van Zuid-Limburg zie ik nog en klein stipje staan als verspreidingsgebied.

Twee andere blauwtjes hebben we gezien in Noord-Spanje. We hadden een dag een privégids gehuurd die ons meenam de bergen in. In een idyllische bergweide vonden we het bleek blauwtje, dat bij voorkeur op kalkgraslanden leeft. Ik ga je even niet meer vermoeien met stipjes op de onderkant van de vleugels :), want aan de blauwe kleur van onderstaand mannetje zie je waar het insect zijn naam aan dankt.

Bleek blauwtje (man) - Noord-Spanje

Het laatste blauwtje dat ik aan je voorstel is het turkooisblauwtje, ook een kalkgrasvlinder. Helaas is het al een beetje een afgevlogen exemplaar, waardoor de stippen minder goed zichtbaar zijn. In ieder geval zijn de stippen op de bovenste vleugel groter dan die op de ondervleugel.


Heb ik nog wat te wensen, wat blauwtjes betreft? Ja, ik zou graag het gentiaanblauwtje eens willen zien, die in het oosten van Nederland nog wel voorkomt. Al was het ook maar vanwege die prachtige gentiaan als waardplant. De onderkant van die vlindervleugels lijken wel wat op die van de donkere pimpernelvlinder. Maar je raadt het vast al: DE STIPJES STAAN ANDERS *&%#! 

woensdag 26 augustus 2026

Libellen hebben meer succes bij het jagen dan leeuwen of haaien

Soms maken we een meerdaags tripje met het doel om libellen en juffers te spotten in bijzondere natuurgebieden. Dat heeft tot op heden echter nog nooit echt goed uitgepakt. Het was altijd te nat, te koud of te winderig (of allemaal tegelijk) tijdens de hoogzomerdagen die we geboekt hadden. Ook nu zaten we net in die ene echte regenweek in Noord-Brabant om in de Kampina te zoeken naar libellen. Niets vloog, behalve wij als we de wind mee hadden op de fiets :). Op de laatste dag scheen er een mager zonnetje, de wind had maar kracht 2 en de temperatuur was aangenaam. We keken rond op landgoed Steenenburg, waar de ten onder gaande soldaten in de vijver herinnerden aan het failliete Land van Ooit. Niet alleen deze troep soldaten maar ook het pretpark had hier letterlijk zijn Waterloo gevonden.

Waterloo in de vijver van Landgoed Steenenburg

Ik heb het pretpark 25 jaar geleden bezocht met mijn schoonfamilie en tegelijk met ons arriveerden twaalf touringcars, volgepropt met leden van de Belgische Bond van Grote Gezinnen. Met 8-10 kinderen per gezin was het een levendige boel :). Nu staan de beelden in alle stilte in het water. In de knieholte van één soldaat zat een groen kikkertje op te warmen in de zon. Bij groene kikkers is altijd lastig te bepalen wat voor soort het precies is, zoals ik in dit blogje beschreef. 

Groene kikker

Er vlogen drie soorten libellen: de grote keizerlibel, de paardenbijter en heidelibellen, allemaal soorten die we 'thuis' ook kunnen zien. We liepen nog een rondje langs de eiken- en beukenlanen toen de volgende bui in alle hevigheid losbarstte. Toen was het weer gedaan met de libellen....

Steenrode en bruinrode heidelibellen kun je nu in vrijwel ons hele land zien, ook al doet de naam misschien anders vermoeden. Over deze soort kun je meer lezen in deze blog.
Ook de paardenbijter is een vrij algemene soort, hoewel deze helaas behoorlijk achteruit gaat in aantallen. Deze libel herken je aan de gele 'spijker' op achterlijfsegment 2 (onder het borststuk).

Paardenbijter

Het beestje kreeg de naam paardenbijter omdat de libel vaak dicht bij paarden en andere dieren vliegt om op vliegen, horzels en dazen te jagen. Van een afstand lijkt het daardoor alsof het dier het paard aanvalt of bijt. Maar dat is helemaal niet het geval.

In het boekje Terra Insecta las ik een paar interessante feiten over libellen. Leeuwen slagen in slechts één op de vier gevallen om een prooi te vangen. De grote witte haai heeft zo'n 300 tanden, maar zelfs dat helpt niet om elke prooi die hij wil te pakken: hij heeft slechts een slagingskans van 50%. Neem dan de libellen, zij grijpen hun beoogde prooi in maar liefst 95% van de gevallen. Yeah, insects rule :)! Libellen zijn dan ook oppermachtig in de lucht. De vier vleugels kunnen onafhankelijk van elkaar bewegen: elke vleugel wordt aangestuurd door een eigen set spieren. Je begrijpt dus waarom libellen zo'n body builder borststuk hebben. 
Die spieren kunnen zowel de vleugelslag als de richting bijsturen. Hierdoor zijn deze vliegkunstenaars in staat om vooruit, achteruit èn op en neer te vliegen en halen daarbij snelheden tot 50 kilometer per uur. Als het zo uitkomt hangen ze ook even stil in de lucht. 

Een andere factor in hun jachtsucces zijn hun sublieme ogen.

Facetogen van de steenrode heidelibel
(te herkennen aan de zwarte 'hangsnor' langs de neus)

Elk oog bestaat uit 30.000 (!) kleine oogjes, die naast kleur ook ultraviolet en gepolariseerd licht kunnen zien. De bolvorm zorgt voor zicht rondom. Hiermee zien ze ook elke fotograaf aankomen en dat maakt fotograferen zo lastig :), ik heb de libellen voor bovenstaande foto's dan ook heeeeel voorzichtig benaderd. 

In dat kleine koppie zitten hersens die alle info die door de ogen binnenkomt razendsnel kunnen verwerken. Wij mensen kunnen twintig beelden per seconde verwerken, dan zien we alles in een vloeiende lijn, zoals in een film. Een libel kan tot driehonderd beelden onderscheiden en elk beeld zien. Daarbij kan het insect enorm goed focussen op prooien en kan ze haar snelheid en richting aanpassen tot dit eindigt in een succesvolle jacht. 
En dat allemaal met een brein dat zo groot is als een rijstkorrel. Van de één miljoen zenuwcellen is 80% gericht op het verwerken van de beelden uit de ogen. 

Tsja, zo kijk ik letterlijk weer met andere ogen naar libellen. En ik ben blij dat wij niet op het menu staan van deze sierlijke vliegers, want dan maakten we weinig kans....

zondag 16 augustus 2026

Houtpantserjuffers: metallic beauty's in je tuin

Houtpantserjuffer, de vleugels staan in v-vorm in rust

Momenteel vliegen ze bij tientallen in mijn tuin. Kleine, ranke juffers met knisperende vleugels die tegen de avond een plekje zoeken om de nacht door te komen. Ze zitten in de heg, hangen aan de klimrozen en zoeken ook vaak de top van de bamboestokken bij de tomatenplanten op. Ik heb het over houtpantserjuffers, wat mij betreft een van de mooiste juffersoorten, met hun groene metallic lijf. Naarmate de herfst vordert worden ze donkerder en zelfs koperkleurig, want deze kleine libellen kun je tot in oktober of zelfs november tegenkomen. Normaal verschijnen ze zo massaal in september, maar dit jaar zijn ze er - in ieder geval in mijn tuin - veel vroeger bij. Ze komen in vrijwel het hele land voor, dus de kans dat je er een bij jou in buurt kunt zien is heel groot. 

Haar naam dankt de houtpantserjuffer aan het feit dat zij haar eieren afzet in de schors van bomen en struiken langs een oever. Andere juffers en libellen dippen hun eitjes met hun achterlijf in het water of zetten deze af op waterplanten.

De legboor van het houtpantservrouwtje heeft een speciale voorziening in de vorm van een zaagrand, waarmee zij door hout heen kan boren. Uit het eitje komt een prolarve, een tussenstadium tussen ei en echte larve, die op het droge kan overleven. De prolarve laat zich uit de boom of struik in het water vallen, waar de prolarvehuid onmiddellijk openscheurt en de larve tevoorschijn komt. Ook als de prolarve niet meteen in het water terechtkomt, kan ze enige uren overleven en zich al kruipend naar het water bewegen. Dus behalve mooi is deze juffer door dit gedrag ook heel bijzonder! 

Juffers hebben vijf ogen

De houtpantserjuffer heeft net als andere juffers vijf ogen. Twee vallen onmiddellijk op: de bruine facetogen aan de zijkant van de kop. Deze grote ogen bestaan uit duizenden kleine mini-oogjes. Ze geven de juffer een heel breed zicht op de omgeving. Op het voorhoofd hebben ze drie onopvallende oogjes (de zwarte/witte puntjes die in een driehoek staan), de zogenaamde ocelli. Deze kleine enkelvoudige oogjes meten licht en donker en helpen bij het sturen tijdens het vliegen. Op bovenstaande macrofoto kun je die goed zien.

Tenslotte is de houtpantserjuffer ook nog een buitenbeentje qua vleugelstand. De grote libellen strekken in rust hun vleugels zijwaarts en juffers leggen ze achter of boven hun lijf. De houtpantserjuffer zit daar een beetje tussenin met een v-vormige stand van de vleugels. 

Weidebeekjuffers strekken hun vleugels
in rust naast of boven hun lijf

Let de komende tijd eens op de houtpantserjuffers, ze zijn het bekijken waard. Deze bijna 5 centimeter grote insecten leven van vliegjes en muggen. Het is mooi als ze er daarvan wat verschalken want de muggen houden mij de laatste weken behoorlijk uit mijn slaap :(. 

vrijdag 14 augustus 2026

Een zonsverduistering en herinneringen eraan

Audun le Roman 1999

De zonsverduistering van 12 augustus 2026 riep een heleboel herinneringen op aan de eclips van 1999. Met een vriendengroep zijn we destijds naar Frankrijk afgereisd voor de ervaring van een volledige verduistering. Een vriend plande met militaire precisie de hele operatie; er werd verwacht dat 2 miljoen mensen naar Frankrijk af zouden reizen. De eclips van 11 augustus 1999 viel (ook) op een woensdag, dus dat betekende dat we een dag verlof moesten nemen. Op 10 augustus reden we na ons werk naar een vriendin in Maastricht waar de slaapzakken werden uitgerold en een paar uur later al weer werden ingepakt. Om 2 uur in de nacht vertrokken we richting Metz om eventuele files voor te zijn. Om 7 uur arriveerden we in het dorpje Audun le Roman en vroegen ons af of er al een bakker open zou zijn voor het ontbijt. Terwijl we overlegden zwaaide een raam open en een vrouw vroeg of ze ons kon helpen. In ons beste Frans legden we uit dat we nog een paar uur zoek moesten brengen voor de zonsverduistering en of er een bakker of café in het (kleine en tamelijk vervallen) dorp was. Dat was er niet, maar ze nodigde ons uit voor het ontbijt. Superaardig! Zo installeerden we ons aan de ontbijttafel van de familie Jantzen. Pa en ma waren al op. Niet lang daarna verschenen een zoon en een dochter, met een slaaphoofd, warrig haar en in een slaapshirt, vers uit bed. Geschokt keken ze naar het tafereel en vroegen hun moeder om uitleg. Dochter verdween schielijk weer naar boven, maar zoonlief had te veel trek en nam een stoel. Zonder verder een woord te zeggen propte hij zijn ontbijt naar binnen.

We keken nog wat in de omgeving rond om de tijd te doden en maakten ons zorgen over de bewolking die van geen wijken wist. Elke zonnestraal die doorkwam werd met vreugde begroet. We zochten een plek buiten het dorpje, met weids uitzicht rondom: landerijen, een vervallen boerenschuurtje en in de verte het dorp, er was geen mens te zien. Ik bracht mijn (analoge) camera in stelling. Ik zou pas over een week zien of de foto's wat geworden waren. 

Tegen de tijd dat het schouwspel begon, brak de bewolking en kregen we zicht op de verduistering. 

Eclips, Audun le Roman 1999

Ik schreef destijds dit verslag in mijn album: 
"Bijna half 1, het moment suprême nadert. Een zwarte schaduw komt aanrazen. Vlak voor de verduistering is het licht sprookjesachtig mysterieus. Hier staat iets groots te gebeuren. Het wordt kouder en de wolken trekken weg. Dan verdwijnt de zon, de hemel wordt zwartblauw en de corona is te zien; roze vonken spatten er van af. Alles is stil. Je krijgt voor één keer een blik in het heelal. Je bent nietig maar ook onderdeel van het universum. Dit gevoel maak je nooit meer mee."

Volledige eclips, 1999 Audun le Roman

Als ik het teruglees krijg ik alweer kippenvel. Een aantal foto's bleek achteraf wonderwel gelukt, zodat we tastbare herinneringen aan deze dag overhielden. Na de eclips vertrokken we richting huis en hebben zowat de hele route file gehad. Maar deze ervaring nam niemand ons meer af. We behoorden tot de groep gelukkigen, want veel mensen op andere zichtlocaties werden teleurgesteld: bij hen verdween de bewolking niet. Hun eclips ging letterlijk de mist in. 

Dat de gedeeltelijke verduistering van afgelopen woensdag het gevoel van 1999 niet zou kunnen evenaren had ik wel verwacht. Die laatste 10% bedekking maken het verschil. Maar de kans was te uniek om deze niet te grijpen. Te meer daar we op 10 minuten lopen van ons huis een prima uitzichtpunt hadden. Daar waren we dit keer zeker niet de enigen die het schouwspel wilden beleven.

Verduisteringsdrukte langs de Heimanswetering

Een kleine misrekening was dat we onze eclipsbrilletjes van 1999 niet meer konden gebruiken. Op de dag zelf kregen we een tip dat die brilletjes slechts 5 jaar gegarandeerd goed werken en toen was er natuurlijk nergens meer een brilletje te koop. 
We besloten te experimenteren met een vergiet, zoals in de media werd aangeraden en zagen zo indirect wat er gebeurde. 



De verduistering vele malen
geprojecteerd door een vergiet
 
Ik had deze keer een digitale camera mee, dus ik kon wel meteen bekijken of de foto's gelukt waren. Ondanks een extreem korte sluitertijd (die ik destijds met mijn analoge camera niet eens kon instellen) overstraalde het beetje zonlicht de verduistering. Maar het overjarige eclipsbrilletje kwam nog goed van pas. Door deze voor de cameralens te houden, werd de straling gedempt en kon ik deze foto maken op het hoogtepunt van de verduistering. 

Zonsverduistering 2026 Alphen aan den Rijn

Het licht verflauwde en het werd koeler, maar de effecten waren niet zo sterk als in 1999. Terwijl de maan de zon weer meer ruimte gaf, maakte ik nog één foto. Het was een mooie belevenis, vooral omdat er zoveel herinneringen naar boven kwamen aan die ene perfecte eclips van 1999. 

Zonsverduistering Alphen aan den Rijn 2026