vrijdag 26 november 2021

Bosrank: de baard van de oude man

De bosrank is jaren geleden per ongeluk in onze tuin beland. Een hovenier had de tuin opnieuw beplant en in een plaats van de bestelde paarse clematis, verschenen er in het voorjaar de crème-witte bloemetjes van de clematis vitalba. 
Illustratie Esser, Peter, 1859- wikimedia

Ik besloot het er maar mee te doen, toen nog niet wetend dat de bosrank een flinke woekeraar is. Ik heb de struik lang geleden gerooid maar er verschijnen nog overal bloeistengels uit de grond. De plant komt van nature voor in ons land langs de grote rivieren en in Zuid-Limburg want ze houdt van kalkrijke grond en een enigszins vochtige standplaats. Maar door aanplanting en verwildering kun je 'm tegenwoordig in grote delen van het land waarnemen. De houtige stengels kunnen polsdik worden en tientallen meters lang. Het is de grootste liaan van de Nederlandse flora. Deels kruipen ze als reuzenslangen over de grond, vaker nog klimmen ze in bomen en hangen soms met een boog van de ene boom naar de andere. De plant is behoorlijk giftig. Toch is het de exclusieve voedselplant van enkele insectensoorten zoals de zeldzame tere zomervlinder en de bruine bosrankspanner. De roodbruine bosrankschorstor maakt gangen in het merg van de stengels en laat daar van zich horen door een snel kloppend geluid. Dat heb ik in mijn tuin nooit opgemerkt!

Ook in het stadpark heeft de bosrank zich genesteld. De pluizige zaden staken mooi af tegen het rode herfstgebladerte toen ik weer eens een 'rondje park' deed. De kleine dopvruchtjes zijn maar 3-4 mm lang, maar ze hebben een gevederde 'staart' (officieel heet dat een geveerde vruchtsnavel) van een centimeter of vier. Die vruchtjes zitten op een kluitje bij elkaar en aangezien de bosrank rijk bloeit zijn de zaadpruikjes ruim aanwezig. In Engeland wordt bosrank ook wel “Old man’s beard” genoemd. Al die stengels met pluisjes, gedrapeerd over een andere boom of struik doen inderdaad denken aan een Sinterklaasbaard :). 

Bosrank wordt in Engeland ook wel 'Old man's beard' (baard van de oude man) genoemd. 

Vogels eten de zaden wel, maar niet van harte. Voedselonderzoek in Roemenië heeft aangetoond dat vogels er, ondanks de grote hoeveelheid beschikbare zaden per plant, maar mondjesmaat van eten. Of dat komt door de giftigheid van de plant, de geringe voedzaamheid van de zaden of het gedoe om het pluis eraf te halen vermeldt het verhaal niet. 
In het filmpje van deze week zie je de 'baard' aan het eind, verder weer veel mooie herfstkleuren en ook de geschubde inktzwammen (waarover ik eerder deze blog schreef) waren weer bovengronds gekomen. 
Klik hier om naar het filmpje te kijken - check altijd even bij het radertje of de resolutie op de hoogste kwaliteit staat (4k). Deze week ook nog een bonusherfstfilmpje van een collega You-Tuber (zie hieronder). 


Onze Nederlandse herfst is kleurrijk, maar in Japan zijn de herfstkleuren van de esdoorns zeer spectaculair. Tomotugu is een Japanse YouTuber van wie ik regelmatig filmpjes bekijk. Geniet mee van de spetterende herfstkleuren aldaar door hier te klikken



vrijdag 19 november 2021

Een vergeefse zoektocht naar de zeearend

Vechtende zeearenden in Polen waar een grote populatie van deze vogels leeft
Foto Andreas Weith - Own work, CC BY-SA 4.0, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=65047904

De eerste keer dat ik zeearenden zag was in 2003, toen we een herfstreis naar Mecklenburg-Vorpommern maakten. We gingen er naar toe voor de kraanvogeltrek en de zeearenden waren een magnifieke bijvangst. We konden ze zien op redelijke afstand en de 'rugbybal'-vorm van zittende exemplaren was heel kenmerkend. Toentertijd vloog er wel eens één over in Nederland, maar er waren nog geen broedgevallen. Het eerste Nederlandse broedgeval dateert van 2016, in de Oostvaardersplassen. Bij een excursie zagen we er daar nog wel eens een, maar daar hadden we dan wel een telescoop voor nodig. Inmiddels heeft de zeearend zich echt gevestigd in ons land, de werkgroep Zeearend heeft een mooi interactief kaartje gemaakt van de broedgevallen (klik hier). Door een jaar te kiezen met het schuifje kun je precies zien hoe en waar de broedgevallen te vinden waren. Dat is voornamelijk rond het IJsselmeer en langs de grote rivieren. 

In februari 2018 zagen we er eentje overvliegen in onze eigen omgeving. Hij kruiste de Groene Jonker en de daar rustende ganzen gingen massaal de lucht in. Ik schreef er dit blogje over. Later dat jaar maakten we een reis over de Donau, in de bossen langs deze rivier konden we regelmatig genieten van deze machtige vogels met een spanwijdte van wel 2,5 meter. We droomden ervan dat dit in Nederland ook ééns de realiteit zou worden. Gelukkig gaat het de goede kant op wat dat betreft. Er waren 17 nesten in 2021, in 13 daarvan werden succesvol één of meer jongen grootgebracht. Dit jaar was er voor het eerst een broedgeval in de Korendijkse Slikken, een uitgestrekt rietland bij het Haringvliet. Op 23 april werd er een jong gezien. Later kreeg de boswachter er nog een in het vizier, maar die heeft het niet gered. In juni werd het overlevende jong geringd. "Een klimmer gaat de 18 meter hoge boom in en laat het jong met een hijskraantje naar beneden zakken. Deze klimmer blijft tijdens het ringen en zenderen boven in het nest. “Het jong zag er gezond en fit uit. Naast een metalen zwarte ring met inscriptie om de poot, kreeg de vogel ook een zendertje op de rug. Deze zender weegt in verhouding 1% van zijn lichaamsgewicht en geeft vanaf het moment dat de vogel uitvliegt informatie over vlieghoogtes en locaties. Relevante informatie die wij gebruiken voor ons onderzoek" aldus de informatie op de site van Natuurmonumenten.  De resultaten van het zenderen kun je hier bekijken (het werkt niet op alle apparaten even goed, ik zie het niet op mijn telefoon maar wel mijn PC). Hieruit blijkt dat onze jonge Haringvlieter zich nu ophoudt in de regio van Brussel!

Jonge zeearend op het nest in Duitsland. Jongen hebben nog geen witte staart
Foto Rainer Altenkamp, Berlin - Own work, CC BY-SA 3.0, https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=3012977

Op een winderige zondag besloten we een kansje te wagen en af te reizen naar de Korendijkse Slikken om te zien of we een glimp van de 'vliegende deur' konden opvangen. Het nest was met de verrekijker goed te zien, maar de zeearenden zelf waren gevlogen, ongeveer een kwartier voordat we bij het uitkijkpunt kwamen. Dat hoorden we van twee andere bezoekers. Jammer, maar helaas. Zo werkt het met wild in de natuur. Zij kunnen gaan en staan waar ze willen. In het filmpje van deze week veel wuivend riet en weinig gevederde vrienden. Volgende keer beter!

Klik hier om het filmpje te bekijken. 




  

woensdag 17 november 2021

Er is iets misgegaan

De blog van afgelopen weekend is niet door iedereen ontvangen, aldus een aantal van mijn volgers. Daarnaast had ik een fout gemaakt bij het kopiëren van de link naar het filmpje waardoor je een foutmelding kreeg als je er op klikte. Voor iedereen die de blog en/of het filmpje gemist heeft: via deze link kun je 'm bekijken. Hopelijk werkt nu (en de komende tijd) alles weer naar behoren. Mocht je contact met me willen opnemen als er problemen zijn met de ontvangst met de wekelijkse mails, kijk dan op de contactpagina van mijn website om mijn mailadres te zien.

vrijdag 12 november 2021

Gevallen blaadjes - leven na de dood

Na lange tijd ging ik weer eens filmen in het stadspark tegenover mijn huis, dat op YouTube mensen van over de hele wereld heeft verwonderd. Japanners en Canadezen, Spanjaarden en Duitsers, Indiërs en Zweden, Australiërs en Amerikanen (allemaal m/v natuurlijk) volgden tijdens en na de lockdown een jaar lang mijn filmpjes en stonden versteld van wat er zoal te zien was in dat kleine stadsparkje. Deze keer werd ik weer eens aangetrokken door de mooie kleuren van de bladeren. De wind blies er flink doorheen, dus er lag al veel gevallen blad op de grasperken en omliggende straten. Ik vroeg me af hoe snel zo'n blad eigenlijk verteert. Zoals altijd is zo'n vraag niet makkelijk te beantwoorden. Volgens informatie van Nature Today hangt het van veel dingen af: temperatuur, hoeveelheid vocht in de bodem, het soort blad en ook de kleur van het blad. Om met dat laatste te beginnen: bladeren die nog een beetje groen zijn, verteren sneller dan helemaal verkleurd blad. Daarnaast is ook het soort blad van belang. Bladeren van altijdgroene planten zijn goed beschermd tegen uitdroging en verteren twee keer zo langzaam als bladverliezende soorten. Binnen die laatste groep is dan ook weer onderscheid te maken tussen bladeren die veel voedingsstoffen bevatten, zoals van de zwarte els, es, esdoorn, rode kornoelje, vogelkers, sleedoorn en vlier (die verteren in één à anderhalf jaar) en bladeren van soorten die voedselarm zijn of veel looizuur bevatten zoals de eik en de beuk, die doen er al gauw twee tot drie jaar over eer ze verteerd zijn. 

Bladeren van de es verteren relatief snel

Wat temperatuur betreft gaat de vertering sneller bij warmte: gemiddeld verloopt de bladvertering twee maal zo snel voor elke tien graden temperatuurstijging. Ook in de winter gaat de bladvertering nog door, zelfs onder een dikke laag sneeuw. Tenslotte speelt bodemvocht een belangrijke rol. In droge bodems gaat de bladvertering erg traag omdat bacteriën en schimmels er uitdrogen. Aan de andere kant verloopt de bladvertering ook erg traag in zeer natte, zuurstofloze, bodems. De vertering gaat het snelst in bodems die daar tussenin zitten.

De strooisellaag wordt afgebroken door talloze insecten, wormen, bacteriën, schimmels, nematoden en andere kleine organismen op en in de grond. Een aantal daarvan kun je met je eigen ogen waarnemen, bijvoorbeeld met deze zoekkaart (kijk op pagina 2 van het document): zo'n 50 soorten miljoenpoten, ruim 50 verschillende pissebedden, 640 spinachtigen, meer dan 100 slakkensoorten, en een kleine 30 typen regenwormen. Dat is dan nog maar het begin want de werkelijke aantallen zijn alleen met een microscoop te zien.  In een theelepeltje zwarte grond zitten al snel enkele miljarden bacteriën, verdeeld over tienduizenden soorten waarvan de meeste nog niet door de wetenschap zijn beschreven. 

Het afgevallen blad is niet alleen belangrijk als onderdeel van het voedselweb. Het is ook een belangrijke schuilplaats van dieren. Egels gebruiken de bladeren om hun winternest mee te 'stofferen', lekker isolerend door de lucht tussen de droge bladeren. En zij snuffelen graag rond tussen het bladstrooisel om insecten en slakken te vinden om op te vetten voor de winter. Afgelopen dinsdag zag ik een jong egeltje in onze tuin rondscharrelen, zo schattig om te zien dat je daar graag wat rommelhoekjes voor creëert. Een korte impressie daarvan zie je in deze opname (lees nog even door onder het filmpje). Binnenkort zal het beestje in winterrust gaan, dus ik hoop dat hij voldoende voedsel bij elkaar heeft gescharreld om de winter door te komen; aan onze tuin zal het niet liggen.


In het andere filmpje van deze week zie je ook bladeren in en op het water. Blad dat in het water valt en daar verteert haalt in dat proces zuurstof uit het water. In een kleine (tuin)vijver is het dus niet zo handig om er te veel afgevallen blad in te laten. Toch is blad ook belangrijk voor kleine waterdiertjes. Uit onderzoek blijkt dat hoe groter de aaneengesloten stukken zand zijn tussen de plekken met afgestorven blad, hoe moeilijker het voor de waterdiertjes is om bij de volgende voedselbron te komen. Hierdoor overleven sommigen niet en kunnen ze niet zorgen voor een volgende generatie. Op een beekbodem bevinden de meeste waterdiertjes zich bij ophopingen van blad, takken en hout, vanwege de voedsel- en schuilmogelijkheden. Het is soms een drukte van jewelste op zo’n plek met  allerlei verschillende  soorten macrofauna die van hetzelfde voedsel leven.

Bekijk herfst in het stadspark door hier te klikken



vrijdag 5 november 2021

Late kleuring van de bomen

In de herfstvakantie waren we een paar dagen in Limburg en we hoopten op zonnig herfstweer en mooi gekleurde bomen. Wat beide aspecten betreft kwamen we bedrogen uit. Er woei een stormachtige wind, de regenbuien konden we - met hulp van buienradar - maar nauwelijks ontwijken en de bomen waren nog grotendeels groen. Niet alle bomen verkleuren op dezelfde tijd. Beuken zouden rond deze tijd hun kleurenpracht moeten tentoonstellen en Amerikaanse eiken ook. Maar die hadden niet meer dan een blosje. De lindenbomen die we vanuit onze hotelkamer zagen waren enigszins gekleurd maar door de harde wind ook al half kaal gewaaid. Alleen de esdoorns kleurden in de loop van de week geel.

De bomen in het Limburgse heuvelland waren maar mondjesmaat gekleurd

De oorzaak van de late kleuring ligt in de hoge temperaturen van afgelopen september en oktober, die tot de top-10 van de warmste najaarsmaanden horen. Ook was er geen nachtvorst te bespeuren waardoor bomen te weinig signalen krijgen dat het tijd wordt om de bladeren te laten vallen. In 2016 waren de bomen eind oktober nog groener dan nu, maar nu zit er nog meer blad aan de bomen vergeleken met vijf jaar geleden. En dat heeft weer gevolgen voor de concentratie van CO2 in de lucht. Normaal neemt het aandeel CO2 in de lucht in deze periode toe omdat bomen zonder bladeren dat niet meer opnemen. Nu nemen de bladeren dat nog op en hebben we een lagere concentratie dan gewoonlijk om deze tijd. Per saldo maakt het op de lange termijn niet zo veel uit, want als de bladeren straks vallen dan worden ze verteerd in de bodem en komt de opgeslagen CO2 alsnog vrij. 
Als bomen langer hun bladeren vasthouden heeft dat ook weer gevolgen voor de directe omgeving van de boom: er komt nu minder zonlicht op de bodem, bodemdieren moeten 'wachten' om het blad te gaan verteren en de boom verdampt meer water. Lijsterbessen en beuken kunnen daar minder goed tegen. Dus als deze warme najaarstemperaturen blijven voorkomen zullen bepaalde bomen het slechter gaan doen, ten gunste van meer zuidelijke soorten zoals de plataan of de walnoot. 
Tijdens onze wandelingen konden we trouwens vaststellen dat de walnoot het dit jaar goed gedaan heeft, in vele bermen konden we noten oogsten, een mooi en lekker aandenken aan ons tripje. De laatste ochtend hadden we uiteindelijk mooi weer. De wandeling, die vanuit Epen naar gehuchtjes in het heuvelland voerde heb ik op film vastgelegd. Klik hier om dat te bekijken. 




vrijdag 29 oktober 2021

Buikzwammen en het begin van de bronst

Begin oktober bezochten we op een zonnige dag de Amsterdamse Waterleidingduinen. We hoorden het geburl van de damherten en zagen dat de herten bezig waren met het maken van bronstkuilen en het bijeen drijven van hun harem. Het hoogtepunt van de bronst moest nog komen, maar de waarnemingen waren interessant genoeg om ze op film vast te leggen. Er viel verder nog van alles te zien: heidelibellen zaten te zonnen op de paden en boomstronken en ook een kleine vuurvlinder poseerde even. Tussen de grasjes op het duinzand troffen we ook buikzwammen aan; dat is altijd een mooie waarneming want je ziet ze niet zo vaak en ook niet overal. 

Ruwstelige (?) stuifbal

Als eerste kwamen we een stuifbal tegen: een wit bolletje op een bruin steeltje. Deze soort vinden we vooral langs de kust in het kale duinzand en zeer spaarzaam in het binnenland. Er zijn vier soorten die niet zo makkelijk te onderscheiden zijn. Op basis van het formaat leek me dit een ruwstelige stuifbal, maar ik kan er ook naast zitten. Op een andere plek in de duinen zagen we aardsterren, die ook tot de buikzwammen horen. Aardsterren zijn opruimers waarbij de sporen binnen in een bolvormig vruchtlichaam zitten. Bij rijpheid springt de buitenlaag van dat vruchtlichaam open en buigen de slippen zich stervormig. De binnenlaag met de sporenmassa zit in het midden van de ster en opent zich bovenaan via een klein gaatje waardoor de sporen naar buiten komen. Meestal gebeurt dit als er regendruppels op de paddenstoel komen. Valt een druppel op het buikje dan wordt door de ontstane overdruk de aanwezige lucht eruit geperst samen met een stofwolkje sporen. Elastische draadjes in het weefsel zorgen ervoor dat de normale vorm steeds weer wordt hersteld. In dit proces wordt er nieuwe lucht naar binnen gezogen waardoor de nog in de buik aanwezige sporen gaan wervelen en in een gunstige positie komen te liggen voor de volgende uitstoot.  

Aardster
De meeste aardsterren hebben één opening waardoor de sporen naar buiten komen. De peperbus heeft er meerdere. Deze soort kwamen we een aantal jaar geleden tegen in de Waterleidingduinen. Dat was een buitenkansje want deze soort is vrij zeldzaam. Het zwaartepunt van het voorkomen van de peperbus ligt in Nederland. Internationaal gezien wordt de peperbus beschouwd als zeer zeldzaam, want ook al is de peperbus bekend van een groot aantal landen, de aantallen zijn meestal minimaal. In Noord-Holland zijn plekjes in de duinen te vinden waar in sommige jaren wel tachtig van deze paddenstoelen bij elkaar staan.

De peperbus is ook een aardster

Bekijk de eerste bronstverschijnselen en andere waarnemingen in het filmpje door hier te klikken




vrijdag 22 oktober 2021

Wingerd, vuurdoorn en een vuurwants

Een aantal jaren geleden moest onze haag van veldesdoorn eruit omdat hij aan alle kanten 1 meter van onze stadstuin innam. We wilden er iets voor terug planten dat mooi was voor ons en ook iets opleverde voor de dieren in onze tuin, maar dat niet zo breed zou uitgroeien. Het werd een combinatie van wilde wingerd, klimop en vuurdoorn. Klimop is het hele jaar groen en biedt schuilgelegenheid aan insecten en vogels. De bloemetjes bloeien vrij laat in het jaar en leveren dan nectar aan de laatste rondvliegende insecten. De zwarte bessen vormen in de winter een lekker hapje voor vogels. Ook de wingerd is een goede leverancier van nectar en stuifmeel, ook al zijn de bloemetjes klein. Een bij haalt per bloem per dag 1 à 2 mg nectar binnen. De vruchten zijn kleine blauwe zoetige besjes, die een lekkernij zijn voor vele vogels (mensen kunnen ze beter niet eten). In het najaar is deze plant voor ons 'eyecandy' (letterlijk oogsnoep ofwel een genot om te zien) zoals de Engelsen dat zo mooi uitdrukken. De bladeren verkleuren van groen, naar geel en via oranje naar karmijnrood. Geweldig om te zien, onze eigen 'Indian summer' in de achtertuin. Wingerd hoort tot de wijnstokfamilie en komt oorspronkelijk voor in het zuiden van Canada en noorden van de VS. De soort is in Europa ingevoerd maar komt hier inmiddels ook op veel plaatsen in verwilderde vorm voor. Met hechtschijfjes 'kleven' de ranken aan muren, de groeisnelheid is groot maar de plant is makkelijk te snoeien en te verwijderen waar hij niet gewenst is. 

Wingerd en de bessen van vuurdoorn

Vuurdoorns hebben ook heel wat te bieden in de tuin. De plant hoort bij de rozenfamilie; ze hebben dan ook flinke doorns. Die stekelige takken zijn een prima natuurlijke bescherming tegen klimmende katten voor broedende vogels. In het voorjaar is de struik getooid met witte bloemschermen en vliegen de insecten af en aan. In de winter worden de besjes door vogels gegeten. Wij hebben een variëteit met gelige bessen en een met rode bessen. De soort met oranje bessen is het meest bekend. 

Op hemelsleutel, een laat bloeiende vetplant, zag ik een vuurwants. In de zomer worden de eitjes van deze soort afgezet en na een aantal larvenstadia vervellen ze in september tot de volgroeide wants. Deze genoot dus pas kort van zijn volwassen leven. De winter overleven ze in groepen onder de grond of tussen bladeren. Ze leven voornamelijk van planten: met hun snuit zuigen ze het sap uit de stengel. 

Vuurwants op hemelsleutel in de herfstzon

Het tweede deel van hun wetenschappelijke naam Pyrrhocoris apterus betekent: zonder vleugels. Dat klopt niet want ze hebben wel degelijk vleugels maar meestal kunnen ze er niet mee vliegen omdat ze te kort zijn. Over die vleugels las ik op wikipedia deze aardige feitjes: 

"Er komen verschillende vleugelvormen voor, zoals langgevleugelde exemplaren die zowel goed ontwikkelde voorvleugels hebben als vliezige achtervleugels, waarmee ze goed kunnen vliegen. Dit wordt wel macropteer genoemd maar komt bij de vuurwants zelden voor. De meeste exemplaren zijn kortgevleugeld of brachypteer, deze wantsen hebben geen membraan aan de achterzijde van de voorvleugels. Er komen daarnaast ook combinaties voor van exemplaren met lange voorvleugels en korte achtervleugels en vice versa. Ten slotte komen er soms exemplaren voor die ongelijke vleugels hebben, wat maar weinig voorkomt bij de insecten. Uit onderzoek naar de reden achter kort- of langvleugeligheid bij de vuurwants komen verschillende oorzaken naar voren. Als de nimf zich ontwikkelt bij een hoge omgevingstemperatuur en een hoge lichtintensiteit is de kans groter dat het volwassen exemplaar langgevleugeld is. Ook heeft de wants meer kans lange vleugels te ontwikkelen als de nimf in een omgeving opgroeit met veel soortgenoten waarbij de dieren actiever zijn. In het laboratoriumonderzoek wordt verfrommeld papier gebruikt als surrogaat voor de strooisellaag, en opmerkelijk is dat zelfs het gebruikte papier kan invloed hebben op de ontwikkeling van de vleugels. Bij gebruik van advertentiepaginas van het tijdschrift Nature komen normaal ontwikkelde wantsen tevoorschijn, als papier van Scientific American wordt gebruikt treden vergroeiingen op. Ook uit ander laboratoriumonderzoek is bekend dat de nimfen van de vuurwants reageren op stoffen uit papier."

Bekijk de herfsttaferelen in onze tuin door hier te klikken


Wil je meer weten over herfstkleuren? Lees dan mijn eerdere blog hierover door hier te klikken


vrijdag 15 oktober 2021

Helmgras beschermt ons land

Vandaag het laatste Texelfilmpje van onze vakantie in augustus. Als je naar de mensen op het strand kijkt, kon het net zo goed recent gemaakt zijn, want die avond was het fris en winderig en mensen gingen goed ingepakt het strand op. Op één badgast na die zich in de golven waagde maar daar blijkbaar iets angstaanjagends zag waardoor hij pijlsnel het water weer verliet. Op de duinenrij wuifde het helmgras onder indrukwekkende wolkenluchten. Tijd om dat plantje eens in het zonnetje te zetten want helm is een belangrijke bondgenoot in onze strijd tegen het water. 

Het grijsgroene gras groeit in pollen op jonge duinen. De lange wortelstokken van de plant dringen diep in de bodem door en houden zo het zand vast. Per jaar kan helmgras een meter stuifzand aan: het groeit razendsnel mee en blijft er boven uit steken. Met die vorming van duinen helpt helm om het zeewater uit ons land te houden. Helm kan zoute wind en zand goed verdragen. Het stuivende zand helpt de plant tegen insecten die het op helmsprieten voorzien hebben. Als een duin eenmaal 'vastligt' door de vele begroeiing vreten insecten de helmplanten aan en wordt de plant minder sterk. Andere planten grijpen dan meer en meer hun kans om te groeien en de helm te verdringen. Je zou denken dat helmgras door zijn groeiplaats zout water kan verdragen. Dat is echter niet zo. Er moet een bel zoet water in het opkomende duintje zitten om helm te laten groeien. De plant beschermt zich tegen zout water door een symbiotische relatie met een speciale schimmel op zijn wortels, die de water- en zouttoevoer naar de plant regelt. De bladeren kunnen wel tegen zout water; als een pol bij overstroming losraakt kan hij op een andere plek weer wortel schieten als hij aanspoelt, mits daar wel zoet water in de grond zit. Om te gedijen in de harde weercondities van felle zon en droogte op het strand hebben de bladeren nog een slimme voorziening: ze zijn in de lengte gegroefd en rollen zich bij droogte op om minder water te verdampen. De beharing helpt om verdamping verder te bemoeilijken. Bij vochtig weer strekken de bladeren zich dan opnieuw in de breedte uit. 

Om ons land te beschermen tegen de zee wordt helm massaal aangeplant. In het verleden werden Texel en het losse eiland Eierland aan elkaar vastgemaakt met behulp van helm. In de 17e eeuw wierp men een zanddijk tussen de twee eilanden op en zodra hier zoet (regen)water in was gekomen werd deze beplant met helm. Er waren trouwens ooit plannen om op deze manier alle Waddeneilanden aan elkaar te 'rijgen' (en vervolgens de Waddenzee in te polderen). Maar het unieke karakter van de eilanden en de Waddenzee heeft het toch gewonnen van deze landhonger. 

Je kunt het filmpje van deze week bekijken door hier te klikken



 

vrijdag 8 oktober 2021

Distels en de distelvink

In de bloementuin van ons vakantiehuis op Texel bloeiden kamille en klaprozen maar ook een hele berg aan akkerdistels. Het hoogtepunt van de bloei was voorbij, de lichtpaarse bloemhoofdjes trokken nog wel wat bijen en hommels aan die zich te goed deden aan de nectar, maar er waren ook al vogels die interesse toonden in de zaden. Waar de zaden van de paardenbloemen zich makkelijk door de wind laten verspreiden vanuit hun luchtige 'bol', zit het vruchtpluis van de distels zo op elkaar gepakt dat de wind er geen vat op krijgt. De distel heeft dus een hulpje nodig en de distelvink, beter bekend onder de naam putter, is voor de plant een welkome gast. Natuurlijk verdwijnen er daarbij wel zaden in de vogelmaag, maar even zovele zaden raken los en worden door de wind meegenomen. Als ze een muur, heg, schutting of ander obstakel raken vallen ze neer om te kiemen. In dit geval was dat obstakel een berg aarde in de aangelegde tuin. Het zaad ontkiemt nog voor de winter valt en in het eerste jaar stelt de distel zijn plekje veilig: hij verankert zich met een stevige wortel in de grond en maakt een rozet van bladeren om andere planten uit de buurt te houden. Het tweede jaar groeit de plant uit en bloeit deze om daarna af te sterven. Het is een zogenaamde tweejarige plant. 

Putter eet zaden van de akkerdistel

In de tuin deden de putters zich te goed aan de zaden. Volwassen vogels met een kleurrijk verenkleed en jonkies die nog niet zo'n mooi getekend koppie hadden. Over de kleuren van de putters zegt de overlevering dat er bij de schepping van de vogels prachtige kleuren werden uitgedeeld, maar dat één vogelsoort werd overgeslagen. Dat was de putter. Verslagen keek de vogel rond en zag dat en links en rechts nog restjes verf waren. Na enig smeken werden de restjes over zijn lijfje verdeeld: zwart op de kop, staart en slagpennen, rood op de kruin en langs de wangen, groengrijs langs de vleugels en wit op de kop. Een likje bruingrauw op de borst maakte het kleurenpalet af. Ondanks de felle kleuren zijn de vogeltjes overigens goed gecamoufleerd, ik hoor ze altijd eerder dan dat ik ze zie. Ze maken een gezellig babbelend geluid. Hoe de vogel aan de naam distelvink komt, is door bovenstaand verhaal verklaard. Waar de naam putter vandaan komt kun je lezen in een eerdere blog

Bekijk de puttertjes, jong spreeuwen met een bruine, nog niet gespikkelde kop en zomerbloemen in het filmpje door hier te klikken.



vrijdag 1 oktober 2021

Net zoveel schapen als inwoners

In het voorjaar zijn er meer schapen dan inwoners op Texel

Texel is van oudsher een schapeneiland; er wonen 14.000 mensen en even zoveel schapen. In het voorjaar zijn er meer schapen dan inwoners want dan komen er duizenden lammetjes bij. Dat is trouwens weinig vergeleken met 1850; op het hoogtepunt van de schapenhouderij stapten er zo'n 40.000 schaapjes rond op het eiland. 

In 2009 kocht ik het boek 'De Texelaar' zoals het schapenras wordt genoemd, het boek verscheen ter gelegenheid van het honderdjarig bestaan van het Texels Schapenstamboek. Texel was in vroeger tijden met zijn kwelders en brak water niet erg geschikt voor landbouw en voor koeien was aanvankelijk te weinig zoet water beschikbaar. Schapen daarentegen hebben genoeg aan brak water en deze wollige dieren zijn tevreden met zoutminnende planten. De schrale, droge gronden van het eiland werden dus het domein van de schapenhouderij. De Texelse schapen waren met weinig tevreden en erg gezond. Daarom kwamen boeren van elders de Texelaars graag kopen. Want als die gedijen op zulke arme grond, dan doen ze het op de vette gronden van de polders nog beter. Ook wolhandelaren zijn erg in hun nopjes met de Texelaar. Op Texel lopen namelijk allemaal schapen van hetzelfde ras, die geven wol van dezelfde soort en kwaliteit, waar in andere gebieden een ratjetoe aan rassen en kruisingen niet bepaald uniforme wol oplevert. Vanuit Engeland was er eveneens belangstelling: de Texelse schapen hebben vlees met minder vet en met een fijnere structuur vergeleken met Engels schapenvlees. In 1865 maakten meer dan 52.000 schapen de oversteek naar het Verenigd Koninkrijk, naar verluidt tegen 'hooge vleeschprijzen'.  

In de duinen en kwelders werden vanouds schapen gehouden, dat was uitgestrekt en weinig overzichtelijk terrein. De duinboeren weidden op grote percelen van wel 1300  tot 2000 hectare en in zo'n gebied liepen tussen de 1250 en 2500 schapen. Het in de gaten houden de kudde was moeilijk maar noodzakelijk: het gebied wilde nog wel eens overstromen en dan moesten de schaapjes op het droge worden gebracht. De boeren gingen met paarden langs de schapen en één boerderij had een ingebouwde uitkijkpost die uitkeek over de kwelder met grazende schapen. Tellen was helemaal een moeizaam karwij. Om een beetje overzicht te houden werd bij iedere 50 schapen een zwart schaap gedaan. Door de zwarte schapen te tellen en met 50 te vermenigvuldigen kreeg men een idee van het totaal. Dus dat is de betekenis van het zwarte schaap. 

In natuurgebied De Bol werd tijdens ons verblijf een groep schapen geweid, daar was ook één zwart schaap bij. Misschien waren het in totaal wel rond de 50 viervoeters. Ik heb daar tijdens onze vakantie niet op gelet. Het was mooi om te zien hoe de groep zich verplaatste, volgens het gezegde 'als er één schaap over de dam is, volgen er meer'. Achterblijvers spoedden zich richting de kudde als het gat met de kopgroep te groot werd. Ze joegen de vogels op die in het gebied verbleven om te ruien of tijdens hoog water op het wad. 

Bekijk de Texelaars en de vogels onder steeds wisselende wolkenluchten in het filmpje van deze week door hier te klikken