zaterdag 23 februari 2019

IJstijden en de hazelaar

Bloeiende hazelaar met mannelijke katjes
en roze vrouwelijke bloempjes
De afgelopen weken hebben we diverse ijstijden beleefd. Een paar nachten flinke vorst en de eerste ijstijd van deze winter was een feit. Er kon nog net een marathon op natuurijs worden geschaatst en toen zette de dooi al weer in. Niet lang daarna was er sprake van een andere ijstijd: de temperaturen waren met een graad of 16-17 C een record voor midden februari. De terrasjes zaten vol en er werd menig ijsje geconsumeerd. Intussen bloeide de hazelaar met zijn gele katjes en piepkleine roze bloempjes tussen het verder nog kale hout. Een taaie rakker is die hazelaar, die soms al met kerstmis bloeit, vorst en ijs lijken de struik niet te deren.
Een kleine 50 miljoen jaar geleden waren de eerste hazelaars al op de wereld te vinden, in de VS en Canada. Dat weten we omdat er fossiele resten van de bloemen gevonden zijn. In Nederland doken de eerste exemplaren zo'n 30 miljoen jaar geleden op. De aarde warmde op en koelde af tijdens vele ijstijden. In het Midden-Pleistoceen (126.000 - 781.000 jaar geleden) trad gemiddeld elke 100.000 jaar een ijstijd op. Het klimaat in de perioden tussen de ijstijden leek op het klimaat van nu. Ons landje had ook al ongeveer dezelfde kustlijn als tegenwoordig, hoewel de gletsjers in de ijstijden ons land tot de Veluwe en Utrecht bedekten. In de tussentijden (interglacialen) ontstonden bossen met eik en hazelaar. De fauna was van een heel andere aard: ons land werd bevolkt door bosolifanten, nijlpaarden en neushoorns, maar ook dieren die momenteel nog in Nederland voorkomen zoals herten en everzwijnen waren er te vinden. De eerste mensen, de homo erectus, struinden hier rond. Van de hazelaar zijn grote hoeveelheden fossiele pollenkorrels in ons land gevonden. Nou produceert de hazelaar er ook behoorlijk wat: zo'n 600 miljoen stuifmeelkorrels per struik. En ze blijven ook lang goed als ze zuurstofarm worden opgeborgen, bijvoorbeeld in afzettingen op de bodem van meren.
Hazelnoten, aangevreten door verschillende dieren
Niet alleen pollen maar ook hazelnoten uit het Pleistoceen zijn teruggevonden; in kleilagen in Limburgse rivieren. Daaraan konden wetenschappers zien dat de hazelnoten honderdduizenden jaren geleden ongeveer even groot waren als nu.
Wanneer het klimaat veranderende door een ijstijd, verdween de hazelaar tijdelijk uit ons land, in die tijden beheersten naaldbomen zoals den en spar het bosgebied. In kleine gebieden in de bergen van Zuid-Europa waren de omstandigheden goed genoeg voor de hazelaars, waar ze wisten te overleven. Zo'n 7000 jaar geleden was de laatste ijstijd achter de rug en met het warmer wordende klimaat, keerde de hazelaar voorgoed terug. Hoe het kwam dat de hazelaar dat behoorlijk snel kon doen, is nog niet precies vastgesteld. Wellicht hebben dieren de hazelnoten verspreid, maar het kan ook zijn dat de noten over het water naar ons land zijn gedreven. In ieder geval kunnen wij iedere winter genieten van bloeiende hazelaars, en in het najaar staan de noten op het menu van veel soorten vogels en de eekhoorn.

Het filmpje van deze week is gemaakt tijdens onze eigen 'mini-ijstijd' :) rond 20 januari. De hazelaar stond er toen al mooi bij. Volgende week de andere 'ijstijd', een filmpje met volop lentesignalen.
E-mailabonnees kunnen het filmpje 'below zero' bekijken door hier te klikken.


zaterdag 16 februari 2019

Medicijnen op de bosbodem

Geweizwam
Deze week laat ik jullie nog een filmpje zien dat ik maakte tijdens ons tripje naar de Veluwezoom in het begin van dit jaar. Je ziet hierin allerlei paddenstoelen opduiken, samen met een paar andere waarnemingen op of net boven de bosbodem. In paddenstoelennamen ben ik niet erg goed, dus die staan er niet bij. Ik las op NatureToday dat zelfs ervaren mycologen (paddenstoelendeskundigen) tegenwoordig knettergek worden van de veranderingen in de wetenschappelijke benamingen van al die zwammen. Want door DNA-onderzoek blijkt dat sommige schimmelsoorten meer of minder verwantschap hebben met andere dan vroeger werd gedacht. Dus worden de wetenschappelijke namen om de haverklap aangepast. Afijn, in onze tijd weten we in ieder geval wat paddenstoelen zijn: geen plant (want geen bladgroen) en geen dier (ze bewegen niet), maar een eigen categorie van schimmels. Vòòr onze jaartelling begreep men er helemaal niks van: gisteren was er nog niks te zien en ineens stond daar een paddenstoel. Homerus (800 v Chr.) verklaarde het als 'een samenkomst van hemel en aarde'. Plinius de Oudere dacht, samen met enkele andere geleerden, in de eerste eeuw na Christus dat paddenstoelen ontstaan bij blikseminslag. Bij gebrek aan andere verklaringen, geloofde men deze theorie tot in de 18e eeuw. Inmiddels weten we wel beter: het geheim van paddenstoelen zit onder de grond, waar een wijd vertakt mycelium af en toe 'bloeit' met paddenstoelen.

Elfenbankje

De wetenschap staat niet stil
Niet alleen hebben wetenschappers het ontstaan en de voortplanting van paddenstoelen ontrafeld, er is ook onderzoek gedaan naar hun medicinale kwaliteiten. In het Verre Oosten doet men dat trouwens al eeuwenlang. Inmiddels is er ontdekt dat veel paddenstoelen een rol kunnen spelen bij het behandelen van kanker. Sommige soorten worden ingezet in aanvulling op chemotherapie en bestraling omdat ze bijeffecten van die behandelingen (misselijkheid en bloedarmoede) tegen kunnen gaan. Andere paddenstoelensoorten hebben kankerremmende eigenschappen. Onder die soorten zitten voor ons hele gewone en algemene soorten zoals elfenbankjes en tonderzwammen, maar ook champignons,  russula's en de geschubde inktzwam. Meer hierover kun je lezen op NatureToday.
In het filmpje van deze week zie je verder nog wat vogels scharrelen tussen de bladeren, op zoek naar beukennootjes, en een vuurgoudhaantje, die door de witte oogstreep is te onderscheiden van zijn familielid het goudhaantje, waarover ik eerder een blog schreef. Ook over het boomschuim schreef ik al eerder.

E-mailabonnees kunnen hier klikken om het filmpje te bekijken.


zaterdag 9 februari 2019

Kramsvogel op strooptocht

Kramsvogels leven in groepen
Foto: Jerzystrzelecki
Een paar sneeuwdagen zorgden de afgelopen twee weken voor wat lichte toetsen in het grauwe winterweer. De tuin was voller met vogels dan anders, ze maakten gretig gebruik van de feeders en toonden voor het eerst interesse in de sierappeltjes die met honderden in het boompje bungelden. Het valt me op dat de appeltjes altijd blijven hangen tot de vorst er over heen is geweest. Dan worden ze blijkbaar smakelijker, of zachter (of allebei). Naast de gebruikelijke mussen, merels en vinken, dook ook een heggenmus op. Twee dagen eerder had ik zijn zang al gehoord, een teken dat de lente er aan komt, al kan dan nog even duren. Deze keer hadden we een bijzondere gast: een kramsvogel deed zich te goed aan de sierappeltjes. Waar vier merels elkaars aanwezigheid duldden (dat is lang niet altijd het geval), was de kramsvogel gedecideerd in zijn gedrag: dit was zijn/haar plek en de merels moesten hun heil maar elders zoeken. De merels deden dat, een teken dat de kramsvogel toch hoger in de hiërarchie staat, hoewel beide lijstersoorten ongeveer even groot zijn.
Sierappeltjes
Voor mij was het een mooie gelegenheid om de kramsvogel eens van dichtbij te bekijken en te filmen, want meestal zijn deze vogels schuw en snel verstoord. In Salland filmde ik ze al eens op afstand, maar toen ik dichterbij kwam waren de vogels gevlogen. In het Sallandse filmpje zie je dat ze met een groep zijn, dat is typerend voor kramsvogels in vergelijking met andere lijsters zoals merels en zanglijsters. Vorig jaar februari zag een waarnemer in Drenthe een groep van maar liefst 20.000 vogels! 's Zomers eten kramsvogels vooral dierlijk voedsel zoals slakken, wormen, insecten en spinnen. In de herfst en winter staan lijsterbessen en vruchten van meidoorn, vuurdoorn, hulst en hondsroos op het menu. Als die op zijn eten ze in de late winter ook wel appels, koolrapen, graan en zaden. In zeer barre tijden zoeken ze zelfs weekdieren langs de kust of in moerassen.
Kramsvogel in onze tuin

Limburgse appels: niet voor de Russen maar voor de kramsvogels
Een mooi verhaal over appeletende kramsvogels las ik op de site van Sovon vogelonderzoek. In januari 2015 kwamen meer dan 10.000 kramsvogels af op de appels in Zuid-Limburg die vanwege de Russische boycot niet geoogst waren. De Russen boycotten destijds Nederlands fruit als reactie op westerse boycotmaatregelen richting Rusland wegens spanningen in de Oekraïne. Veel fruittelers in plaatsen als Valkenburg, Sibbe, Eys en Margraten konden hun appels niet meer verkopen en lieten ze in de boomgaard achter. Die gift werd in dank aanvaard door de kramsvogels, die overigens waarschijnlijk vanuit Rusland naar ons land waren gekomen om te overwinteren. Dus misschien aten Russische vogels de appels die voor Russische consumenten bedoeld waren.
In mijn tuin zaten geen 10.000 kramsvogels, ik moest het doen met één exemplaar. Een geringde vogel, maar helaas kon ik de ringgegevens niet aflezen. Ik zal dus nooit weten of dit (ook) een Russische toerist was. In ieder geval is de sierappelboom inmiddels volledig kaal gegeten, dus voorlopig geen gasten meer voor de appeltjes.....
E-mailabonnees kunnen hier klikken om het filmpje van deze week te bekijken.


zaterdag 2 februari 2019

70.000 smienten en 1 geoorde fuut

Smient vrouw en man,
foto: Alpsdake via wikimedia.org
Wanneer het flink vriest en veel oppervlaktewater is bevroren, is het onze traditie om een rondje Reeuwijkse Plassen te lopen. Plas Broekvelden (in de volksmond: de surfplas) bij Reeuwijk is relatief diep ten opzichte van het water er omheen en blijft dus lang open. Tienduizenden vogels verzamelen zich dan hier op het water voor rust en voedsel. En deze dag waren dat er nòg meer dan anders. Vogelliefhebbers spraken ons aan en raakten niet uitgepraat waardoor ons rondje nog trager verliep dan anders en we het laatste stuk in het donker moesten afleggen. Vogelteller Kees gaf op waarneming.nl voor deze dag het fenomenale aantal van 70.000 smienten en wij denken dat het totale aantal vogels die dag de 100.000 wel eens kon naderen. Smienten zijn kleurige eenden (vooral de mannetjes dan) die nauwelijks in Nederland broeden, maar in de winter massaal ons land bezoeken, er zijn er dan ongeveer 1 miljoen. Dat is meer dan de helft van de Noordwest Europese populatie. De broedsuccessen van de soort in het hoge noorden lijken af te nemen, daarom staat de smient op de rode lijst als gevoelig. Dan is bescherming nodig. Maar aan de andere kant eten de smienten in de winter veel gras van de boeren. Tot het begin van deze eeuw werden om die reden jaarlijks 50.000 smienten afgeschoten. Inmiddels wordt dat gelukkig anders opgelost. Er zijn maar liefst 44 smientenopvanggebieden aangewezen in Nederland. En aan boeren wordt jaarlijks voor 600.000 euro aan landbouwschade uitgekeerd. Behalve door hun kleuren (de goudgele band op de kastanjekleurige kop van het mannetje is erg mooi), vallen ze ook op door hun fluitende geluid. Ze worden daarom ook wel fluiteenden genoemd.

Geoorde futen,
By Richard Crossley - The Crossley ID Guide Britain and Ireland,
CC BY-SA 3.0, https://commons.wikimedia.org
Tussen die tienduizenden smienten zijn we ook op zoek gegaan naar bijzonderheden. We zagen een vrouwtje van de brilduiker, die in het Engels heel treffend 'goldeneye' (gouden oog) worden genoemd. Er volgt nog een blog met meer informatie over deze soort. Ook een dodaars is een mooie waarneming, maar erg blij werden we van een geoorde fuut. In de winter zie je dat 'geoorde' er niet zo aan af, maar in de zomer heeft-ie prachtige gouden pluimen rond zijn knalrode oog. Het winterkleed is zwart/wit en tamelijk onopvallend. De soort is vrij schuw en moeilijk waar te nemen. In de zomer hebben we wel eens een paartje door de telescoop gezien in de Groene Jonker, een plas/dras gebied bij Nieuwkoop/Noorden. Dat is precies het soort water waar de geoorde fuut van houdt: ondiep met veel dekking om een drijfnest te bouwen op een verborgen plekje. Die voorzieningen worden in oostelijk Europa, waar de meeste geoorde futen leven, steeds minder, waardoor de geoorde futen 'onze' kant op komen. Er zijn nu in Nederland rond de 500 broedparen en de winterpopulatie wordt geschat op 1000-1500 geoorde fuutjes. Zelf voor fanatieke vogelaars is deze soort er één voor op het verlanglijstje. Op internet vond ik een lijst van 'de 400-topvogelaars-die-de-geoorde-fuut-in-Nederland-hebben-gezien'. Op bijgaande compositiefoto zie je de geoorde fuut in verschillende 'kleden'.

In de film van deze week, de tienduizenden vogels op de Reeuwijkse Plassen, en ook een paar korte shots van de geoorde fuut in winterkleed. E-mailabonnees, klik hier om het filmpje te bekijken.

zaterdag 26 januari 2019

Beloning voor vroege vogels

Direct na zonsopgang, Amsterdamse Waterleidingduinen
Vroeg opstaan loont, dat zagen we afgelopen zondag weer eens, toen we voor zonsopgang naar de Amsterdamse Waterleidingduinen vertrokken. Daar aangekomen begon de zon aan zijn dagelijkse reis langs de hemel en verlichtte het landschap met zijn gouden licht. In de lange schaduwen was de rijp en bevroren hagel ijzig blauw. Twee damherten ademden wolkjes waterdamp uit, die door het tegenlicht goudgeel kleurden. De eerste tien minuten in het gebied waren meteen een topper, zoals je in de film van deze week ziet. Even verderop konden we een tijd lang een torenvalkje observeren, die op haar gemak in de boom zat te spieden naar iets voedszaams, het verenkleed flink opgezet tegen de kou. In de jacht naar voedsel heeft de torenvalk vier 'wapens'. Allereerst het zeer scherpe zicht, prooien zoals een veldmuis kan de valk op 100 meter afstand zien. Heeft-ie eenmaal een prooi in het vizier, dan stoot de torenvalk naar beneden, vanuit de lucht - waar je 'm vaak ziet 'hangen' als de vogel 'bidt' - of vanaf een paaltje of boomtak, de zogenaamde valpaal.
Biddende torenvalk.
Foto: Andreas Trepte [CC BY-SA 2.5] 
Wikimedia Commons
Overigens is dat 'bidden' een rare term, die eigenlijk verkeerd is vertaald uit het Engels. Daar noemen ze dit gedrag 'preying' ofwel azen op een prooi (prey). Wie dat in Nederland ooit opgevat heeft als praying (bidden) is me niet duidelijk, maar de term 'bidden' is voor dit gedrag nu helemaal ingeburgerd. In mijn filmpje 'mistige dagen' kun je een biddende valk zien. Afijn, terug naar de vier wapens. Naast het scherpe zicht en de stootduik, zijn daar ook zijn scherpe snavel en klauwen. Een inkeping aan de snavel, de zogenaamde 'valkentand' zorgt ervoor dat er een hefboomwerking ontstaat. Pezen van slachtoffers worden daarmee in één keer doorgesneden. De klauwen, drie tenen naar voren en één naar achteren, vormen een klem waaruit geen enkele prooi kan ontsnappen. Maar dan moet er dus wel een prooi in het vizier zijn, en daar leek het deze morgen niet op. Verderop liepen we genietend verder door het bos, waar we nog een roodborstje tegenkwamen. Bekijk onze heerlijke wandeling in het filmpje van deze week (e-mailabonnees, klik hier).


Extra filmvertoningen van 'Struinen in Park Zegersloot'

De vertoningen van mijn film 'Struinen in Park Zegersloot' op 26 en 29 januari waren zo snel uitverkocht, dat Parkvilla Filmhuis heeft besloten de film ook te programmeren op zondag 3 februari om 13.30 uur en donderdag 7 februari om 15.30 uur. Nieuwe kansen dus, voor degenen die op de eerder geplande data niet konden komen of achter het net visten bij het kopen van kaartjes.

Kijk hier voor meer informatie.

zaterdag 19 januari 2019

Een glimp van de appelvink

Appelvink. Animatie door: Assianir - Own work,
CC BY 4.0, https://commons.wikimedia.org
Tijdens ons uitje op de Veluwe, begin januari, hebben we een paar leuke vogelwaarnemingen gedaan. Een zwerm spreeuwen was aan het eten in een wei waarin ook halfwilde paarden graasden. Sierlijk vlogen ze samen van voederplek naar voederplek om tussen de sprieten insecten te zoeken en misschien wel paardenpoep uit te pluizen om iets eetbaars te vinden. In de beukenbossen werd duidelijk dat het een mastjaar is: de beukennootjes zijn volop aanwezig in de bomen en op de grond. Vinken doen zich er te goed aan, zij scharrelen graag over de grond. Ze vertrouwen daarbij op hun schutkleur, hetgeen menige vink het leven heeft gekost. Niet omdat ze door een ander dier te grazen werden genomen, maar door voorbijrazende auto's. Daar helpt een schutkleur niet tegen. Hoger in de bomen deden we een voor ons, bewoners van het polderland, bijzondere waarneming. Een groepje appelvinken deed zich in de top van de beukenbomen te goed aan de beukennootjes. Met de verrekijker konden we de mooie kleuren en de kenmerkende zwarte kinvlek goed zien. Het is me zelfs gelukt om enkele filmbeelden van deze beweeglijke vogels te maken, maar niet zo mooi als de animatie bij dit blog die afkomstig is van wikimedia. Je zult appelvinken weinig op de grond zien, daar komen ze alleen om te drinken of soms om gevallen zaden op te peuzelen. 
Kersenpit, gespleten door appelvink
Appelvinken hebben een enorme snavel waarmee ze een drukkracht van 40-50 kg kunnen genereren. Kersenpitten splijten ze zonder problemen precies doormidden. Kersen zijn hun lievelingsvoedsel. Je kunt ze dus vooral vinden in bosrijke gebieden met veel wilde kersenbomen. Ze komen graag terug op plekken waarvan ze weten dat er voedsel te vinden is. Geschat wordt dat er zo'n 12.000 paartjes in ons land verblijven. Een grote groep overwintert hier, maar een deel trekt weg en daar komen noordelijke gasten voor in de plaats. In de trektijd passen nog een kleine 40.000 appelvinken ons land, volgens Sovon Vogelonderzoek. Door hun verborgen gedrag, hoog in de bomen laten ze zich moeilijk spotten. Hun zang is ook niet erg opvallend. Dat kun je beluisteren in de onlangs beschikbaar gemaakte online xeno-canto databank van vogelgeluiden. In deze databank zijn vogelgeluiden uit de hele wereld opgenomen.

In het filmpje van deze week zie je de spreeuwen en de appelvink, begeleid door een paar mooie wolkenluchten. E-mailabonnees kunnen hier klikken om het filmpje van deze week te bekijken.


zaterdag 12 januari 2019

De terugkeer van de oeros

Sayaguesa rund op de Veluwe
Na de drukke feestdagen gingen we even uitwaaien op de Veluwe. Tijdens een wandeling in Otterlo stuitten we op de heidevelden van Oud Reemst/Planken Wambuis op een kudde Sayaguesa runderen. Net als andere 'grote grazers', wordt dit Spaanse ras ingezet in Nederlandse natuurgebieden om gebieden open te houden, zodat deze niet vergrassen en langzaam bos worden door welige groei van struiken en bomen. Sayaguesa's zijn een bedreigde soort, waarvan nog slechts enkele honderden dieren over zijn. Ze komen oorspronkelijk uit de Spaanse provincie Zamora, daarom worden ze ook wel Zamorana's genoemd. Die provincie ligt tegen de Noord-Oostelijke grens van Portugal aan. Vanwege hun rustige karakter  werden ze vooral als last- en trekdier gebruikt, maar daar hebben we inmiddels machines voor. Het zijn flinke runderen; mannetjes kunnen tot 1100 kg wegen, vrouwtjes zijn met (maximaal) 700 kilo een stuk lichter. De schofthoogte van beide seksen ligt tussen 1,55 en 1,60 meter bij de volwassen dieren. De Veluwse kudde graast er al een jaar of 12 en bestaat uit ongeveer 65 dieren. Niet alleen door hun formaat, maar ook door de diepzwarte kleur zien de dieren er imposant uit. Toch zijn ze erg rustig van aard en zullen ze niet snel aanvallen. Gelukkig maar, want de hoorns steken vervaarlijk uit. De kalfjes worden met een schutkleur geboren, met hun lichtbruine vacht vallen ze minder op in het landschap. Tussen de 3e en 6e maand verkleurt hun vacht naar zwart, eventueel met bruinrode accenten.

Van Sayaguesa naar oerrund
Tekening door ARK Natuurontwikkeling

De sayaguesa runderen spelen een belangrijke rol in een ander project: het fokken van een oerrund, dat zo veel mogelijk overeenkomt met de kolossale oerossen die tot 1627 door Europa struinden. De oeros-stieren waren wel 1,85 meter hoog en hadden hoorns van een meter lengte. Daarmee hielden ze wolven en beren op afstand, schepten ze sneeuw weg en konden ze takken naar beneden halen om malse blaadjes te eten. Eerder waagden de gebroeders Heck al eens een poging om zo'n oerrund te fokken door de Spaanse vechtstier, het Corsicaanse bergrund, de Schotse hooglander en het Hongaars stepperund met elkaar te kruisen. Maar de Heckrunderen staan genetisch niet dicht genoeg bij het Europese oerrund. Wetenschappers zijn in staat geweest om de genetische code van het oerrund te ontrafelen uit fossiele resten en botten en vergeleken deze code met bestaande rassen. Door zelfredzame runderrassen als Maremmana, Maronesa, Sayaguesa, Limia en Tudanca met elkaar te kruisen, komt het resultaat steeds dichter bij de toekomstige oeros, die Tauros is genoemd. Hoewel de eerste resultaten van het fokprogramma veelbelovend zijn, kan het nog wel 20 jaar duren eer we een populatie oerrunderen hebben. Op de tekening van ARK Natuurontwikkeling kun je alvast een indruk krijgen van deze 'nieuwe' oeros. 

In het filmpje van deze week zie je de sayaguesas op de Veluwse heide, inclusief een bruin kalfje dat door de ouders goed wordt beschermd. E-mailabonnees kunnen hier klikken om het filmpje te bekijken.




zaterdag 5 januari 2019

Groene varentjes in grauwe dagen

Ontluikende varen
Na een lange hete zomer en een zonnige en droge herfst, laat de winter zich van zijn grauwe kant zien. Regen en een dik wolkendek; dat zijn mijn herinneringen aan december 2018. Aan het eind van de maand piepte er nog wel eens een zonnetje achter de wolken vandaan, en er was eindelijk even tijd om weer eens naar buiten te gaan. Zware wolken in tegenlicht zagen er tegelijk prachtig en onheilspellend uit boven het woeste land rond de Nieuwkoopse Plassen. Een groengeel blaadje wapperde eenzaam aan een tak en tussen de bomen versierden mos en enkele varentjes de bodem met plukjes groen. Ik ben bepaald geen pteridoloog (varenwetenschapper), maar toch wil ik vandaag iets vertellen over varens. Hun voortplanting door middel van sporen is best een ingewikkeld proces. Op de bladeren bevinden zich sporenhoopjes, afgedekt met een vliesje. In die hoopjes bevinden zich zo'n 60 sporendoosjes, die elk weer 60 sporen bevatten. Dat betekent dat in elk hoopje ongeveer 3600 sporen zitten. Varens zijn al meer dan 400 miljoen jaar op onze planeet te vinden. Voor zulke oude plantensoorten geldt het bloemetjes-en-bijtjes-verhaal niet, want in die tijd waren er nog geen bijen die konden bestuiven. Wanneer de sporendoosjes rijp zijn laten ze de sporen vrij. Sporen zijn zo klein als stofjes, leg er 200 naast elkaar en dan heb je een millimeter aan sporen. Varens laten de verspreiding ervan over aan wind en water. Zo'n spore kan overigens makkelijk duizend jaar wachten als de omstandigheden voor kieming niet goed genoeg zijn, want varens zijn best kieskeurig: er moet voldoende vocht zijn, een bepaalde temperatuur en hoeveelheid licht en ook nog de juiste grondsoort.
Sporenhoopjes op een eikvaren
Foto: Matthieu Gauvain - wikimedia
Wanneer ze dan na zo veel jaar bij verstoring aan de oppervlakte komen, kunnen ze zich alsnog ontwikkelen tot een volwassen plant. Maar eerst moet er dan nog van alles gebeuren. Uit zo'n spore komt namelijk niet meteen een minivaren. De echte bevruchting moet nog plaatsvinden. Daarvoor maakt de plant uit de spore een hartvormig blaadje met wortels, een zogenaamde gametophyte. Die gametophyte heeft twee orgaantjes die respectievelijk eicellen en zaadcellen produceren. De zaadcellen 'zwemmen' in vocht van regen of dauw naar de eicellen toe en na deze bevruchting kan de echte varen eindelijk gaan groeien. De varenvereniging heeft dat proces voor je uitgetekend, klik hier om de tekening te bekijken.

Ooit waren de varens voedsel voor dinosauriërs volgens wetenschappers. Tegenwoordig eten dieren nauwelijks meer varens omdat ze veel giftige stoffen bevatten. De sporen staan soms nog wel op het menu in de schrale winter. De sporen voegen dan eiwitten en vetten toe aan het dagelijkse dieet. In Korea en Japan eet men ingelegde jonge varenspruiten bij de rijst.

In het filmpje van deze week duiken eventjes varens op, e-mailabonnees kunnen hier klikken om het filmpje te bekijken. 


zaterdag 29 december 2018

Terugkijken & beste wensen



Bedankt voor jullie interesse in mijn blog in het afgelopen jaar. Ik hoop dat ik er in het nieuwe jaar weer vaak op uit kan trekken en mijn natuurervaringen met jullie kan delen door middel van mijn films en interessante weetjes. Ik wens je een goede jaarwisseling en het allerbeste voor 2019. 

Ter afsluiting van 2018 een video met fragmenten uit filmpjes die ik dit jaar heb gemaakt, met een knipoog naar het kleurschema RGB (rood, groen, blauw) dat de vele kleurschakeringen in digitale camera's en op beeldschermen produceert. Meer daarover kun je lezen op Wikipedia.

E-mailabonnees kunnen hier klikken om het filmpje te bekijken. 


Graag tot ziens in het nieuwe jaar, Monique