vrijdag 23 oktober 2026

Maak een plekje vrij voor klimop

Nu ik deze blog schrijf komt de regen met bakken uit de lucht en zwiepen de nog bebladerde bomen met de windvlagen heen en weer. Niet zo lang geleden konden we echter genieten van een heerlijk herfstzonnetje. In de tuin rook ik de zoete geur van heel veel nectar: het groeide letterlijk boven mijn hoofd in de vele bloemetjes van de klimop.

Klimop is in deze tijd een redding voor veel insecten.
Er zijn niet veel planten meer waar ze nectar of stuifmeel kunnen halen.

Er om heen zwermden insecten: honingbijen, zweefvliegen maar ook vliegen en mieren lieten zich dit suikerrijke sap en voedzame stuifmeel goed smaken. In de afgelopen droge zomer produceerden bloemen minder nectar; er was simpelweg niet genoeg vocht voor. De bijen maken nu een inhaalslag om voldoende honingvoorraad voor de winter te hebben. 

Klimop staat in de imkerij bekend om de allerhoogste drachtwaarde (5 voor nectar en 5 voor stuifmeel): dat betekent dat de productie per bloem en per plant als overvloedig wordt beschouwd. Een individueel bloemetje van de gewone klimop produceert gemiddeld zo'n 0,5 tot 1,5 microliter (µL) nectar per dag. Een honingbij heeft voor haar eigen energiebehoefte gemiddeld 22 tot 44 microliter (µL) nectar per dag nodig, dus met een stuk of 30 bloemetjes komt zo'n bij een heel eind. Zeker als je bedenkt dat er op één bloemhoofdje (de 'bollen' de je op de foto ziet) al tientallen bloemetjes staan. Geen wonder dat het een drukke bedoening is bij de plant!

Klimopbloemen

Een klimopbloem bloeit ongeveer 10 dagen. Nectar wordt gedurende zo'n 6 dagen actief geproduceerd (van de 2e tot de 7e dag van de bloei). De nectar bestaat voor ongeveer de helft uit suikers (hoofdzakelijk glucose, aangevuld met fructose en sucrose). Het wordt geproduceerd op het zogenaamde stijlkussen (bovenop het vruchtbeginsel). 

Nectar ligt als een 'plasje' op het stijlkussen

De aanmaak van nectar gaat door, zelfs nadat de bloemblaadjes en meeldraden al zijn afgevallen. Heel bijzonder is dat de bloem in deze tijd van het jaar - mits het niet te koud is - ook 's nachts nectar uitscheidt. Daar profiteren de herfst-actieve nachtvlinders van.

Honingbij op klimop

De meeldraden openen zich op de tweede en derde dag van de bloei. Het stuifmeel is rijkelijk beschikbaar tot ongeveer de 8e dag en heeft een zeer hoog stikstof- en eiwitgehalte. Dat is ideaal voor insecten om hun wintervetreserve op te bouwen. Voor de klimopzijdebij is het stuifmeel zelfs van levensbelang: de larven van deze gespecialiseerde wilde bijen eten uitsluitend het stuifmeel van de klimop. Hoewel dit bijtje vooral in de stedelijke omgeving leeft (waar klimop is aangeplant en het relatief warm is) zag ik het beestje jammergenoeg niet in mijn tuin.

Ook mieren en vliegen genieten van klimop

In een langlopend (sinds 2017) Engels onderzoek -UK Pollinator Monitoring Scheme (PoMS)- bleek onlangs de populariteit van klimop voor insecten weer eens. Vrijwilligers tellen elk jaar het bloembezoek door insecten op een aantal plantensoorten. Klimop staat op nummer 1, met gemiddeld 22 insecten per tien minuten, gevolgd door berenklauw met 20 insecten per tien minuten. De klimop in mijn tuin zou zeker boven die aantallen uitkomen. Bekijk mijn filmpje maar eens!


Om insecten te helpen is het dus prima om klimop in je tuin te planten. Het duurt echter gemiddeld zes tot tien jaar voordat een gewone klimopplant voor het eerst gaat bloeien. Als klimop uit zaad of als jonge plant opgroeit, gaat-ie eerst door jeugdfase (juveniele fase). Als een echte puber richt de plant al zijn energie op groeien, klimmen en het innemen van terrein. Pas in de volwassen fase (fertiele fase), ontstaan er bloemen. Je ziet dan dat de bladeren een andere vorm krijgen: ze worden gladder en meer ruitvormig en de stengels worden houtiger. De bloeikans is het hoogst als ze in de volle zon bovenin een boom of over de rand van een muur of schutting kunnen groeien. Of zoals bij mij over de pergola. 
Heb je minder plek of minder geduld, dan kun je een struikklimop nemen. Dat is een struik die is gestekt van de volwassen takken van een klimop. Deze variant klimt niet meer, blijft compact en bloeit direct vanaf het eerste jaar. Super voor de insecten!

woensdag 14 oktober 2026

Baltsende wilde eenden

Wilde eenden: vrouw (links), man in eclipskleed (onder)
en man in broedkleed (boven)

De wilde eenden waren een tijdje onzichtbaar en dat heeft een reden, want in de nazomer gaan eenden in de rui. In tegenstelling tot veel andere vogels verliezen eenden al hun slagpennen in één keer. Hierdoor kunnen ze de eerste twee tot vier weken niet vliegen. Op zo'n moment ga je dus als eend niet lekker rond showen in open water, want dan ben je de spreekwoordelijke 'sitting duck' (een gemakkelijk doelwit). In de ruitijd krijgen de mannetjes het zogenaamde eclipskleed, dat veel op dat van een vrouwtjeseend lijkt. Dat zorgt in deze hachelijke tijd voor betere camouflage. Maar je kunt de geslachten altijd herkennen aan de kleur van de snavel: geelgroenig bij de woerden (mannetjes) en oranje met bruine vlekken bij de vrouwtjes. 

Na de rui krijgen de mannetjes langzaam weer hun kleurrijke broedkleed terug, met de bekende groene kop, witte halsring en kastanjebruine borst. Dit proces kan nog 2 tot 3 weken duren. Wie de woerd beter bekijkt ziet dat de kopkleur kan verschillen van smaragdgroen tot paarsblauw metallic. De eend heeft geen pigmenten die deze kleuren veroorzaken, maar dit is een speling van het licht op kleine structuurtjes in de veren. Sommige kleuren uit het spectrum worden geabsorbeerd en andere weerkaatst en zo ontstaat een variabele kopkleur. Let maar eens op wanneer je welke kleur te zien krijgt als de eenden op een zonnige dag een rondje draaien in het water. Met helder licht zie je de effecten namelijk het best. 

Ik vroeg me af of de vrouwtjes wellicht een voorkeur voor een bepaalde kleur hebben, waardoor het mannetje zo manoeuvreert dat de juiste kleur in beeld komt. Uit onderzoeken blijkt dat dat niet het geval is. De vrouwtjes letten op de intensiteit van de glans en de flitseffecten/het wisselen van de kleuren. Dat is voor hen een teken van de fitheid van de potentiële partner. 


Vrouwtjes zijn sowieso aan zet bij de partnerkeuze. Het mannetje moet flink zijn best doen om zich 'in the picture' te spelen bij de vrouwtjes. Ik was hier onlangs getuige van, toen ik de eenden sinds lange tijd weer eens in het park zag.


De koppen van de woerden waren in topconditie en ik kon de verschillende kleurschakeringen goed onderscheiden. Om de vrouwtjes te imponeren zijn er twee typische gedragingen: kop en staart omhoog en de 'grunt-whistle' dat in het Nederlands meestal vertaald wordt met 'knor-fluit'. 

Kop en staart omhoog
Illustratie: CornellLab

Kop en staart omhoog: Hierbij trekt de woerd met een luid fluitsignaal zijn vleugels en staart omhoog, toont zijn paarsblauwe dekveren en maakt zijn lichaam compact. Dit is een snel gebaar, vaak uitgevoerd door mannetjes in een groep om indruk te maken op het vrouwtje.

Knor-fluit (Grunt-whistle)
Illustratie: CornellLab
Knor-fluit: Dit is een één seconde durende vertoning waarbij het mannetje uit het water omhoogkomt, zijn kop optilt en een opvallend fluitend geluid laat horen, gevolgd door een grommend geluid terwijl hij terugkeert naar zijn normale houding. Dit wordt vaak uitgevoerd door groepen mannetjes om indruk te maken op de vrouwtjes.

Als het vrouwtje een mannetje wel ziet zitten komen ze in een volgende fase van de balts, die gepaard gaat met knikken. Tegen die tijd zit het wel snor tussen die twee. Maar de meeste eenden zijn nu nog niet zo ver.

Knikken
Illustratie: CornellLab

Bekijk in het filmpje het baltsgedrag (zie je het knor-fluit en ook een snelle kop-en-staart-omhoog?) en de verschillende kopkleuren van de woerden - met een ontbijtende blauwe reiger als intermezzo. Maar ga ook vooral op pad om het allemaal zelf de bekijken tijdens de komende zonnige dagen. Geniet ervan en laat me in de reacties even weten als je baltsende wilde eenden hebt gezien!


Wil je meer weten over wilde eenden? Via deze link kun je al mijn blogs over deze eenden lezen. 

zaterdag 10 oktober 2026

Een orchidee op elke straathoek

Na 10 jaar noeste arbeid - van het zoeken van informatie tot het bestuderen en fotograferen van zowat ieder detail van elke Nederlandse orchidee - hebben vier auteurs een standaardwerk opgehoest: Orchideeën in Nederland. Ik had het boek in augustus meteen besteld toen ik er over las in de KNNV-nieuwsbrief en op 19 september was het zo ver. De bezorger bracht mij 3,5 kilo orchideeëninformatie op bijna 900 pagina's. Ik sloeg het boek op een willekeurige pagina open en zag dit plaatje:

Bron: Orchideeën in Nederland
(Meijerink, Hartgers, Engels, Muusse 2026)

Ik kreeg meteen kortsluiting in mijn hersens: bestaat er in Nederland een orchidee die zo wijdverspreid is? En ja, dat is dus zo, maar daarover later meer.

Eerst maar eens een paar andere getallen uit het boek, die zelfs voor mij als orchideeënliefhebber een eyeopener waren. Dat we het in Europa met ongeveer 300 soorten moeten doen, was me wel bekend. En daar komt misschien uit voort dat we (in ieder geval ik) orchideeën als iets heel zeldzaams zien. Maar wereldwijd zijn er meer dan 29.000 soorten orchideeën. Azië en Zuid-Amerika zijn de koplopers met ieder meer dan 10.000 soorten. 

Orchidee, gezien tijdens een reis in Ecuador
De bloem lijkt op het gezicht van een aapje

Met deze aantallen vormen de orchideeën de tweede grootste plantenfamilie op aarde. Alleen de composieten (waar bijvoorbeeld het madeliefje en de paardenbloem bij horen) zijn talrijker, met 32.000 soorten. De grassen staan op de vijfde plek met 11.000 soorten. Dat er minder soorten zijn, zegt echter niks over de verspreiding, want de grassen zijn alom tegenwoordig. Maar dat is meer van hetzelfde dus. 

De grote verscheidenheid aan de orchideeën is 'pas' in de laatste 5 miljoen jaar ontstaan. Hun historie gaat echter terug tot de tijd van de dinosauriërs - 120 miljoen jaar geleden. Dat is sowieso een tijd waar ik graag eens een kijkje had willen nemen, en nu helemaal :). 
De orchideeën zagen er toen overigens anders uit: ze hadden drie buitenste en drie binnenste bloemblaadjes. Ze hadden nog niet de voor orchideeën kenmerkende lip. 

Afijn, terug naar het verspreidingsplaatje dus. Die landelijke verspreiding betreft de brede wespenorchis, de meest algemeen voorkomende orchidee in Nederland. Het is een forse plant, die je niet snel over het hoofd ziet, maar ik had 'm nooit eerder opgemerkt.

Brede wespenorchis
Foto: Cbaile19 - Own work, CC0,
https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=119835538

Er staan allerlei foto's van groeiplaatsen in het boek: bermen, plantsoenen, boomspiegels en ze piepen zelfs boven lage heggetjes uit. Ik ging op waarneming.nl eens kijken waar deze soort in mijn woonplaats te vinden was. Deze zomer werd de orchidee gerapporteerd in twee tuinen, een brandgang en tussen het grind op een industrieterrein. Daar kon ik ze nu niet meer vinden, maar in het Bentwoud zagen we nog een bloemstengel met de kenmerkende bladeren die zo'n beetje aan het eind van zijn latijn was. De brede wespenorchis bloeit van midden juni tot het begin van de herfst, dus met een beetje geluk hadden we een bloeiend exemplaar kunnen vinden. Maar dat zal moeten wachten tot volgend jaar....
In de winter kun je nog de verdroogde aren met de zaden tegenkomen, dus het heeft wel zin om eens goed rond te kijken om deze soort op het spoor te komen. 

Brede wespenorchis in oktober

Bovenop de bloeiaar zag ik een wit bolletje. Voor zover ik heb kunnen nagaan is dat een eizakje van een spin. Vooral kruisspinnen en kogelspinnen maken zo'n zakje van honderden dicht op elkaar geweven spinnendraden. Hierin kunnen de eitjes hoog en droog de winter overleven. 

Eizakje van een spin

Op zo'n stengel kunnen wel 40 bloemen in bloei komen. Ze worden vooral - maar niet uitsluitend -  bestoven door wespen. De meeste orchideeën maken geen nectar aan, maar maken gebruik van andere trucjes om bestuivers te lokken, zoals ik in dit blogje over de bijenorchis schreef. De brede wespenorchis is een van de uitzonderingen, de wespen komen af op de nectar in de plant. 

Foto: Milanaranim - Own work, CC BY-SA 4.0,
https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=138185245

Maar die orchideeën blijven aparte 'verleiders', want uit een onderzoek naar de chemische samenstelling van de nectar blijkt dat er narcotische stoffen in zitten. Oxycodon (een morfineachtige pijnstiller) en ethanol (dit zit onder andere in drinkbare alcohol) zorgen dat het insect versuft en sloom wordt. Hierdoor blijven ze langer op de plant en is er dus meer kans op bestuiving.

Om de wespen überhaupt richting de plant te krijgen gebruikt de orchidee nog meer chemische trucjes. De brede wespenorchis zendt een signaalstof uit dat rupsen de plant aanvreten (ook al is dit niet het geval). Wespen komen hier op af omdat ze denken dat er wat te snacken valt. Daarmee komen ze bedrogen uit, maar krijgen als troost de licht verdovende nectar.

Orchideeën blijven een fascinerende plantengroep. Het nadeel van werken in het onderwijs is dat je gebonden bent aan de schoolvakanties. Vrij nemen in de bloeitijd van de orchideeën was nooit een optie. Juni is de maand van afstudeerverdedigingen, de laatste toetsen en de voorbereiding voor het nieuwe schooljaar. Mijn eerste goede voornemen voor na mijn pensioen is om in juni op vakantie te gaan om orchideeën te zoeken en bestuderen. Hopelijk is het in 2027 zo ver. Dan gaat mijn nieuw orchideeënboek zeker mee!








woensdag 7 oktober 2026

Ballooning: spinnetjes op reis

Aan de warme en zonnige oktoberdagen komt (voorlopig) een eind, maar maandag was het gouden licht een reden om in alle vroegte te gaan filmen. De bladeren kleurden rood en goud en toen de zon boven de huizen steeg werden tussen de bomen Jakobsladders zichtbaar.  

Jakobsladders, ook wel zonneharpen genaamd

Tijdens het filmen vielen me de vele spinnendraden op. Ragfijn bewogen ze zachtjes op elk zuchtje wind en de zon maakte er gouddraad van. Al die zogenaamde herfstdraden betekenen dat spinnen op reis zijn gegaan. De pasgeboren spinnetjes klimmen naar een hoog punt en steken hun achterlijf in de lucht. Met hun spintepel spinnen ze een lange draad en als de wind die oppikt, zweeft het spinnetje weg. Ze kunnen tot 4 kilometer hoogte opstijgen en soms duizenden kilometers ver reizen. Dit wordt ook wel 'ballooning' genoemd. Als het spinnetje landt of strandt, blijven de draden aan bomen en struiken kleven. 

Spinnendraad (links tussen de bladeren)

Niet alleen jonge spinnetjes willen zich verspreiden. Ook volwassen mannetjesspinnen verlaten in de herfst hun vaste web, op zoek naar een vrouwtje. Tijdens het lopen trekken ze continue een 'veiligheidslijn' achter zich aan om niet te vallen of weg te waaien. Dit zorgt voor veel losse draden, zoals hieronder in het gras. Dit was dus een heel druk 'spinnenwandelpad' :). Die draden vallen meestal niet zo op, maar als er dauw op het gras en de draden ligt, zorgt dit voor een letterlijk schitterende weerspiegeling. 

Spinnendraden in het gras

In principe kunnen jongen van bijna alle spinnensoorten 'balloonen', maar dit wordt het meest gedaan door hangmatspinnen, wolfspinnen, krabspinnen en kruisspinnen. Hangmatspinnen zijn maar een paar millimeter groot, van die soort gaan niet alleen de jonge spinnetjes de lucht in, maar ook de volwassen spinnen zijn licht genoeg om te balloonen. Wolfspinnen maken geen vangwebben, maar jagen op de grond. Moeder draagt het eicocon en later de jongen op haar rug. Als die kleintjes groot genoeg zijn om op eigen benen te staan, balloonen ze weg om hun eigen jachtgebied te claimen. Krabspinnetjes gaan grondig te werk: ze steken eerst hun pootjes in de lucht om te voelen of de temperatuur en windsnelheid precies goed zijn voordat ze hun spindraad afschieten. 
In je tuin hangen vast wel een paar wielwebben van kruisspinnen. Als je de dikke eigenaars van zo'n web ziet, begrijp je al snel dat deze niet meer kunnen vliegen aan een draadje. Ze zijn te zwaar. Maar hun piepkleine nageslacht laat zich graag meedrijven op de wind.

Wielweb van een kruisspin (de spin is even niet thuis :))

Wat doen de spinnetjes als het windstil is? Blijven ze dan noodgedwongen op hun plek? Nee, dan treedt plan B in werking. Wetenschappers van de Universiteit van Bristol hebben ontdekt dat ballooning niet alleen een kwestie is van meewaaien, maar dat spinnen een soort elektrostatische raketjes zijn die zichzelf kunnen lanceren. Dat klinkt wonderlijk en dat is het ook.

De atmosfeer van de aarde heeft een continu elektrisch veld: de aarde zelf is negatief geladen en de lucht erboven positief. Spinnen nemen die elektrische spanning waar met superkleine zintuigharen op hun pootjes. Als er genoeg spanning is, gaan die haartjes overeind staan. Zo weet de spin dat de omstandigheden om te vertrekken optimaal zijn. 

Ik was geen held in natuurkunde op de middelbare school, maar van magneten heb ik onthouden dat gelijke polen/ladingen elkaar afstoten en ik verbaasde me altijd over de kracht die daarmee gepaard ging. Dat principe is hier ook van toepassing. De spin schiet een draad af en deze krijgt een negatieve lading. Omdat de aarde en de plant ook negatief geladen zijn, wordt de draad met kracht weggeduwd door de negatieve aarde en tegelijkertijd aangetrokken door de positief geladen hogere luchtlagen. Deze elektrostatische opwaartse kracht is sterk genoeg om het kleine spinnetje direct de lucht in te hijsen, zelfs als het windstil is!

Bekijk de spinnendraden, maar vooral ook de prachtige herfstkleuren en Jakobladders in het filmpje op YouTube. Zet de instellingen op 4K voor het beste resultaat.


Ben je een nieuwe abonnee? Dan hierbij de tip om in de mail op de titel van mijn blog te klikken. Dan kun je mijn blog lezen op mijn eigen website zonder reclame. Vergeet niet je aanmelding te bevestigen via de link in de ontvangstmail (als je dat nog niet gedaan hebt). 

woensdag 30 september 2026

Inktzwammen: geschubd of niet geschubd

Paddenstoelen verschijnen langs de paden

De paddenstoelen zijn weer uit de grond geschoten. In het park zag ik langs de paden veel (straat)champignons en geschubde inktzwammen. Ik ging elke dag even kijken en kon op die manier goed zien hoe de inktzwammen zich ontwikkelden. Die verandering gaat razendsnel: tussen het opkomen van de paddenstoel en het volledig vergaan zit vaak niet meer dan 24 tot 48 uur. De inktzwam doet aan 'zelfvertering' of wel vervloeiing, hij heeft zijn eigen afbraak volledig in de hand! En dat doet-ie niet voor zijn lol, maar om te zorgen voor verspreiding van de sporen. 

Geschubde inktzwam piept boven de aarde uit

Bij de meeste paddenstoelen staat de hoed horizontaal (wijd) open, zodat de sporen uit de lamellen naar beneden kunnen vallen om door de wind verplaatst te worden. Bij een smalle, hoge paddenstoel als de inktzwam is dat een stuk moeilijker. De lamellen staan zo dicht op elkaar dat de sporen vast komen te zitten als ze naar beneden vallen. 

De geschubde inktzwam richt zich verder op

De sporen aan de onderste rand van de hoed rijpen als eerste. Zodra ze rijp zijn, worden deze door de wind verspreid. Als dat is gebeurd treedt er een bijzonder proces in werking: de cellen van de lamellen die hun sporen hebben afgegeven produceren een enzym dat hun eigen weefsel letterlijk vloeibaar maakt. 

De sporen aan de onderrand rijpen als eerste

Door het enzym lossen de gebruikte lamellendelen op in een dikke, zwarte vloeistof: de 'inkt'. Doordat de onderste rand van de hoed wegsmelt en als zwarte druppels naar beneden valt, krult de resterende hoedrand iets naar buiten. Hierdoor komt de volgende rij met rijpe sporen bloot te liggen voor verspreiding door de wind.

De hoed vervloeit en krult naar buiten

Hoewel het lijkt of alle sporen in de inkt verdrinken, blijkt uit onderzoek dat het grootste deel van de sporen vlak voor het smelten via de wind ontsnapt. De sporen die wel in de zwarte druppels op de grond belanden blijven plakken aan de poten van dieren. En als die weggelekte inkt opdroogt, gaan deze sporen alsnog 'op de wind'.


De paddenstoel leeft van dood plantaardig materiaal, maar is tegelijk ook een vleeseter. De geschubde inktzwam kan rondwormen vangen met doornige uitsteeksels op kleine, ronde structuren die onder de grond op het mycelium (de zwamvlok) zitten. De uitsteeksels scheiden een toxine af, waardoor de rondworm zich niet meer kan bewegen. Vervolgens wordt de rondworm overgroeid met schimmeldraden en binnen enkele dagen verteerd. Dit doen de inktzwammen vooral op plekken waar minder stikstof voorhanden is. Met het 'vlees', vullen ze hun dieet aan. Hoe bijzonder is dat!

De schubben op de hoed ontstaan door het openbreken van het velum (het vlies dat de jonge paddenstoel helemaal omhult). Door de snelle groei van de paddenstoel krullen de velumresten bij het openbreken. Het dikke velum werkt als een isolerend jasje dat de paddenstoel beschermt tegen uitdroging en kou.
Ik vroeg mij af waarom de kale inktzwam dan zonder bescherming kan, want beide paddenstoelen groeien min of meer in dezelfde gebieden.

Kale inktzwam

Het velum van de kale inktzwam is veel dunner dan dat van zijn geschubde broer en het slijt door regen snel weg. Waar de geschubde inktzwam een kwetsbare hoedhuid heeft, die door het mollige velum beschermd moet worden, heeft de kale inktzwam een veel compactere hoedhuid. Die 'huid' is voldoende sterk om het onderliggende weefsel te beschermen, waardoor de kale inktzwam geen extra 'jas' nodig heeft. Er gaat weinig vocht verloren omdat de schubben niet openstaan en regen druipt er snel langsaf. Als dat water in de grond komt kan de zwam het snel opnemen. Tenslotte staan de kale inktzwammen knusjes in groepjes bij elkaar. Zo'n bundel biedt bescherming tegen wind en zon. De buitenste paddenstoelen zijn de pineut, maar de zwammen binnenin profiteren van een vochtig microklimaat. 

Kale inktzwammen groeien in bundels
en creëren hun eigen microklimaat

Veel paddenstoelenplezier de komende weken!

zaterdag 19 september 2026

Waarom hebben loofbomen zoveel verschillende bladvormen?


Een slinger met verschillende bladvormen

Nu sommige bladeren beginnen te verkleuren komen ze wat meer in de belangstelling te staan en zo vroeg ik me af waarom loofbomen zoveel verschillende bladvormen hebben. Het lijkt me niks van doen te hebben met herkenning, want bomen kunnen niet op stap gaan om een collega-eik of beuk te zoeken. Maar helemaal toevallig zal het niet zijn, want vrijwel alles in de natuur heeft een functie. Zo blijkt dat ook te zijn voor het boomloof: de bladeren hebben zich door evolutie aangepast aan hun specifieke leefomgeving en omstandigheden. 

De belangrijkste redenen voor de verschillende bladvormen hebben te maken met vijf aspecten: licht, temperatuur, water, vraat en wind.

Elke boomsoort zijn eigen bladvorm

Brede bladeren vangen veel zonlicht op en vergemakkelijken daarmee de fotosynthese, waarmee voedsel gemaakt wordt door de boom. Maar grote bladeren kunnen daardoor ook snel warm worden in de zon. Inkepingen in het blad zorgen dat er wind over het blad kan waaien zodat de boom toch koel blijft. Een ander nadeel van een groot blad is dat er veel water verdampt via de bladeren. Op droge of winderige plaatsen zul je dus eerder bomen of struiken met kleine of smalle bladeren vinden. Vreemde vormen, stekelige randen en harde structuren maken het voor rupsen en andere insecten lastiger om het blad op te peuzelen. In koude en winderige gebieden hebben veel boomsoorten diep ingesneden bladeren. Die inkepingen laten wind en sneeuw passeren zodat de boomtakken niet afbreken. 

Brede bladeren hebben voor- en nadelen

De esdoorn (in het midden op de tekening met de vijf bladeren) heeft een vrij specifieke bladvorm met zijn puntige bladeren en diepe inkepingen. Dat zijn twee heel bepalende factoren voor de esdoorn. De diepe inkepingen zorgen er voor dat de wind makkelijk langs het blad kan waaien om de grote bladeren te koelen en om te voorkomen dat de boom zoveel wind vangt dat takken afbreken. Het is ook een besparing van energie en voedingsstoffen voor de boom, want in de inkepingen hoeft de boom geen bladweefsel aan te maken. 
Door de uitstekende punten blijft er toch een flink oppervlak over om zonlicht op te vangen voor fotosynthese. Langs de inkepingen valt er ook op bladeren die lager aan de boom zitten nog voldoende zonlicht om te overleven, dat dan weer opgevangen wordt door de punten :). Zo is de cirkel rond.

Esdoornbladeren met punten en inkepingen

De lijsterbes heeft een totaal andere bladvorm: samengestelde bladeren, die bestaan uit meerdere kleine deelblaadjes aan één steel. Ook deze specifieke bladvorm biedt de boom een aantal slimme biologische voordelen.

In plaats van veel energie te steken in het maken van zware, houten zijtakken, gebruikt de lijsterbes de bladsteel als tijdelijke tak. In de herfst laat de boom de hele steel vallen. De lijsterbes groeit vaak op open plekken, bosranden en in schrale omstandigheden waar het hard kan waaien. De openingen tussen de kleine deelblaadjes laten de wind er gemakkelijk doorheen waaien. Hierdoor scheuren de bladeren niet en vangt de boom minder wind. De kleine blaadjes kunnen flexibel meebewegen met het licht. Omdat ze zo fijn van structuur zijn, koelen ze door de wind ook heel snel af. Dit voorkomt dat de bladeren verbranden als ze in de volle zon staan. Door de fijne structuur en de puntige vorm van de deelblaadjes blijft regenwater er niet lang op liggen. Dit verkleint de kans op schimmels en ziektes.

Lijsterbes met samengestelde bladeren

Met deze kennis in je achterhoofd kun je eens letten op de bladvorm en hoe deze past bij de standplaats van de boom. Dat is vooral interessant bij bomen die op een natuurlijke manier op hun plek terecht zijn gekomen. Maar ook bij de bomen die je in een stadspark tegenkomt kun je deze informatie gebruiken. Die parkbomen zijn daar vaak min of meer willekeurig aangeplant om voor een gevarieerde begroeiing te zorgen. Als je let op de leefomstandigheden in het park, kun je dan zien welke bomen daar thuishoren en welke bomen eigenlijk ergens anders zouden moeten staan? 

Als uitsmijter nog een laatste plant, die wel hoog kan worden maar geen stam heeft: de wilde wingerd is een klimplant met een handvormig samengesteld blad. De bladvorm van deze plant is volledig aangepast aan oppervlakken zoals muren, bomen en schuttingen. Omdat de wilde wingerd verticaal omhoog groeit, moeten de bladeren plat tegen de muur of boomstam liggen. De bladvorm zorgt ervoor dat de bladeren als mozaïek perfect langs en over elkaar heen vallen. Hierdoor vangen ze vrijwel elk straaltje zonlicht op zonder elkaar te veel in de schaduw te zetten. De bladeren vormen samen een dicht, gelaagd groen scherm (en in de herfst prachtige rode, roze of oranje kleuren!). In de zomer houdt deze bladerdichtheid de felle zon tegen, wat de boom of muur erachter koel houdt. 

Wilde wingerd

De openingen tussen de deelblaadjes zorgen er tegelijkertijd voor dat de wind warmte en vocht efficiënt kan afvoeren, zodat de plant zelf niet oververhit raakt op een hete stenen muur. Voor een klimplant die afhankelijk is van kleine zuignapjes of hechtstengels om overeind te blijven, is gewicht en wind een grote vijand. Door het blad op te delen in losse blaadjes, kan de wind er makkelijker doorheen waaien. Dit voorkomt dat stormen de hele plant van de muur lostrekken. 
De deelblaadjes hebben scherpe, gezaagde randen en lopen uit in een fijne punt. Dit werkt als een natuurlijk afvoergootje. De bladeren worden niet te zwaar door regenwater en het verkleint de kans op schimmelvorming als de bladeren op elkaar liggen. 

Machtig mooi hoe deze aanpassingen allemaal zijn ontstaan. Voor je eigen veldonderzoek geef ik je mijn ezelsbruggetje mee: LIWIWATEM (licht, wind, water, temperatuur). Dat zijn de dingen waar je op moet letten als je de herfstbladeren vanaf nu - hopelijk met extra interesse - bekijkt!




maandag 14 september 2026

Hoe gaat het met de huismussen in Nederland?

Met de titel bedoel ik vogels en niet de mensen die met een kop chocolademelk wegzakken in een gemakkelijke stoel nu de herfst nadert :). In 2016 schreef ik een Ode aan de mus, de tsjilpers die mij in groepen opvrolijken op donkere dagen. Kort geleden zat er nog eens een kluitje jonge mussen in onze tuin. Superleuk, maar ik had die mussen ook lange tijd gemist. Ik vroeg me af hoe het eigenlijk gaat met de huismussen in ons land. 

Jonge mussen in de avondzon in onze tuin

Sinds twee jaar doe ik in mijn wijk de MUS-telling van Sovon. Dat MUS staat voor Meetnet Urbane Soorten, dus het slaat niet direct op de mus als vogel. Maar binnen zo'n MUS-telling kun je wel mussen tellen, als je begrijpt wat ik bedoel... In de lente moet ik op twaalf door de computer aangewezen vaste punten in mijn postcodegebied alle vogels tellen. Op ieder punt precies vijf minuten; dat wordt getimed in een handige app waar ik ook de soorten en aantallen kan invoeren. Ik moet dit in totaal drie keer per voorjaar doen, twee keer in de vroege ochtend en één keer 's avonds. Het tijdbeslag valt dus mee, en als je de stadsvogels en hun geluiden een beetje kent is het prima te doen. Heb je zin om mee te doen, kijk dan even op de Sovonsite via bovengenoemde link of jouw postcodegebied nog een teller nodig heeft. 

Afijn, ik besloot eens te kijken hoeveel mussen ik geteld heb in mijn wijk tijdens die tellingen. Globaal herinner ik me dat ik huismussen erg weinig tegenkwam en slechts bij twee van de twaalf telpunten.

Weinig mussen tijdens de MUS-tellingen

In 2025 heb ik tijdens drie metingen totaal 9 huismussen geteld (respectievelijk 0, 6 en 3 in de verschillende tellingen), in 2026 telde ik er 8 (respectievelijk 1, 7 en 0). In onze tuin zagen we eind augustus op één avond 20 mussen, die gezellig in de klimroos zaten te zonnen en te poetsen. Dat is dus meer dan het totaal van die zes tellingen in twee jaar! 

Een deel van die twintig mussen in de klimroos

Sovon gebruikt de gegevens van alle MUS-tellers onder andere om trendgegevens te achterhalen: gaan vogelsoorten in aantal en verspreiding vooruit of achteruit. 2024 was het jaar van de huismus en daarvoor heeft Sovon in 2023 een voorstudie gepubliceerd. Daaraan heb ik dus nog geen steentje bijgedragen, want toen was ik nog niet gestart met tellen. Maar het kan mijn wijkcijfers wel in perspectief plaatsen. Gaat het overal zo slecht met de huismus?

In de samenvatting van het rapport lees ik meteen het goede en het slechte nieuws:
"De Huismus (Passer domesticus) is met een landelijke broedpopulatie van naar schatting 600.000 tot 1 miljoen paren een van de talrijkste broedvogels in Nederland en komt in bijna het hele land voor. Toch is de Huismus sinds 1980 met meer dan 60% afgenomen. Ook op Europees niveau is in de periode 1980-2021 de broedpopulatie van de Huismus met 64% afgenomen" (Reinartz R., Roodbergen M., Alefs P., Schoppers J., Wortel M. 2023. Voorstudie Jaar van de Huismus. Sovon-rapport 2023/74. Sovon Vogelonderzoek Nederland, Nijmegen). 

De mus is de meest voorkomende broedvogel in Nederland, maar verderop in het rapport lees ik dat dit ook komt omdat de merelaantallen sterk achteruit zijn gegaan door besmettingen met het usutuvirus. Dus de mus ging niet vooruit, maar de merel als voormalige nummer 1 ging achteruit, en zo schoof de mus een plaatsje op in de rangorde. 

Als ik kijk naar de trends per provincie dan komt mijn provincie Zuid-Holland er niet goed af, het aantal mussen is hier op de lange termijn afgenomen. Het goede nieuws is dat er een stijging te zien is in Drenthe en Noord-Holland. Voor de korte termijn is de mussenpopulatie in de meeste provincies stabiel.


Maar hoe kunnen we de trend keren en zorgen voor meer mussen? Dan moeten we eerst kijken naar de oorzaken van de afname. Minder groen in de steden leidt tot minder voedsel en minder schuilmogelijkheden. Onze huizen worden 'dichtgespijkerd' om te isoleren en hiermee verdwijnt er nestgelegenheid voor de musjes, die het liefst broeden in gaten en holen onder dakpannen. Pesticidegebruik in achtertuinen betekent dat de musjes vergiftigd worden als ze plantenzaden eten of insecten verschalken die stuifmeel en nectar van bespoten planten hebben opgepikt. 
Sperwers en huiskatten pakken regelmatig een huismusje en dat doet ook geen goed. Tenslotte zijn er meer parasieten en ziekteverwekkers waar de musjes onder lijden.

Op het platteland zijn er ook verschillende redenen waarom de mussen minder te eten hebben: de omschakeling van graan naar maïs, het verlies van stoppelvelden, het gebruik van herbiciden en efficiënter oogsten. Dat leidt deels tot minder verspilling, maar de mussen kunnen geen 'graantje meer meepikken'. 

Poetsende mus in mijn onbespoten tuin vol met zaden
van planten en aangewaaid 'onkruid'

Wat kun je zelf doen om mussen te helpen? 

Zorg voor een groene tuin, met weinig verharding. Plant zoveel mogelijk onbespoten inheemse planten die zaden produceren voor de mussen. In het voorjaar hebben mussen insecten nodig voor hun jongen. Die inheemse planten bloeien dan en trekken insecten aan voor de bestuiving. Primadeluxe voor de mussen dus. 
Geef de paardenbloemen in je gazon een kans, mussen zijn dol op de zaden! Een open plekje met zanderige bodem is ideaal voor een mussenzandbad. Hiermee kunnen ze parasieten te lijf gaan en letterlijk van zich afschudden. En heb je een kat? Bind die dan een belletje aan zodat de musjes tijdig gealarmeerd worden en kunnen vluchten.

Om het gebrek aan nestgelegenheid op te lossen kun je mussenkasten ophangen. Mussen zijn koloniebroeders, dus mussenkasten combineren meerdere 'woningen'. Ik heb er één met drie kastjes-in-een. Daar broedt meestal één koolmezenpaartje in. Een paar straten van ons huis zijn namelijk woningen waar de mussen onder de dakpannen kunnen broeden. Dat vinden ze nog net een stukje fijner. 

Kijk zo voor de winter nog eens kritisch naar je tuin. Het is nu een goed moment om nieuwe bloemen en struiken te planten. Hopelijk heb je met een paar aanpassingen volgend jaar ook twintig mussen in je tuin. En woon je in mijn postcodegebied, dan ga ik volgend jaar jouw mussen meetellen!

vrijdag 11 september 2026

De sterke vezels van de brandnetel

Na een maaibeurt groeien de brandnetels al weer

Ik slenterde mijn middagwandelingetje in het park, vergezeld door een mild septemberzonnetje en dito briesje. Het viel me op hoe snel de brandnetels weer waren opgekomen na de maaibeurt in juli. De planten stonden op het punt om te gaan bloeien. Als je in detail wilt weten hoe dat er uit ziet, klik dan vooral op de link hierboven, want ik heb de plant vorig jaar onder het binoculair gelegd. Dan kun je ook die 'naalden' goed zien, die het jeukende stofje in je huid prikken. 

Brandnetel in de knop

Thuis gekomen zocht ik nog eens wat informatie op over de brandnetel, want er is altijd iets nieuws te leren over de natuur. Zo las ik op de site van het Hunebedcentrum dat brandnetels al sinds de prehistorie door mensen gebruikt worden. Het waren feitelijk de eerste Tupperwaredoosjes, want door boter, vlees en vis in brandnetelbladeren te wikkelen, werd de bacteriegroei geremd. Hierdoor was het eten langer houdbaar. Brandnetels zijn ook al duizenden jaren populair als geneesmiddel. Het zijn vitaminebommetjes en bevatten tal van andere stoffen: flavonoiden, vetten, koolhydraten, magnesium, kalium, ijzer, kiezelzuur, eiwitten en vitamines A, C, E. In de zaden zit ongeveer 30 % vette olie, slijmstoffen, carotenoiden en veel vitamine E. Op bovengenoemde site kun je via de link lezen waar deze plant allemaal goed voor is. 

We maken in het voorjaar vaak soep van de brandneteltopjes om te profiteren van de vele vitaminen in de plant. We (nou, voornamelijk mijn man hahaha) plukken met handschoenen op een plek waar geen honden komen. Daarna moet je de oogst uitschudden en goed wassen, even wokken en vervolgens bouillon erbij. Kook het nog even een paar minuutjes door en maak er met de staafmixer een gladde soep van. Het is een heerlijk hartig gerecht, dat zich ook goed laat invriezen voor de winter. Naarmate de planten groeien komt er meer kiezelzuur in, dan kun je de brandnetels beter niet meer gebruiken om te eten. 

Brandnetelveldje

In tijden dat er door mensen nog geen planten werden verbouwd om kleding van te maken (zoals vlas of katoen), was de brandnetel ook een uitkomst. De vezels van brandnetel werden zo'n 3000-4000 jaar geleden (in de Bronstijd) al gebruikt om kleding te maken. Voor textiel is de grote brandnetel het meest geschikt door de langere vezels. Brandnetel kan op dezelfde manier als vlas tot touw of stof worden verwerkt. De stof van brandnetels wordt neteldoek genoemd. 

Ik was benieuwd hoe dit in zijn werk ging. Op diverse sites en ook op YouTube kun je informatie en filmpjes vinden hoe je de vezels van brandnetels kunt isoleren van de harde kern en er vervolgens touw van kun draaien (dit heet twijnen). Ik besloot dat zelf eens te proberen en begaf me naar een brandnetelveldje in het park. Je hebt zo lang mogelijke stengels nodig, want hoe langer de vezel, hoe mooier je touw. De die-hards plukken brandnetel met blote handen (er zijn trucjes om minder last te hebben van de brandharen), maar ik ging op pad met dikke tuinhandschoenen en een snoeischaar. Ik ritste ter plekke de bladeren van de netels al, zodat ik met de kale stengels thuiskwam.

Kale brandnetelstengels

Die stengels zijn vrij stug door de harde binnenwand, rond een holle kern. De truc is nu dat dit harde gedeelte moet worden gescheiden van de vezels aan de buitenkant. Daarbij zitten de 'knopen' (de verdikkingen die je ziet op de foto) in de weg. Die moet je met een mesje opensnijden of kneuzen met een steen. Dat was al een klusje dat oefening nodig had. Uiteindelijk kon ik gaan proberen om de vezels los te krijgen. Maar ook daar zal de Bronstijdmens meer routine in hebben gehad dan ik, want ik trok de vezels in korte reepjes er vanaf in plaats van de hele lengte.

Maar goed: dit was de oogst van 4 stengels.

Vezels van de brandnetel

Voor een goed en stevig touw moet je de vezels enkele dagen te drogen hangen. Ik besloot het twijnen uit te proberen met de nog natte vezels om het aan jullie te laten zien in dit blogje. Je moet de vezels tegen elkaar indraaien en zo ontstaat er een verbazingwekkend sterk stukje touw, dat ik tot een armbandje maakte. 

Brandnetelarmbandje


Maar misschien zijn er leukere en natuurlijker toepassingen, bijvoorbeeld als opbindtouw voor planten in je tuin. Een mooie manier om van brandnetels af te komen op een minder gewenste plek (maar laat er een paar staan voor de vlinders). 

Op een brandneteltopje had ik een libel zien zonnen; die had vast geen weet van vezels en touw uit de Bronstijd. En als-ie het wel wist, dan was het misschien een beetje beneden zijn stand: de Bronstijd - het zal wat. Zijn voorouders leefden 300 miljoen jaar geleden al. Dat is nog eens andere koek!

Heidelibel op brandnetel

PS ik hoop dat de foto's in deze blog zichtbaar zijn, want er was een storing bij het uploaden van foto's. Ik heb het nu op een andere manier dan normaal moeten doen, maar weet niet of het bij iedereen op deze manier goed aankomt.