zaterdag 8 augustus 2026

Doe eens een bermsafari!

Op bermsafari langs de Heimanswetering

Het zou weer een snikhete dag worden maar toen ik in alle vroegte wakker werd bewoog het slaapkamergordijn zacht op en neer door een koel briesje. Ik besloot op te staan om nog even te kunnen genieten van de relatieve koelte met een ochtendwandeling. In het park was weinig te beleven, behalve dat de futen een tweede nestje eieren hadden uitgebroed. Drie kleine kuikens zwommen in de vijver, dus in totaal heeft dit futenpaar in 2026 voor zes nakomelingen gezorgd, mooi! Ik liep naar de Heimanswetering waar kort geleden aan de oevers was gewerkt. Het strakke grasplantsoen tussen de stoep en de wetering had plaatsgemaakt voor een braakliggend veldje, dat inmiddels begroeit raakt. Ogenschijnlijk was er weinig te zien, maar toen ik goed keek, stonden er heeel veeel verschillende plantjes in de berm. Ik besloot ter plekke een bermsafari te doen en alle planten te registreren op waarneming.nl. 

Ogenschijnlijk weinig te beleven in deze berm

De meeste planten waren nog 'laag bij de gronds', dus ik moest enigszins door de knieën voor het beste resultaat, maar uiteindelijk kon ik 46 waarnemingen van 39 soorten noteren. Ik dacht aan mijn jeugd, toen ik opgroeide in een nieuwbouwwijk met tig van die braakliggende veldjes. Wat ik daar allemaal aan plantjes vond, klaprozen, kamille, akkerviooltjes, korenbloemen, klaver en wat al niet meer. Het kan dus nog steeds. Iets minder aanharken en maaien, daar vaart zo'n berm zonder verdere functie wel bij. 
Sommige planten groeiden net buiten de berm in het water, zoals de grote watereppe. Deze giftige plant vind je vooral in matig voedselrijke wateren in het Westen en Noorden van ons land. De bladeren boven en onder water zien er verschillend uit. 

Grote watereppe

Het is één van de waardplanten van een zeldzaam vlindertje: de eppedwergspanner. Er is jaarlijks één generatie die vliegt van eind mei tot in augustus. Rupsen kun je vinden van juni tot september en dit insect komt als pop de winter door. Het vlindertje is vooral waargenomen in het oosten van het land. Daar is de watereppe waar-ie zijn naam aan ontleent niet talrijk. Gelukkig kunnen de rupsen ook eten van berenklauw, engelwortel en torkruid.

Eppedwergspanner
Foto: M. Virtala, Copyrighted free use,
via Wikimedia Commons

Voor mij was één van de opvallendste soorten in de berm de basterdklaver. Hoewel dat plantje eruit ziet als een kruising tussen de rode en de witte klaver, is het toch een aparte ondersoort. Hanneke Waller heeft daar op stadsplanten.nl een goede uitleg over gegeven. De plant heette vroeger bastaardklaver, wat wel degelijk zo'n kruising suggereert. Nu heet-ie dus 'basterd', wat betekent dat er 'gelijkenis is met'.

Allereerst maar eens wat foto's. Van witte klaver zag ik vroeger op die braakliggende stukjes hele velden. 

Witte klaver
Van de bloemen maakte ik kransen en ik kon uren zoeken naar klavertjes vier, op mijn hurken zittend en elk blaadje afspeurend - toen was geduld nog heel gewoon :). Het was een ware prestatie om zo'n klavertje vier te vinden bij een plant die 'trifolium' (drie blaadjes) heet. In de zeldzame gevallen dat ik er een tegenkwam, droogde mijn moeder het exemplaar en plakte het in mijn fotoalbum. 

Een 62 jaar oud klavertje vier

Witte klaver wortelt op knopen zoals dat heet: de plant kruipt over de grond en de bloemen komen vanaf de liggende stengel omhoog. Ze vormen een 'tapijtje'. 

Witte klaver vormt tapijten
Foto: Algirdas, Wikimedia, CC BY-SA 3.0

Dan de rode klaver (die in mijn optiek eerder paars/lila is) en die kan variëren in kleur. Er zijn ook witte en vleeskleurige bloemen van de rode klaver. Bij twijfel kun je kijken naar de twee tegenover elkaar staande bladen vlak onder het bloemhoofdje. Dat heeft alleen de rode klaver.

Rode klaver

Op de blaadjes van de rode klaver zie je ook de kenmerkende lichte v-vormige vlek. 

Rode klaver met v-vormige vlek op de bladeren.

Tot slot komen we dan bij de basterdklaver. Allereerst valt de bloemkleur op: vaak wit met roze, maar dat verandert in de tijd. De bloemkroon is eerst wit, wordt later roze, en als de bloem verwelkt ontstaat er een vleeskleurige tot oranjebruine tint. Aangezien de bloemen van onderaf in bloei komen, zijn de bloemen in volle bloei twee- tot driekleurig. Basterdklaver wortelt niet - zoals witte klaver - op de knopen, maar de stengels staat rechtop. De bloemen steken hoger uit en langs de stengel zit blad, waardoor het lijkt of de hoofdjes op stelen met blad staan.

Basterdklaver

Zoals je op de foto's goed kunt zien ontbreken de twee blaadjes vlak bij het bloemhoofdje, dus dat is het onderscheid met de rode klaver. Ook mist de basterdklaver de v-vormige witte vlek op de bladeren. 


Al met al was het een productieve wandeling geworden. De klok stond op half 10 en de thermometer op 30 graden toen ik thuis kwam. De rest van de dag heb ik geschuild voor de hitte. 

woensdag 5 augustus 2026

Moestuinleed en slakkendodende vliegen

Met de moestuin is het niet zo voorspoedig gelopen dit jaar. We hadden de aarde in onze twee moestuinbakken weer eens opgehoogd met verse biogrond, dus we hadden hoge verwachtingen. De peulen en erwten in het vroege voorjaar deden het erg goed. Zoveel oogst hadden we nog nooit gehad! Ook de eetbare bloemen ontkiemden goed uit het zaad en eind mei konden we fleurige salades maken met goudsbloem, Oost-Indische kers, komkommerkruid en ander kleurrijks. 

Eetbare bloemen van de Oost-Indische kers

Krieltjes van onze aardappelplanten in potten konden ook nog geoogst worden. Maar daarna ging het grondig mis: de tomaten groeiden nauwelijks en alles wat ik in juni nog uitplantte werd opgegeten door de slakken. Slakkenkorrels is voor ons geen optie en biervallen hebben we wel geprobeerd maar met weinig succes. Dus de ene na de andere slakrop (sla-krop dus en niet slak-rop :)) en kruidenplantjes verdween gedurende de nacht in slakkenmagen. Ik had zelf drie courgetteplanten gezaaid: allemaal weg! Nog eentje gekocht in het tuincentrum en op een droge avond uitgeplant. Helaas was er 's ochtends geen spoor meer van te vinden. Droogbloemen en dropplant: bij het zien van een groene waas van opkomend groen maakte mijn hart een sprongetje. De blijdschap was echter van korte duur, want het groen werd elke nacht minder. Op de kale aarde nam de haagwinde het plekje over. Tsja, zo gaat dat met moestuinieren, het ene jaar zit het mee en het andere jaar tegen. 

Er zijn wel wat natuurlijke helpers maar die zijn niet elk jaar even actief. Egels en padden houden van slakken en zanglijsters lusten ze ook graag. Zanglijsters slaan het huisje stuk op een tegel en verorberen de slak. Helaas zijn deze dieren dit jaar grotendeels afwezig in onze tuin. 

Zanglijster verorbert een segrijnslak

Toevallig kreeg ik wel een nieuwe helper in het vizier. Ik had een zweefvlieg zien landen in de tuin en ging naar binnen om mijn telefoon te pakken voor een foto. Toen ik weer buiten kwam was het beestje gevlogen. Op het raam zag ik een ander insect en dacht: eens kijken wat dat voor vlieg is. Ik verwachtte niks bijzonders maar ObsIdentify vertelde mij dat het een bruine slakkendodende vlieg was. De specifieke soort was onbekend, want die bruine slakkendoders schijnen erg op elkaar te lijken en dan moet er een microscoop aan te pas komen om ze verder op naam te brengen. 

Bruine slakkendodende vlieg

De slakkendoders of slakkendodende vliegen hebben hun Nederlandse naam te danken aan hun larven. Deze consumeren namelijk (water)slakken, de vliegen zelf eten die niet: die leven van nectar en honingdauw. Ik had nog nooit van deze soort gehoord en daarin ben ik vast niet de enige. Door hun levenswijze vallen slakkendoders namelijk meestal niet op. Ze zitten verscholen tussen de  (moeras)planten, vaak ondersteboven tegen een stengel en nauwelijks bewegend. Het is daarom niet eenvoudig om ze te vinden, hoewel ze volop aanwezig kunnen zijn. Je kunt ze het beste opsporen met een sleepnet, tenzij je het geluk hebt dat er een poseert op je raam natuurlijk :). 

Er zijn 67 verschillende soorten slakkendodende vliegen in Nederland. Die kunnen er fraai getekend uitzien, zoals op onderstaande foto. Daarbij vergeleken is het door mij gevonden exemplaar maar een grijze muis. 

Enkele veel voorkomende slakkendodende vliegen:  1. rouwslakkendoder
2. bonte slakkendoder 3. gewone streepslakvlieg 4. gewone oeverslakvlieg
Uit: De Nederlandse slakkendoders (Sciomyzidae), Aat Barendregt, EIS Kenniscentrum Insecten

De larven zijn meedogenloze jagers. Afhankelijk van de soort gebruiken ze twee verschillende strategieën. Allereerst heb je de actieve jagers. Hun doelwit zijn slakken in het water of op het land. De larve kruipt actief op een slak en bijt direct. Het speeksel bevat een gif dat de slak verlamt. Vervolgens eet de larve de slak binnen een paar uur helemaal leeg. Eén enkele larve doodt en eet meerdere slakken tijdens haar groei.

Dan heb je nog de groep sluipmoordenaars. Zij richten zich meestal op landslakken. De jonge larve dringt ongemerkt de schelp van de slak binnen. Ze eet dan heel langzaam van de slak, zonder vitale organen te raken. De slak blijft dagenlang leven terwijl de larve in haar groeit, pas aan het einde van haar ontwikkeling doodt de larve de slak definitief.
Dat lijkt me geen fijne manier om aan je eind te komen. Maar stiekem hoop ik toch op de hulp van deze vliegen om de slakkenpopulatie in mijn tuin een beetje onder controle te houden......

zaterdag 25 juli 2026

Een hangplek voor een plakker (vlinder)

Vanuit mijn ooghoek zag ik een donkere vlek op het raam van de schuifpui. Dat trok mijn aandacht. Niet dat ik meteen met emmer en zeem klaarstond :), want deze keer was het eens géén vogelpoep - gelukkig. Er zat een nachtvlinder op het raam, met een prachtig donzig lijfje en nog fraaiere geveerde antennes. De juiste focus te krijgen was - met alle doorkijkjes en spiegelingen in het glas - nog moeilijk genoeg en ik deed een schietgebedje dat de vlinder bleef zitten tot ik 'm geïdentificeerd had met ObsIndentify. Het beestje had de intrigerende naam 'Plakker'. 

Plakker

Vanuit de kamer was dat identificeren dus in ieder geval gelukt, maar ik wilde ook graag een foto van de bovenkant van de vleugels en het liefst ook die geveerde antennes wat beter in beeld. Rustig begaf ik me naar buiten en de vlinder bleef lekker hangen (of moet ik zeggen plakken) tegen de ruit. Zo kon ik de bruin gemêleerde vleugels op de foto zetten. 

Plakkermannetjes hebben geveerde antennes

Ik had hier te maken met een mannetjesvlinder. Dat werd verraden door de antennes, die bedoeld zijn om de geurstoffen (feromonen) van vrouwtjesplakkers op te vangen. Het was een gelukje om deze vlinder te zien, want als imago (volwassen insect) leven ze maar een paar dagen. Als rupsen proppen ze zich vol met bladeren - vooral die van de zomereik zijn populair -, maar als vlinder eten ze niet meer. Zorgen voor nageslacht is nog hun enige doel.


Mannelijke plakkervlinders kunnen de feromonen van een vrouwtje op een afstand van enkele honderden meters tot wel enkele kilometers (soms tot maximaal 2,5 tot 3 kilometer) ruiken, afhankelijk van de wind en de openheid van het landschap. De grote, veervormige voelsprieten hebben een heel groot oppervlak waardoor zelfs een paar moleculen van de geurstof genoeg is om een vrouwtje op het spoor te komen. Als het mannetje de geur opvangt, vliegt hij zigzaggend tegen de wind in tot hij het vrouwtje heeft gevonden.

Het vrouwtje ziet er heel anders uit dan het mannetje. Om te beginnen is ze wel een centimeter langer dan het mannetje; zo'n 3,5 centimeter. Ze is wit met een paar donkere stipjes en een schattig bontkraagje. Het vrouwtje verplaatst zich niet en blijft op de boom waar ze is geboren. Daar zal ook het voedsel voor haar nakomelingen te vinden zijn. 

Mannetjesplakkers hebben een vrouwtje gevonden
Foto: Rafe Roughton - iNaturalist, CC0,
https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=193538496

Als een vrouwtjesplakker in juli of augustus als vlinders uit haar cocon komt, is ze te zwaar om te kunnen opstijgen. De eitjes zitten al in haar lichaam, maar ze moeten wel nog bevrucht worden. Ze laat haar feromonen meedrijven op de wind om mannetjes te lokken. Om te paren gaat het mannetje onder de vleugels van het vrouwtje zitten. Haar eieren legt ze op de stam van de boom waarop ze zit, en ze bedekt die eitjes met de irriterende haartjes van haar buik om ze te beschermen. Hun naam hebben deze vlinders te danken aan het met haartjes beplakken van hun eitjes. Zo'n plakkervrouwtje kan trouwens wel 800 eieren leggen! 

Vrouwtjes met hun behaarde eiernestjes
Foto:  usfs_Eastern_Region - 20210712-FS-R8-TC-001, Wikimedia

De eitjes zitten tijdens de herfst en winter veilig in de schorsspleten van de boom onder het harige jasje. In april kruipen de rupsen uit het ei. Ze hebben flinke honger en met zijn 800-en op een boom is misschien wat veel van het goede. Sommige rupsjes gaan daarom op reis: ze kunnen door een voorjaarsbriesje verspreid worden, aangezien de wind een goede grip heeft op de vele haren die hun lichaam bedekken. Die rupsenharen zijn overigens voor mensen niet irriterend.

Rups van de plakker
Foto: IronChris - Own work, CC BY-SA 3.0,

https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=931449

In twee tot drie maanden zal de rups zich verder ontwikkelen door veel te eten. De mannetjes vervellen in die tijd vijf keer en toekomstige vrouwtjes zelfs zes keer omdat zij als vlinder groter zijn. Eind juni verpoppen de rupsen en zo’n twee weken later verschijnen de plakkers in volwassen vorm.

Ik ben benieuwd of 'mijn plakker' op tijd een vrouwtje gevonden heeft. Ik ga de eiken in het park maar eens afspeuren of ik zo'n witte plakker met een harig nestje zie. De vlinder komt vrij algemeen voor in Nederland. Dus waar je ook woont, je maakt altijd kans op een plakker - maar in het noorden en op de Wadden moet je er wat meer moeite voor doen :). 

zaterdag 11 juli 2026

Maak dit weekend een kwartiertje vrij om vlinders te tellen!

Vanuit mijn terras zag ik een boomblauwtje eitjes leggen op de kattenstaart. Dit mooie grijsblauwe vlindertjes kun je door vrijwel het hele land zien. Ze vliegen van midden maart-begin juni en half juni- begin oktober in twee of drie, elkaar overlappende generaties. De eitjes worden afgezet bij de bloemknoppen of de jonge vruchten. Hierdoor verschilt de keuze van de waardplant tussen de verschillende generaties: in het voorjaar worden de eitjes vooral afgezet op sporkehout en hulst. In de zomer met name op klimop, struikhei en grote kattenstaart. De buren hebben een hulstboom in de tuin, en wij hebben klimop en kattenstaart. Zo kan ik zowel de voorjaarsgeneratie als de zomervlinders in mijn tuin zien vliegen. 

Foto uit mijn boek The art of food

De eitjes zijn wit en erg klein, maar met de macrolens lukte het een aantal jaar geleden om ze scherp in beeld te krijgen. Ik kon gericht zoeken omdat ik de vlinder een ei had zien afzetten. 

Het eitje van een boomblauwtje

Ook nu weer zag ik het boomblauwtje druk in de weer. Op elke bloeistengel waarvan de bloemetjes al een beetje open waren, werd een eitje afgezet. De jonge rupsen maken een klein rond gaatje in de bloemknop of vrucht en voeden zich met de inhoud. Van enkele planten kan de rups in het laatste stadium ook de bladeren eten, zoals van sporkehout. Bepaalde mierensoorten treden op als beschermers van de rupsen. In dank daarvoor likken de mieren een zoete stof op die de rups uitscheidt. Kort voor de verpopping verlaat de rups de waardplant en loopt, soms nog twee dagen, over de bodem voordat hij zich inspint om zich te verpoppen. De pop bevindt zich meestal tussen de bladeren in de strooisellaag of in schorsspleten. De soort overwintert als pop. In april kun je deze vrolijke fladderaars al weer zien als echte lentebodes.

Dit alles herinnerde mij eraan dat dit weekend de tuinvlindertelling plaatsvindt. Het wordt prima vlinderweer, dus als je een kwartiertje over hebt, tel dan mee. Zo kan de vlinderstand goed gemonitord worden en kunnen er waar nodig maatregelen worden genomen om de leefomstandigheden van deze tere insecten te verbeteren. Kijk voor alle informatie op de site van de Vlinderstichting

Om je vast in de stemming te brengen, onderstaand nog een paar vlinderfoto's.

Icarusblauwtje

Icarusblauwtje (man)

Pimpernelblauwtje

Atalanta

Tel ze dit weekend! Namens de vlinders: hartelijk dank. 


zaterdag 4 juli 2026

De bijenorchis bloeit weer

In 2008 waren we met de hele familie een weekje op Zakynthos. Ik ben niet zo'n waterfan, dus terwijl de anderen spetterden in het zwembad vermaakte ik me met de camera op een braakliggend stukje grond naast ons hotel. Ik kon geen genoeg krijgen van de bijen- en sniporchissen en ander mooi bloeiend spul. 

Sniporchis (of een kruising van sniporchis met bijenorchis)
Zakynthos 2008

In die tijd waren bijenorchissen nog tamelijk zeldzaam in Nederland. Ze werden gezien op enkele plaatsen langs de kust, in Zeeland en Limburg. 

Waarnemingen van de
bijenorchis in 2008
Bron: waarneming.nl

Waarnemingen van de
bijenorchis in 2026
Bron: waarneming.nl


Een kleine 20 jaar later is dat beeld veranderd. De bijenorchis heeft zich in ons land flink uitgebreid en nu is de tijd om te kijken of je er een kunt spotten als je in het westen, langs de grote rivieren of in Zuid-Limburg woont. Wij zagen deze prachtige orchideeën een paar jaar geleden langs het fietspad in het Bentwoud.

Bijenorchis

De bijenorchis behoort tot het geslacht Ophrys, een van de meest intrigerende orchideeëngroepen. Het bijzondere van de Ophryssen is dat de bloemen bestoven worden door mannetjesbijen of -wespen die proberen met de bloemen te paren. De bloemen van de bijenorchis lijken in geur en uiterlijk op de vrouwelijke langsprietbij en zijn bedoeld om de mannetjesbij te verleiden. Wanneer de bij ontwaakt uit zijn 'paringsroes' en ontdekt dat hij bedrogen is, heeft de orchidee al twee stuifmeelklompjes op zijn kop bevestigd. En dan ontbreekt er ook een beloning in de vorm van nectar, want dat maakt de plant niet aan. De langsprietbij komt echter niet voor in Nederland dus moet de orchidee op een andere manier voor de voortplanting zorgen: de bijenorchis is zelfbestuivend. 

Een geel stuifmeelklompje onder het groene napje.

Bij de bijenorchis bevindt de stempel zich aan het zogenaamde zuiltje (de vergroeide stamper en meeldraad), dat net boven de opvallende bloemlip uitsteekt. Dit groene deel bevindt zich in het midden van de bloem en lijkt sterk op het kop-borststuk van een insect. De stempel zit bovenaan het zuiltje en is vaak gevormd als een klein, gebogen 'snaveltje'. De stuifmeelklompjes hangen aan lange, dunne steeltjes ("staartjes") vanuit het zuiltje vlak voor en onder de stempel. Dankzij de zwaartekracht of een windvlaag bungelen de stuifmeelklompjes precies tegen de stempel aan, waardoor de plant zichzelf kan bestuiven.

In onderstaande botanische illustratie zie je dat iets beter.

Bijenorchis
Bron: Correvon, Henry, 1854-1939 
 No restrictions, wikimedia

Al met al een plant om even bij stil te staan als je er langs fietst of loopt! 
In het najaar trekt de plant zich terug in de grond met twee vlezige knollen. Gedurende de winter wordt daaruit een bladrozet gevormd. Dat is een risico in een strenge winter, maar tot op heden heeft dit de opmars van de bijenorchis nog niet echt belemmerd. 

Het duurt wel zes jaar eer uit zaad een bloeiende plant groeit

Hoewel de soort goed gedijt op braakliggend terrein (zoals ik in Zakynthos al ontdekt had) duurt het tot wel zes jaar eer uit de flinterdunne zaadjes (maximaal 0,8 mm lang en een kiem van ± 0,2 mm) een bloeiende plant groeit. Om te kiemen zijn ze in de bodem afhankelijk van specifieke mycorrhiza-schimmels, die de plant van voedingsstoffen voorzien. In de natuur kan dit kiemproces onder de grond al één tot enkele jaren duren. Nadat het zaadje ontkiemt, vormt zich eerst ondergronds een klein knolletje. Pas daarna verschijnt er een klein rozetje met bladeren boven de grond, dit neemt ook weer één tot twee jaar in beslag. Tenslotte heeft de plant nog één tot drie jaar nodig om ondergronds energie op te bouwen totdat hij groot en sterk genoeg is om de eerste bloemstengel te produceren. 

Omdat orchideeën samenleven met bepaalde schimmels heeft het geen zin deze op te graven en te verplaatsen (naar een tuin of zo). Laat de orchideeën dus op hun plek staan en geniet er van door te kijken!

woensdag 1 juli 2026

De stadsreus en de witte reus wagen zich in een wespennest

De titel van dit blogje lijkt op de aankondiging van een sprookje maar niets is minder waar. De stadsreus en de witte reus zijn zweefvliegen. Ik kwam ze tegen toen ik aan het filmen was in het park. 

De zomer stond voor de deur en dat was te merken. Alles was overdadig groen maar nog niet verstoft of aangevreten. Eén jonge fuut verbleef nog bij de ouders en liet zich af en toe voeren, de ganzenfamilie zwom rustig rond in de vijver. Het vogelconcert begon te verstommen.

Zomerdag

Waar de vogelwereld zich voor oog en oor rond de langste dag terugtrekt in het groen - druk met het grootbrengen van de jongen- is er momenteel een nieuwe levendige partij te bewonderen: de insecten! Rond een braamstruik was het een drukte van belang van hommels, bijen en zweefvliegen. Daar zag ik dus beide reuzen. Reuzen zijn grote, breed gebouwde zweefvliegen. In Europa komen 6 van de 21 wereldwijde soorten voor. Nederland scoort goed met 5 van de 6 Europese soorten. We kunnen in ons land de hommelreus tegenkomen (voornamelijk in het zuiden en oosten), de wespreus (alleen in het zuidelijkste puntje van Limburg rond Maastricht) en de gele reus (op enkele geïsoleerde plekken langs onze oostelijke landsgrenzen). De witte reus en stadsreus komen meer algemeen voor, met een accent op het midden en zuiden van Nederland. 

Witte reus, zweefvlieg

De larven van vier Nederlandse reuzensoorten ontwikkelen zich in nesten van hommels of sociale plooivleugelwespen (de gele reus vertoont dit gedrag niet). Dat is nogal een gevaarlijke onderneming. En het wekt, ook bij onderzoekers, nog steeds verbazing hoe de reuzen het voor elkaar krijgen om er zonder kleerscheuren vanaf te komen. 

Wespreus - zweefvlieg
Foto: Lukas Large from Stourbridge, United Kingdom -
Volucella inanis - Lesser Hornet Hoverfly,
CC BY-SA 4.0, Wikimedia

Het vrouwtje van de wespreus legt de eieren op enkele centimeters van de ingang van een wespen- of hoornaarnest. Als ze met de wespen in contact komt wordt ze doodgestoken. Een ei komt na circa vijf dagen uit, waarna de larve het nest in kruipt om een nestcel met een levende wespenlarve binnen te dringen. Hier voedt hij zich in eerste instantie vermoedelijk met uitscheidingen van de wespenlarve. Nadat de wespenlarve een cocon heeft gesponnen vervelt de zweefvlieglarve naar het laatste larvestadium, waarna hij inbreekt in de cocon en de wespenlarve leeg zuigt. Vervolgens verlaat hij het nest om in de bodem eronder te verpoppen. De wespreus is de enige van de vier soorten die gevaarlijk is voor de onvrijwillige gastheer. En dat is misschien ook de reden dat ze aangevallen worden door de hoornaars en wespen als ze bij een nest komen. 

Hommelreus - zweefvlieg
Foto: Frank Vassen from Brussels, Belgium - (Volucella bombylans),
Obere Our, Ostbelgien, CC BY 2.0, Wikimedia

De hommel-, stads- en witte reus zijn opruimers. Hun larven leven van afval en dode larven in het nest. Misschien dat ze daarom eerder met rust worden gelaten als ze in de nesten van hun gastheren verschijnen. Maar dan nog nemen ze wat voorzorgsmaatregelen. 
Reuzenvrouwtjes lokaliseren de nesten van hun gastheren (hommels bij de hommelreus en wespen bij de andere twee reuzen) aan de hand van de nestgeur met behulp van geurreceptoren in de antennen. De witte reus en de stadsreus ruiken niet alleen maar oriënteren zich ook visueel op in- en uitvlieggedrag van wespen. 

Stadsreus - zweefvlieg

Als een nest eenmaal is gevonden poetsen de reuzen zichzelf om geuren te verwijderen die de hommels of wespen kunnen alarmeren. De hommelreus zit wel een half uur tot een uur te poetsen. Bij de witte reus en de stadsreus is dat ritueel in zo'n 10 minuten afgerond. 

De hommelreus loopt tegen de grond gedrukt het nest binnen. Dit doet zij alleen op een moment dat de ingang onbewaakt is. Vaak betreedt zij het nest vlak nadat een hommel naar binnen is gegaan, zodat de kans op een tegenligger klein is. Ze blijft 10-40 minuten in het nest en vermijdt ieder contact met een hommel. De vrouwtjes van de stadsreus en witte reus kunnen het zich op de een of andere manier permitteren om wat minder voorzichtig te werk te gaan. Ze betreden het nest zonder extra voorzichtigheid: de bewakers en de in- en uitvliegende wespen laten hun met rust, zelfs als zij in direct contact met hun komen. Mogelijk verspreiden deze vrouwtjes een geur die de agressie van de nestbewakers onderdrukt.

Ik heb deze informatie opgezocht in het boek De Nederlandse zweefvliegen, een prachtig standaardwerk. Je kunt de pagina's over de reuzen online lezen via deze link

De stadsreus en witte reus kun je zien het in het filmpje, samen met andere zomerwaarnemingen. 



zaterdag 27 juni 2026

Gevlochten fuikhoren: terug van (lang) weg geweest

Met het weer van de afgelopen week is het nauwelijks meer voor te stellen maar toen we op Texel waren met Hemelvaart was het fris en regenachtig. Om een bui te ontwijken doken we de Texelse kringloopwinkel StruunTX in. Het is een van de netste en meest overzichtelijke kringloopwinkels die ik heb bezocht. Een hoekje dat mij bijzonder aansprak is dat waar spulletjes lagen die vrijwilligers hadden gemaakt met producten uit de kringloopwinkel. Zo tikte ik een leuk schelpenverzamelzakje op de kop.

Schelpenverzamelzakje

Van stof dat bedrukt was met afbeeldingen van schelpen had iemand (met plastic gevoerde) zakjes gemaakt. Superhandig, want hoe vaak heb ik natte en zanderige jaszakken gehad als ik schelpen langs de vloedlijn verzamelde. Nog leuker was dat in elk zakje enkele schelpjes zaten die overeenkwamen met de bedrukking op de voorzijde, die per exemplaar verschilde. In mijn zakje vond ik fuikhorens, de schelpen van een zeeslak die ik eigenlijk nooit tegenkwam toen ik als kind aanspoelsels zocht tijdens vakanties in Zeeland. 

Nog even schelpen zoeken voor de volgende bui valt

Het was onze laatste dag en na de lunch liepen we bij Paal 9 nog even langs het strand om het zakje verder te vullen. Ik zocht in het droge zand vlak bij de strandhuisjes en ontwaarde zowaar een gave gevlochten fuikhoren, tussen de andere aangespoelde schelpen. Dat vond ik best bijzonder omdat dit de eerste was die ik ooit vond. Feitelijk had ik er die ochtend pas kennis mee gemaakt :). 

Met een goed gevuld schelpenzakje stapte ik op de boot naar huis

Toen ik wat informatie opzocht over de fuikhorens op de site van Nature Today werd me duidelijk hoe het kwam dat ik ze vroeger niet zag en nu ineens wel. De fuikhorens zijn terug van weggeweest! En dat moeten we op een enorme tijdschaal bekijken. De fuikhorens waren rijkelijk te vinden op de plek van de Noordzee in het Eemien, een geologisch tijdperk dat duurde van 128.000 tot 116.000 jaar geleden. Het Eemien is een warmere periode tussen de twee laatste ijstijden (het Saalien en het Weichselien). De zeespiegel was toen een stuk hoger dan nu en in juli was de gemiddelde zeewatertemperatuur rond de 18,5 °C. In dat relatief warme water leefden twee fuikhorens, de gevlochten en de grofgeribde fuikhoren in grote aantallen. In de warme zee vormden de slakken een opruimploeg die in het water van de kuststrook efficiënt viskadavers en ander afval opruimde. Zulke hulptroepen waren zeer welkom, want in warmere klimaten gaat afval snel rotten met alle stankoverlast van dien. De slakken hebben een goed 'reukvermogen' en kunnen hun prooi op zowat dertig meter afstand waarnemen. Eenmaal ontdekt, duiken de slakken in groepen op het aas en scheuren ze met hun rasptong (radula) stukjes prooi af en ruimen zo de zeebodem op.

(Sub)fossiele schelp van de grofgeribde fuikhoren

Tijdens het Weichselien veranderde de situatie drastisch. Tijdens die allerlaatste ijstijd was veel oceaanwater bevroren in de poolkappen en stond de zeespiegel wereldwijd tot zo’n 130 meter lager: de Noordzee stond grotendeels droog. De slakken gingen dood en de schelpen van de fuikhorens verdwenen onder het zand. Omdat ze niet erg diep lagen spoelen ze, nu er weer water in de Noordzee zit, regelmatig aan. Die (sub)fossiele schelpen herken je aan de donkere kleur, zoals op de foto hierboven. 
Maar dat is nog niet het hele verhaal.

Recente schelp van de gevlochten fuikhoren, gevonden in mei 2026

In het begin van de vorige eeuw werden de grofgeribde fuikhorens weer waargenomen in ons land, maar de gevlochten fuikhorens lieten zich nog niet zien. Daar kwam pas eind jaren tachtig verandering in. Toen trokken de gevlochten fuikhorens opeens massaal vanuit Normandië en Bretagne onze kant op en werden ze binnen een paar jaar algemeen. Dat verklaart dus waarom ik die schelpjes in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw niet meer vond en nu weer wel.  

De gevlochten fuikhoren houdt van zout water, dus alleen van deze soort kun je 'verse' schelpen aantreffen op het strand. De grofgeribde fuikhoren leeft in Zeeland in de wat minder zoute binnenwateren. Schelpen van deze slak die je op het strand vindt zijn de fossielen uit het Eemien. 
Hun naam ontlenen de beestjes aan hun huisjes, die lijken op van wilgentenen gevlochten visfuiken. Maar dan mini natuurlijk :). 

Gelukkig dat deze vuilnismannetjes van de zee, zoals ze ook wel genoemd worden, onze wateren weer hebben gevonden!

zaterdag 20 juni 2026

De blauwe reiger weet wel raad met een invasieve rivierkreeft

Het terrein van futen en grauwe ganzen

In een van de laatste dagen van de meteorologische lente liep ik nog eens een rondje door het park om te kijken hoe het met de kuikens van de futen, ganzen en wilde eend was. Van het laatste wilde eendje was geen spoor meer te bekennen. Het nest was dus volledig mislukt. Het vrouwtje zwom nu samen met een woerd, wellicht gaan ze een tweede poging wagen. De broedsels van de grauwe ganzen en futen waren met respectievelijk vijf en drie jongen nog compleet. De jonge fuutjes doken zelf naar voedsel, maar bedelden soms ook om een makkelijk hapje. Uitrusten hoorde er ook bij, en dan vielen de strekoefeningen met de poten op :). 

Op het gras langs de vijver lagen de grauwe gansjes (inmiddels niet echt klein meer) op een kluitje in een wolk van dons. De volwassen veren staken al duidelijk af tussen het fluffy spul. Later zag ik ze op de andere oever in gevecht met een populierentak. Blijkbaar vinden ze die blaadjes erg lekker!

Verdroogde grassen kondigen de zomer aan

Op deze windstille ochtend viel ook al duidelijk op dat de grassen over hun hoogtepunt heen waren. Ze bloeiden nog maar werden ook al bruingeel: de verdroging die onmiskenbaar de zomer aankondigt. In tegenlicht waren de grasjes en andere planten zeer fotogeniek.

Brandnetel en vossenstaart in tegenlicht

Een blauwe reiger stond doodstil bij de kleine poel, loerend op een prooi. Ik bracht mijn camera in stelling en begon met filmen. Het duurde twee minuten eer hij resultaat had. Geen vis deze keer maar een Amerikaanse rivierkreeft. Ik keek met verbazing hoe de reiger die kreeft met scharen en al naar binnenwerkte!

Reiger op jacht

Helaas hebben de Amerikaanse rivierkreeften ook dit kleine poeltje al gekoloniseerd. Sinds 2016 staat deze soort op de lijst van invasieve exoten die zorgwekkend zijn voor de Europese Unie. Dit betekent onder andere dat levende exemplaren van deze soort niet langer in de Europese Unie mogen worden gehouden, ingevoerd, vervoerd, gecommercialiseerd, gekweekt, gebruikt, uitgewisseld noch vrijgelaten in de natuur. Overigens is het een verzamelnaam voor meerdere soorten rivierkreeften, die allemaal van het Amerikaanse continent afkomstig zijn. Op deze site kun je zien welke soorten dat zijn. 

De Amerikaanse rivierkreeften eten waterplanten, woelen de bodem om en verzwakken oevers. Hierdoor wordt het water troebel en verdwijnen leefgebieden van vissen, amfibieën en insecten met alle gevolgen van dien. Op de site van Zuid-Hollands Landschap las ik wat concrete voorbeelden hiervan.

  • In de Krimpenerwaard verdween in Polder de Nesse de krabbenscheer, en daarmee ook soorten die daarvan afhankelijk zijn, zoals de groene glazenmaker (een libellensoort).
  • Rond Haastrecht gingen amfibieënpoelen van ‘honderden klompen dril met eitjes’ naar nul; regionale uitsterving van beschermde soorten is hier een serieus scenario.
  • In diverse Natura 2000-gebieden in Vijfherenlanden zoals polder Achthoven en langs de Diefdijk valt voortplanting van bijvoorbeeld de bedreigde kamsalamander stil doordat waterplanten (waarin eitjes worden afgezet) verdwijnen en larven worden opgegeten.

Rode Amerikaanse rivierkreeft
Foto: Luc Hoogenstein - Own work, CC BY-SA 4.0, Wikimedia

Volgens een artikel op nos.nl zijn er inmiddels miljarden exotische rivierkreeften in Nederland, die de inheemse Europese rivierkreeft verdrongen hebben. Vijf jaar geleden al werden in een maand tijd ruim 11.000 rode Amerikaanse rivierkreeften gevangen in de Proosdijvijver in Ede. Onderzoekers rekenden erop dat ze er 2000-4000 zouden aantreffen. Dat was dus een behoorlijke onderschatting. En met die 11.000 kreeften was de vijver nog niet leeg. Er werd een vervolgactie gepland om te kunnen inschatten hoeveel er nog aanwezig waren. 

Aan het eind van mijn wandelrondje was de blauwe reiger nog steeds aan het vissen. En weer had hij - met een beetje geduld - een kreeft te pakken. Het is een kleine pleister op de wonde dat zo toch een minieme bijdrage wordt geleverd aan de bestrijding van deze biotoopverwoestende rivierkreeft. 

Een videoverslag van mijn waarnemingen kun je zien in dit filmpje




woensdag 17 juni 2026

De handige hommelhulpjes van het Vingerhoedskruid

Vingerhoedskruid in de Amsterdamse Waterleidingduinen

In de Amsterdamse Waterleidingduinen zag ik langs het Van der Vlietkanaal flink wat bloeiend vingerhoedskruid. Het was meer dan me in andere jaren was opgevallen, blijkbaar waren de duizenden zaadjes die zo'n plant aanmaakt op de juiste plekken terechtgekomen voor ontkieming. De bloeistengels kunnen wel twee meter hoog worden en de paars en roze bloemen vind ik prachtig om te zien. Het is een plant van kijken en niet aanraken want alles aan de plant is behoorlijk giftig. De naam nodigt er wel een beetje toe uit om een bloem om je vinger te schuiven, want die hebben inderdaad de vorm van een vingerhoedje. Maar dat is dus niet verstandig. De digoxine en digitoxine (digitaline) in de plant hebben invloed op de hartwerking. Daarvoor werd de plant vroeger wel als medicijn gebruikt, maar de dosering komt heel nauw. Neem je te veel, dan ligt nierfalen, vergiftiging en verwardheid op de loer. Ook voor dieren is de plant giftig, dus de herten in de duinen zullen er niet van knabbelen.  

Dit alles lijkt hommels niet te deren. Zij zijn dol op de plant wegens de overvloedige nectar en het ruim aanwezige stuifmeel. 

Een akkerhommel (rechtsmidden) op weg
naar een "vingerhoedje"

De opvallende donkerrode vlekjes met een witte rand aan de binnenkant van de bloem wijzen de hommels de weg en laat ze zo diep mogelijk in de bloem kruipen. Naast dit zogenaamde honingmerk als landingsbaan, viel me ook op dat de bloemen aan de binnenkant lange haren hebben. Die werken als een soort trapje. Hommels (en bijen) hebben zo grip om omhoog te klauteren in de neerhangende bloemen. 

Fijne haartjes in de bloem

De bloemkelken zijn vooral geschikt voor insecten met een lange tong, want daarmee kunnen ze goed bij de nectar. De akkerhommel is zo'n kampioen met een tonglengte van maar liefst 8,6 millimeter. Dat is ongeveer de helft van de lichaamslengte van de werksters. 
Wanneer de akkerhommel de tong niet gebruikt, zit deze netjes opgevouwen in een soort schede onder haar lichaam. Zodra ze een geschikte bloem vindt, pompt de hommel haar lichaamsvloeistof (hemolymfe) krachtig naar de kop en de tongbasis. Hierdoor wordt de tong als het ware door hydraulische druk naar buiten gestuwd. Tegelijkertijd gebruikt de hommel speciale spiertjes in haar kop om de tongdelen nauwkeurig te richten en te ontrollen. De tong is opgebouwd uit verschillende holle buisjes en is voorzien van fijne, borstelige haartjes. Zodra de tong volledig is uitgerold en in de bloem is geduwd, werkt de tong als een rietje. Door ritmische bewegingen van spieren in haar kop en keel zuigt ze de nectar naar binnen.

Dankzij die lange tong kan de hommel ook gemakkelijk nectar uit andere diepe bloemkelken en moeilijk bereikbare bloemen halen, zoals smeerwortel, witte dovenetel, bonen en erwten. Dankzij deze tong is de soort een uitstekende bestuiver en kan hij voedsel verzamelen uit meer dan 270 verschillende plantensoorten.

Vingerhoedskruid

Zo heb ik weer eens één van de vele grote en kleine wondertjes in de natuur ontdekt!