woensdag 2 september 2026

Ik word gek van die Blauwtjes!

Icarusblauwtje (man)

Blauwtjes zijn supermooie vlinders, ze lijken met hun blauwe kleur een stukje hemel op aarde te brengen. MAAR.... wat zijn ze moeilijk uit elkaar te houden. In de Veldgids Dagvlinders (KNNV) zijn maar liefst 60 pagina's gewijd aan deze vlinderfamilie. In de introductie van deze soort staat beschreven: "Er zijn grofweg twee groepen blauwtjes: die met mannetjes met een blauwe bovenkant en die met mannetjes met een bruine of zwarte bovenkant. Voor de 'blauwe blauwtjes' is de tint van de vleugels vooral voor geoefende waarnemers een goed hulpmiddel om de soortnaam te bepalen. Bij de 'bruine blauwtjes' moet het vlekkenpatroon op de onderkant van de vleugels gebruikt worden om de vlinder op naam te brengen'. 

Nou ja, dan krijg ik al vlekken voor mijn ogen, alsof die beestjes rustig gaan poseren om jou die kleur of vlekjes eens rustig te laten bestuderen! En dan zijn de vrouwtjesblauwtjes nog vaak bruin ook.... Ik heb alle soorten blauwtjes uit de veldgids op een rij gezet. Als ze in Nederland voorkomen heb ik er een (N) achter gezet. Veel blauwtjes zijn doortrekker, dwaalgast of zeldzaam/bedreigd in geïsoleerde populaties, vaak ik het zuidelijkste puntje van Limburg of in delen van Brabant en Drenthe. Als ze algemeen voorkomen in ons land heb ik de naam vetgedrukt.

Welke blauwtjes zijn er? Tijgerblauwtje (N), Klein tijgerblauwtje, Geraniumblauwtje (N), Dwergblauwtje (N), Staartblauwtje (N), Boomblauwtje (N), Klein tijmblauwtje, Vetkruidblauwtje, Bloemenblauwtje, Tijmblauwtje, Pimpernelblauwtje (N), Donker pimpernelblauwtje (N), Gentiaanblauwtje (N), Berggentiaanblauwtje, Veenbesblauwtje (N), Kroonkruidblauwtje, Heideblauwtje (N), Vals heideblauwtje, Vals bruin blauwtje, Bruin blauwtje (N), Klaverblauwtje (N), Turkooisblauwtje, Wikkeblauwtje, Icarusblauwtje (N), Esparcetteblauwtje, Getand blauwtje, Adonisblauwtje, Bleek blauwtje (N), Witstreepblauwtje, Zwart blauwtje.

Om blauwtjes op naam te brengen moet je vlekjes bestuderen!
Ik heb op basis van een foto de vlekjes van een
Icarusblauwtje zou nauwkeurig mogelijk nageschilderd

Van de dertig blauwtjes zijn er dus eigenlijk maar twee in het hele land te zien. Dat maakt de stress al weer wat minder, want die twee soorten kun je vrij makkelijk uit elkaar houden. 

Op de zilvergrijze onderkant van de vleugels van het boomblauwtje staan kleine zwarte stipjes. De bovenkant van de vleugels is blauw, zowel bij de mannetjes als de vrouwtjes, maar de vrouwtjes hebben een vrij brede zwarte rand aan de buitenrand. Dat is meestal moeilijk waar te nemen, want in rust zie ik ze zelden met opengeklapte vleugels. 

Boomblauwtje

Dat ziet er aanzienlijk anders uit dan de oranje en witgerande zwarte stippen van het icarusblauwtje (op de tekening hierboven en de foto hieronder). 

Icarusvlinder

De mannetjes hebben die mooie hemelsblauwe kleur (eerste foto in dit blog). Vrouwtjes zijn bruin, soms met een blauwe vleug, maar niet altijd.

Icarusvrouwtje met blauwe vleug

En dan begint het gedonder, want hoe onderscheid je een icarusvrouwtje van een bruin blauwtje (man en vrouw daarvan zijn allebei bruin - het vrouwtje is iets lichter)? Bij het bruine blauwtje lopen de oranje stipjes op de bovenkant van de vleugels helemaal door tot aan de top (dat is niet het geval bij het icarusvrouwtje, vergelijk de foto's maar eens). 

Bruin blauwtje

Ook aan de onderzijde is er verschil in het stippenpatroon. Dat is echt priegelwerk om naar te kijken: je moet hierbij focussen op de eerste drie zwarte stippen op de ondervleugel. Daarvan staan er twee schuin boven elkaar en rechts daarvan (op enige afstand) nog een stip. Dat is de zogenaamde hockeystick-vorm. Als je de drie stippen van het icarusblauwtje bekijkt staan deze volledig horizontaal en op gelijke afstand van elkaar. Ik neem aan dat je inmiddels de titel van mijn blog he-le-maal begrijpt!

Bruin blauwtje onderzijde

Bruine blauwtjes vliegen in ons land in Zuid-Limburg en langs de grote rivieren. Hier kun je ook heideblauwtjes vinden, die overigens ook rondfladderen op de heidevelden in het Noorden van ons land. Om deze te spotten zijn we een keer voor dag en dauw ons hotel uitgegaan naar de Delleboersterheide (Friesland). We hebben daar alle pijpenstrootjes en andere plantjes langs het pad afgezocht in de hoop een heideblauwtje te vinden dat nog moest opwarmen. Dan blijven ze nog even lekker stilzitten namelijk en zijn ze beter te fotograferen. En onze inspanning werd beloond....!

Heideblauwtje

Als volleerde blauwtjesherkenner (hahaha) let je nu op de hockeystick (geen!), drie stipjes op regelmatige afstand (niet!), dus dit is in ieder geval geen icarus- of bruin blauwtje. Onderscheidend voor het heideblauwtje zijn de grote ronde stippen en de tekening langs de rand die groter en duidelijker pijlvormig is dan bij de eerder genoemde soorten. De bovenzijde van de vleugels van het mannetje zijn helderblauw met een brede zwarte rand en witte 'franjes', vrouwtjes zijn bruingekleurd met eveneens bruine franje. 

Heidevlinder man

Als je nu nog aan het lezen bent, dan ben je een echte doorzetter. Dus ik bespreek nog even een paar zeldzamere soorten blauwtjes, speciaal voor de 'die-hards'. Jaren geleden waren we een paar dagen bij de Meinweg in midden-Limburg. Toen ons tripje erop zat besloten we langs Posterholt te rijden, waar een van de laatste populaties van het donker pimpernelblauwtje te vinden was. Hier geen gezeur over oranje stippen want dit blauwtje is te herkennen aan de kaneelkleurige onderkant van de vleugels met een rijtje kleine zwarte stipjes. De mannetjes zijn aan de bovenkant bruin met blauwe bestuiving, de vrouwtjes bruin.

Donker pimpernelblauwtje

Het is een kieskeurig vlindertje en voor de voortplanting zijn twee factoren van belang: de aanwezigheid van de voedselplant grote pimpernel (de bloem op de foto) waarbij bovendien een nest van (moeras)steekmieren te vinden is. Omdat deze mieren maar enkele meters van het nest vandaan gaan, selecteert het vrouwtje planten die dichtbij een mierennest groeien. Jonge rupsen eten van de zaden van de pimpernel. Na de derde vervelling laat de rups zich op de grond vallen en wacht tot hij wordt meegenomen door een steekmier. Na vijf tot vijftien minuten krijgt de mier een druppel zoetigheid als beloning. De rups richt zich op, de mier pakt hem en gaat met de rups tussen zijn kaken naar het nest. De rups eet kleine mierenlarven en eitjes en overwintert tussen de mierenlarven. In het nest vindt ook de verpopping plaats. 

Helaas ging het een jaar of twee later grondig mis met dit bijzondere plekje. Door een misverstand werd de berm te vroeg gemaaid en verdwenen alle pimpernellen. Daarmee waren ook de pimpernelblauwtjes ten dode opgeschreven. Alleen in het puntje van Zuid-Limburg zie ik nog en klein stipje staan als verspreidingsgebied.

Twee andere blauwtjes hebben we gezien in Noord-Spanje. We hadden een dag een privégids gehuurd die ons meenam de bergen in. In een idyllische bergweide vonden we het bleek blauwtje, dat bij voorkeur op kalkgraslanden leeft. Ik ga je even niet meer vermoeien met stipjes op de onderkant van de vleugels :), want aan de blauwe kleur van onderstaand mannetje zie je waar het insect zijn naam aan dankt.

Bleek blauwtje (man) - Noord-Spanje

Het laatste blauwtje dat ik aan je voorstel is het turkooisblauwtje, ook een kalkgrasvlinder. Helaas is het al een beetje een afgevlogen exemplaar, waardoor de stippen minder goed zichtbaar zijn. In ieder geval zijn de stippen op de bovenste vleugel groter dan die op de ondervleugel.


Heb ik nog wat te wensen, wat blauwtjes betreft? Ja, ik zou graag het gentiaanblauwtje eens willen zien, die in het oosten van Nederland nog wel voorkomt. Al was het ook maar vanwege die prachtige gentiaan als waardplant. De onderkant van die vlindervleugels lijken wel wat op die van de donkere pimpernelvlinder. Maar je raadt het vast al: DE STIPJES STAAN ANDERS *&%#! 

woensdag 26 augustus 2026

Libellen hebben meer succes bij het jagen dan leeuwen of haaien

Soms maken we een meerdaags tripje met het doel om libellen en juffers te spotten in bijzondere natuurgebieden. Dat heeft tot op heden echter nog nooit echt goed uitgepakt. Het was altijd te nat, te koud of te winderig (of allemaal tegelijk) tijdens de hoogzomerdagen die we geboekt hadden. Ook nu zaten we net in die ene echte regenweek in Noord-Brabant om in de Kampina te zoeken naar libellen. Niets vloog, behalve wij als we de wind mee hadden op de fiets :). Op de laatste dag scheen er een mager zonnetje, de wind had maar kracht 2 en de temperatuur was aangenaam. We keken rond op landgoed Steenenburg, waar de ten onder gaande soldaten in de vijver herinnerden aan het failliete Land van Ooit. Niet alleen deze troep soldaten maar ook het pretpark had hier letterlijk zijn Waterloo gevonden.

Waterloo in de vijver van Landgoed Steenenburg

Ik heb het pretpark 25 jaar geleden bezocht met mijn schoonfamilie en tegelijk met ons arriveerden twaalf touringcars, volgepropt met leden van de Belgische Bond van Grote Gezinnen. Met 8-10 kinderen per gezin was het een levendige boel :). Nu staan de beelden in alle stilte in het water. In de knieholte van één soldaat zat een groen kikkertje op te warmen in de zon. Bij groene kikkers is altijd lastig te bepalen wat voor soort het precies is, zoals ik in dit blogje beschreef. 

Groene kikker

Er vlogen drie soorten libellen: de grote keizerlibel, de paardenbijter en heidelibellen, allemaal soorten die we 'thuis' ook kunnen zien. We liepen nog een rondje langs de eiken- en beukenlanen toen de volgende bui in alle hevigheid losbarstte. Toen was het weer gedaan met de libellen....

Steenrode en bruinrode heidelibellen kun je nu in vrijwel ons hele land zien, ook al doet de naam misschien anders vermoeden. Over deze soort kun je meer lezen in deze blog.
Ook de paardenbijter is een vrij algemene soort, hoewel deze helaas behoorlijk achteruit gaat in aantallen. Deze libel herken je aan de gele 'spijker' op achterlijfsegment 2 (onder het borststuk).

Paardenbijter

Het beestje kreeg de naam paardenbijter omdat de libel vaak dicht bij paarden en andere dieren vliegt om op vliegen, horzels en dazen te jagen. Van een afstand lijkt het daardoor alsof het dier het paard aanvalt of bijt. Maar dat is helemaal niet het geval.

In het boekje Terra Insecta las ik een paar interessante feiten over libellen. Leeuwen slagen in slechts één op de vier gevallen om een prooi te vangen. De grote witte haai heeft zo'n 300 tanden, maar zelfs dat helpt niet om elke prooi die hij wil te pakken: hij heeft slechts een slagingskans van 50%. Neem dan de libellen, zij grijpen hun beoogde prooi in maar liefst 95% van de gevallen. Yeah, insects rule :)! Libellen zijn dan ook oppermachtig in de lucht. De vier vleugels kunnen onafhankelijk van elkaar bewegen: elke vleugel wordt aangestuurd door een eigen set spieren. Je begrijpt dus waarom libellen zo'n body builder borststuk hebben. 
Die spieren kunnen zowel de vleugelslag als de richting bijsturen. Hierdoor zijn deze vliegkunstenaars in staat om vooruit, achteruit èn op en neer te vliegen en halen daarbij snelheden tot 50 kilometer per uur. Als het zo uitkomt hangen ze ook even stil in de lucht. 

Een andere factor in hun jachtsucces zijn hun sublieme ogen.

Facetogen van de steenrode heidelibel
(te herkennen aan de zwarte 'hangsnor' langs de neus)

Elk oog bestaat uit 30.000 (!) kleine oogjes, die naast kleur ook ultraviolet en gepolariseerd licht kunnen zien. De bolvorm zorgt voor zicht rondom. Hiermee zien ze ook elke fotograaf aankomen en dat maakt fotograferen zo lastig :), ik heb de libellen voor bovenstaande foto's dan ook heeeeel voorzichtig benaderd. 

In dat kleine koppie zitten hersens die alle info die door de ogen binnenkomt razendsnel kunnen verwerken. Wij mensen kunnen twintig beelden per seconde verwerken, dan zien we alles in een vloeiende lijn, zoals in een film. Een libel kan tot driehonderd beelden onderscheiden en elk beeld zien. Daarbij kan het insect enorm goed focussen op prooien en kan ze haar snelheid en richting aanpassen tot dit eindigt in een succesvolle jacht. 
En dat allemaal met een brein dat zo groot is als een rijstkorrel. Van de één miljoen zenuwcellen is 80% gericht op het verwerken van de beelden uit de ogen. 

Tsja, zo kijk ik letterlijk weer met andere ogen naar libellen. En ik ben blij dat wij niet op het menu staan van deze sierlijke vliegers, want dan maakten we weinig kans....

zondag 16 augustus 2026

Houtpantserjuffers: metallic beauty's in je tuin

Houtpantserjuffer, de vleugels staan in v-vorm in rust

Momenteel vliegen ze bij tientallen in mijn tuin. Kleine, ranke juffers met knisperende vleugels die tegen de avond een plekje zoeken om de nacht door te komen. Ze zitten in de heg, hangen aan de klimrozen en zoeken ook vaak de top van de bamboestokken bij de tomatenplanten op. Ik heb het over houtpantserjuffers, wat mij betreft een van de mooiste juffersoorten, met hun groene metallic lijf. Naarmate de herfst vordert worden ze donkerder en zelfs koperkleurig, want deze kleine libellen kun je tot in oktober of zelfs november tegenkomen. Normaal verschijnen ze zo massaal in september, maar dit jaar zijn ze er - in ieder geval in mijn tuin - veel vroeger bij. Ze komen in vrijwel het hele land voor, dus de kans dat je er een bij jou in buurt kunt zien is heel groot. 

Haar naam dankt de houtpantserjuffer aan het feit dat zij haar eieren afzet in de schors van bomen en struiken langs een oever. Andere juffers en libellen dippen hun eitjes met hun achterlijf in het water of zetten deze af op waterplanten.

De legboor van het houtpantservrouwtje heeft een speciale voorziening in de vorm van een zaagrand, waarmee zij door hout heen kan boren. Uit het eitje komt een prolarve, een tussenstadium tussen ei en echte larve, die op het droge kan overleven. De prolarve laat zich uit de boom of struik in het water vallen, waar de prolarvehuid onmiddellijk openscheurt en de larve tevoorschijn komt. Ook als de prolarve niet meteen in het water terechtkomt, kan ze enige uren overleven en zich al kruipend naar het water bewegen. Dus behalve mooi is deze juffer door dit gedrag ook heel bijzonder! 

Juffers hebben vijf ogen

De houtpantserjuffer heeft net als andere juffers vijf ogen. Twee vallen onmiddellijk op: de bruine facetogen aan de zijkant van de kop. Deze grote ogen bestaan uit duizenden kleine mini-oogjes. Ze geven de juffer een heel breed zicht op de omgeving. Op het voorhoofd hebben ze drie onopvallende oogjes (de zwarte/witte puntjes die in een driehoek staan), de zogenaamde ocelli. Deze kleine enkelvoudige oogjes meten licht en donker en helpen bij het sturen tijdens het vliegen. Op bovenstaande macrofoto kun je die goed zien.

Tenslotte is de houtpantserjuffer ook nog een buitenbeentje qua vleugelstand. De grote libellen strekken in rust hun vleugels zijwaarts en juffers leggen ze achter of boven hun lijf. De houtpantserjuffer zit daar een beetje tussenin met een v-vormige stand van de vleugels. 

Weidebeekjuffers strekken hun vleugels
in rust naast of boven hun lijf

Let de komende tijd eens op de houtpantserjuffers, ze zijn het bekijken waard. Deze bijna 5 centimeter grote insecten leven van vliegjes en muggen. Het is mooi als ze er daarvan wat verschalken want de muggen houden mij de laatste weken behoorlijk uit mijn slaap :(. 

vrijdag 14 augustus 2026

Een zonsverduistering en herinneringen eraan

Audun le Roman 1999

De zonsverduistering van 12 augustus 2026 riep een heleboel herinneringen op aan de eclips van 1999. Met een vriendengroep zijn we destijds naar Frankrijk afgereisd voor de ervaring van een volledige verduistering. Een vriend plande met militaire precisie de hele operatie; er werd verwacht dat 2 miljoen mensen naar Frankrijk af zouden reizen. De eclips van 11 augustus 1999 viel (ook) op een woensdag, dus dat betekende dat we een dag verlof moesten nemen. Op 10 augustus reden we na ons werk naar een vriendin in Maastricht waar de slaapzakken werden uitgerold en een paar uur later al weer werden ingepakt. Om 2 uur in de nacht vertrokken we richting Metz om eventuele files voor te zijn. Om 7 uur arriveerden we in het dorpje Audun le Roman en vroegen ons af of er al een bakker open zou zijn voor het ontbijt. Terwijl we overlegden zwaaide een raam open en een vrouw vroeg of ze ons kon helpen. In ons beste Frans legden we uit dat we nog een paar uur zoek moesten brengen voor de zonsverduistering en of er een bakker of café in het (kleine en tamelijk vervallen) dorp was. Dat was er niet, maar ze nodigde ons uit voor het ontbijt. Superaardig! Zo installeerden we ons aan de ontbijttafel van de familie Jantzen. Pa en ma waren al op. Niet lang daarna verschenen een zoon en een dochter, met een slaaphoofd, warrig haar en in een slaapshirt, vers uit bed. Geschokt keken ze naar het tafereel en vroegen hun moeder om uitleg. Dochter verdween schielijk weer naar boven, maar zoonlief had te veel trek en nam een stoel. Zonder verder een woord te zeggen propte hij zijn ontbijt naar binnen.

We keken nog wat in de omgeving rond om de tijd te doden en maakten ons zorgen over de bewolking die van geen wijken wist. Elke zonnestraal die doorkwam werd met vreugde begroet. We zochten een plek buiten het dorpje, met weids uitzicht rondom: landerijen, een vervallen boerenschuurtje en in de verte het dorp, er was geen mens te zien. Ik bracht mijn (analoge) camera in stelling. Ik zou pas over een week zien of de foto's wat geworden waren. 

Tegen de tijd dat het schouwspel begon, brak de bewolking en kregen we zicht op de verduistering. 

Eclips, Audun le Roman 1999

Ik schreef destijds dit verslag in mijn album: 
"Bijna half 1, het moment suprême nadert. Een zwarte schaduw komt aanrazen. Vlak voor de verduistering is het licht sprookjesachtig mysterieus. Hier staat iets groots te gebeuren. Het wordt kouder en de wolken trekken weg. Dan verdwijnt de zon, de hemel wordt zwartblauw en de corona is te zien; roze vonken spatten er van af. Alles is stil. Je krijgt voor één keer een blik in het heelal. Je bent nietig maar ook onderdeel van het universum. Dit gevoel maak je nooit meer mee."

Volledige eclips, 1999 Audun le Roman

Als ik het teruglees krijg ik alweer kippenvel. Een aantal foto's bleek achteraf wonderwel gelukt, zodat we tastbare herinneringen aan deze dag overhielden. Na de eclips vertrokken we richting huis en hebben zowat de hele route file gehad. Maar deze ervaring nam niemand ons meer af. We behoorden tot de groep gelukkigen, want veel mensen op andere zichtlocaties werden teleurgesteld: bij hen verdween de bewolking niet. Hun eclips ging letterlijk de mist in. 

Dat de gedeeltelijke verduistering van afgelopen woensdag het gevoel van 1999 niet zou kunnen evenaren had ik wel verwacht. Die laatste 10% bedekking maken het verschil. Maar de kans was te uniek om deze niet te grijpen. Te meer daar we op 10 minuten lopen van ons huis een prima uitzichtpunt hadden. Daar waren we dit keer zeker niet de enigen die het schouwspel wilden beleven.

Verduisteringsdrukte langs de Heimanswetering

Een kleine misrekening was dat we onze eclipsbrilletjes van 1999 niet meer konden gebruiken. Op de dag zelf kregen we een tip dat die brilletjes slechts 5 jaar gegarandeerd goed werken en toen was er natuurlijk nergens meer een brilletje te koop. 
We besloten te experimenteren met een vergiet, zoals in de media werd aangeraden en zagen zo indirect wat er gebeurde. 



De verduistering vele malen
geprojecteerd door een vergiet
 
Ik had deze keer een digitale camera mee, dus ik kon wel meteen bekijken of de foto's gelukt waren. Ondanks een extreem korte sluitertijd (die ik destijds met mijn analoge camera niet eens kon instellen) overstraalde het beetje zonlicht de verduistering. Maar het overjarige eclipsbrilletje kwam nog goed van pas. Door deze voor de cameralens te houden, werd de straling gedempt en kon ik deze foto maken op het hoogtepunt van de verduistering. 

Zonsverduistering 2026 Alphen aan den Rijn

Het licht verflauwde en het werd koeler, maar de effecten waren niet zo sterk als in 1999. Terwijl de maan de zon weer meer ruimte gaf, maakte ik nog één foto. Het was een mooie belevenis, vooral omdat er zoveel herinneringen naar boven kwamen aan die ene perfecte eclips van 1999. 

Zonsverduistering Alphen aan den Rijn 2026


zaterdag 8 augustus 2026

Doe eens een bermsafari!

Op bermsafari langs de Heimanswetering

Het zou weer een snikhete dag worden maar toen ik in alle vroegte wakker werd bewoog het slaapkamergordijn zacht op en neer door een koel briesje. Ik besloot op te staan om nog even te kunnen genieten van de relatieve koelte met een ochtendwandeling. In het park was weinig te beleven, behalve dat de futen een tweede nestje eieren hadden uitgebroed. Drie kleine kuikens zwommen in de vijver, dus in totaal heeft dit futenpaar in 2026 voor zes nakomelingen gezorgd, mooi! Ik liep naar de Heimanswetering waar kort geleden aan de oevers was gewerkt. Het strakke grasplantsoen tussen de stoep en de wetering had plaatsgemaakt voor een braakliggend veldje, dat inmiddels begroeit raakt. Ogenschijnlijk was er weinig te zien, maar toen ik goed keek, stonden er heeel veeel verschillende plantjes in de berm. Ik besloot ter plekke een bermsafari te doen en alle planten te registreren op waarneming.nl. 

Ogenschijnlijk weinig te beleven in deze berm

De meeste planten waren nog 'laag bij de gronds', dus ik moest enigszins door de knieën voor het beste resultaat, maar uiteindelijk kon ik 46 waarnemingen van 39 soorten noteren. Ik dacht aan mijn jeugd, toen ik opgroeide in een nieuwbouwwijk met tig van die braakliggende veldjes. Wat ik daar allemaal aan plantjes vond, klaprozen, kamille, akkerviooltjes, korenbloemen, klaver en wat al niet meer. Het kan dus nog steeds. Iets minder aanharken en maaien, daar vaart zo'n berm zonder verdere functie wel bij. 
Sommige planten groeiden net buiten de berm in het water, zoals de grote watereppe. Deze giftige plant vind je vooral in matig voedselrijke wateren in het Westen en Noorden van ons land. De bladeren boven en onder water zien er verschillend uit. 

Grote watereppe

Het is één van de waardplanten van een zeldzaam vlindertje: de eppedwergspanner. Er is jaarlijks één generatie die vliegt van eind mei tot in augustus. Rupsen kun je vinden van juni tot september en dit insect komt als pop de winter door. Het vlindertje is vooral waargenomen in het oosten van het land. Daar is de watereppe waar-ie zijn naam aan ontleent niet talrijk. Gelukkig kunnen de rupsen ook eten van berenklauw, engelwortel en torkruid.

Eppedwergspanner
Foto: M. Virtala, Copyrighted free use,
via Wikimedia Commons

Voor mij was één van de opvallendste soorten in de berm de basterdklaver. Hoewel dat plantje eruit ziet als een kruising tussen de rode en de witte klaver, is het toch een aparte ondersoort. Hanneke Waller heeft daar op stadsplanten.nl een goede uitleg over gegeven. De plant heette vroeger bastaardklaver, wat wel degelijk zo'n kruising suggereert. Nu heet-ie dus 'basterd', wat betekent dat er 'gelijkenis is met'.

Allereerst maar eens wat foto's. Van witte klaver zag ik vroeger op die braakliggende stukjes hele velden. 

Witte klaver
Van de bloemen maakte ik kransen en ik kon uren zoeken naar klavertjes vier, op mijn hurken zittend en elk blaadje afspeurend - toen was geduld nog heel gewoon :). Het was een ware prestatie om zo'n klavertje vier te vinden bij een plant die 'trifolium' (drie blaadjes) heet. In de zeldzame gevallen dat ik er een tegenkwam, droogde mijn moeder het exemplaar en plakte het in mijn fotoalbum. 

Een 62 jaar oud klavertje vier

Witte klaver wortelt op knopen zoals dat heet: de plant kruipt over de grond en de bloemen komen vanaf de liggende stengel omhoog. Ze vormen een 'tapijtje'. 

Witte klaver vormt tapijten
Foto: Algirdas, Wikimedia, CC BY-SA 3.0

Dan de rode klaver (die in mijn optiek eerder paars/lila is) en die kan variëren in kleur. Er zijn ook witte en vleeskleurige bloemen van de rode klaver. Bij twijfel kun je kijken naar de twee tegenover elkaar staande bladen vlak onder het bloemhoofdje. Dat heeft alleen de rode klaver.

Rode klaver

Op de blaadjes van de rode klaver zie je ook de kenmerkende lichte v-vormige vlek. 

Rode klaver met v-vormige vlek op de bladeren.

Tot slot komen we dan bij de basterdklaver. Allereerst valt de bloemkleur op: vaak wit met roze, maar dat verandert in de tijd. De bloemkroon is eerst wit, wordt later roze, en als de bloem verwelkt ontstaat er een vleeskleurige tot oranjebruine tint. Aangezien de bloemen van onderaf in bloei komen, zijn de bloemen in volle bloei twee- tot driekleurig. Basterdklaver wortelt niet - zoals witte klaver - op de knopen, maar de stengels staat rechtop. De bloemen steken hoger uit en langs de stengel zit blad, waardoor het lijkt of de hoofdjes op stelen met blad staan.

Basterdklaver

Zoals je op de foto's goed kunt zien ontbreken de twee blaadjes vlak bij het bloemhoofdje, dus dat is het onderscheid met de rode klaver. Ook mist de basterdklaver de v-vormige witte vlek op de bladeren. 


Al met al was het een productieve wandeling geworden. De klok stond op half 10 en de thermometer op 30 graden toen ik thuis kwam. De rest van de dag heb ik geschuild voor de hitte. 

woensdag 5 augustus 2026

Moestuinleed en slakkendodende vliegen

Met de moestuin is het niet zo voorspoedig gelopen dit jaar. We hadden de aarde in onze twee moestuinbakken weer eens opgehoogd met verse biogrond, dus we hadden hoge verwachtingen. De peulen en erwten in het vroege voorjaar deden het erg goed. Zoveel oogst hadden we nog nooit gehad! Ook de eetbare bloemen ontkiemden goed uit het zaad en eind mei konden we fleurige salades maken met goudsbloem, Oost-Indische kers, komkommerkruid en ander kleurrijks. 

Eetbare bloemen van de Oost-Indische kers

Krieltjes van onze aardappelplanten in potten konden ook nog geoogst worden. Maar daarna ging het grondig mis: de tomaten groeiden nauwelijks en alles wat ik in juni nog uitplantte werd opgegeten door de slakken. Slakkenkorrels is voor ons geen optie en biervallen hebben we wel geprobeerd maar met weinig succes. Dus de ene na de andere slakrop (sla-krop dus en niet slak-rop :)) en kruidenplantjes verdween gedurende de nacht in slakkenmagen. Ik had zelf drie courgetteplanten gezaaid: allemaal weg! Nog eentje gekocht in het tuincentrum en op een droge avond uitgeplant. Helaas was er 's ochtends geen spoor meer van te vinden. Droogbloemen en dropplant: bij het zien van een groene waas van opkomend groen maakte mijn hart een sprongetje. De blijdschap was echter van korte duur, want het groen werd elke nacht minder. Op de kale aarde nam de haagwinde het plekje over. Tsja, zo gaat dat met moestuinieren, het ene jaar zit het mee en het andere jaar tegen. 

Er zijn wel wat natuurlijke helpers maar die zijn niet elk jaar even actief. Egels en padden houden van slakken en zanglijsters lusten ze ook graag. Zanglijsters slaan het huisje stuk op een tegel en verorberen de slak. Helaas zijn deze dieren dit jaar grotendeels afwezig in onze tuin. 

Zanglijster verorbert een segrijnslak

Toevallig kreeg ik wel een nieuwe helper in het vizier. Ik had een zweefvlieg zien landen in de tuin en ging naar binnen om mijn telefoon te pakken voor een foto. Toen ik weer buiten kwam was het beestje gevlogen. Op het raam zag ik een ander insect en dacht: eens kijken wat dat voor vlieg is. Ik verwachtte niks bijzonders maar ObsIdentify vertelde mij dat het een bruine slakkendodende vlieg was. De specifieke soort was onbekend, want die bruine slakkendoders schijnen erg op elkaar te lijken en dan moet er een microscoop aan te pas komen om ze verder op naam te brengen. 

Bruine slakkendodende vlieg

De slakkendoders of slakkendodende vliegen hebben hun Nederlandse naam te danken aan hun larven. Deze consumeren namelijk (water)slakken, de vliegen zelf eten die niet: die leven van nectar en honingdauw. Ik had nog nooit van deze soort gehoord en daarin ben ik vast niet de enige. Door hun levenswijze vallen slakkendoders namelijk meestal niet op. Ze zitten verscholen tussen de  (moeras)planten, vaak ondersteboven tegen een stengel en nauwelijks bewegend. Het is daarom niet eenvoudig om ze te vinden, hoewel ze volop aanwezig kunnen zijn. Je kunt ze het beste opsporen met een sleepnet, tenzij je het geluk hebt dat er een poseert op je raam natuurlijk :). 

Er zijn 67 verschillende soorten slakkendodende vliegen in Nederland. Die kunnen er fraai getekend uitzien, zoals op onderstaande foto. Daarbij vergeleken is het door mij gevonden exemplaar maar een grijze muis. 

Enkele veel voorkomende slakkendodende vliegen:  1. rouwslakkendoder
2. bonte slakkendoder 3. gewone streepslakvlieg 4. gewone oeverslakvlieg
Uit: De Nederlandse slakkendoders (Sciomyzidae), Aat Barendregt, EIS Kenniscentrum Insecten

De larven zijn meedogenloze jagers. Afhankelijk van de soort gebruiken ze twee verschillende strategieën. Allereerst heb je de actieve jagers. Hun doelwit zijn slakken in het water of op het land. De larve kruipt actief op een slak en bijt direct. Het speeksel bevat een gif dat de slak verlamt. Vervolgens eet de larve de slak binnen een paar uur helemaal leeg. Eén enkele larve doodt en eet meerdere slakken tijdens haar groei.

Dan heb je nog de groep sluipmoordenaars. Zij richten zich meestal op landslakken. De jonge larve dringt ongemerkt de schelp van de slak binnen. Ze eet dan heel langzaam van de slak, zonder vitale organen te raken. De slak blijft dagenlang leven terwijl de larve in haar groeit, pas aan het einde van haar ontwikkeling doodt de larve de slak definitief.
Dat lijkt me geen fijne manier om aan je eind te komen. Maar stiekem hoop ik toch op de hulp van deze vliegen om de slakkenpopulatie in mijn tuin een beetje onder controle te houden......

zaterdag 25 juli 2026

Een hangplek voor een plakker (vlinder)

Vanuit mijn ooghoek zag ik een donkere vlek op het raam van de schuifpui. Dat trok mijn aandacht. Niet dat ik meteen met emmer en zeem klaarstond :), want deze keer was het eens géén vogelpoep - gelukkig. Er zat een nachtvlinder op het raam, met een prachtig donzig lijfje en nog fraaiere geveerde antennes. De juiste focus te krijgen was - met alle doorkijkjes en spiegelingen in het glas - nog moeilijk genoeg en ik deed een schietgebedje dat de vlinder bleef zitten tot ik 'm geïdentificeerd had met ObsIndentify. Het beestje had de intrigerende naam 'Plakker'. 

Plakker

Vanuit de kamer was dat identificeren dus in ieder geval gelukt, maar ik wilde ook graag een foto van de bovenkant van de vleugels en het liefst ook die geveerde antennes wat beter in beeld. Rustig begaf ik me naar buiten en de vlinder bleef lekker hangen (of moet ik zeggen plakken) tegen de ruit. Zo kon ik de bruin gemêleerde vleugels op de foto zetten. 

Plakkermannetjes hebben geveerde antennes

Ik had hier te maken met een mannetjesvlinder. Dat werd verraden door de antennes, die bedoeld zijn om de geurstoffen (feromonen) van vrouwtjesplakkers op te vangen. Het was een gelukje om deze vlinder te zien, want als imago (volwassen insect) leven ze maar een paar dagen. Als rupsen proppen ze zich vol met bladeren - vooral die van de zomereik zijn populair -, maar als vlinder eten ze niet meer. Zorgen voor nageslacht is nog hun enige doel.


Mannelijke plakkervlinders kunnen de feromonen van een vrouwtje op een afstand van enkele honderden meters tot wel enkele kilometers (soms tot maximaal 2,5 tot 3 kilometer) ruiken, afhankelijk van de wind en de openheid van het landschap. De grote, veervormige voelsprieten hebben een heel groot oppervlak waardoor zelfs een paar moleculen van de geurstof genoeg is om een vrouwtje op het spoor te komen. Als het mannetje de geur opvangt, vliegt hij zigzaggend tegen de wind in tot hij het vrouwtje heeft gevonden.

Het vrouwtje ziet er heel anders uit dan het mannetje. Om te beginnen is ze wel een centimeter langer dan het mannetje; zo'n 3,5 centimeter. Ze is wit met een paar donkere stipjes en een schattig bontkraagje. Het vrouwtje verplaatst zich niet en blijft op de boom waar ze is geboren. Daar zal ook het voedsel voor haar nakomelingen te vinden zijn. 

Mannetjesplakkers hebben een vrouwtje gevonden
Foto: Rafe Roughton - iNaturalist, CC0,
https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=193538496

Als een vrouwtjesplakker in juli of augustus als vlinders uit haar cocon komt, is ze te zwaar om te kunnen opstijgen. De eitjes zitten al in haar lichaam, maar ze moeten wel nog bevrucht worden. Ze laat haar feromonen meedrijven op de wind om mannetjes te lokken. Om te paren gaat het mannetje onder de vleugels van het vrouwtje zitten. Haar eieren legt ze op de stam van de boom waarop ze zit, en ze bedekt die eitjes met de irriterende haartjes van haar buik om ze te beschermen. Hun naam hebben deze vlinders te danken aan het met haartjes beplakken van hun eitjes. Zo'n plakkervrouwtje kan trouwens wel 800 eieren leggen! 

Vrouwtjes met hun behaarde eiernestjes
Foto:  usfs_Eastern_Region - 20210712-FS-R8-TC-001, Wikimedia

De eitjes zitten tijdens de herfst en winter veilig in de schorsspleten van de boom onder het harige jasje. In april kruipen de rupsen uit het ei. Ze hebben flinke honger en met zijn 800-en op een boom is misschien wat veel van het goede. Sommige rupsjes gaan daarom op reis: ze kunnen door een voorjaarsbriesje verspreid worden, aangezien de wind een goede grip heeft op de vele haren die hun lichaam bedekken. Die rupsenharen zijn overigens voor mensen niet irriterend.

Rups van de plakker
Foto: IronChris - Own work, CC BY-SA 3.0,

https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=931449

In twee tot drie maanden zal de rups zich verder ontwikkelen door veel te eten. De mannetjes vervellen in die tijd vijf keer en toekomstige vrouwtjes zelfs zes keer omdat zij als vlinder groter zijn. Eind juni verpoppen de rupsen en zo’n twee weken later verschijnen de plakkers in volwassen vorm.

Ik ben benieuwd of 'mijn plakker' op tijd een vrouwtje gevonden heeft. Ik ga de eiken in het park maar eens afspeuren of ik zo'n witte plakker met een harig nestje zie. De vlinder komt vrij algemeen voor in Nederland. Dus waar je ook woont, je maakt altijd kans op een plakker - maar in het noorden en op de Wadden moet je er wat meer moeite voor doen :). 

zaterdag 11 juli 2026

Maak dit weekend een kwartiertje vrij om vlinders te tellen!

Vanuit mijn terras zag ik een boomblauwtje eitjes leggen op de kattenstaart. Dit mooie grijsblauwe vlindertjes kun je door vrijwel het hele land zien. Ze vliegen van midden maart-begin juni en half juni- begin oktober in twee of drie, elkaar overlappende generaties. De eitjes worden afgezet bij de bloemknoppen of de jonge vruchten. Hierdoor verschilt de keuze van de waardplant tussen de verschillende generaties: in het voorjaar worden de eitjes vooral afgezet op sporkehout en hulst. In de zomer met name op klimop, struikhei en grote kattenstaart. De buren hebben een hulstboom in de tuin, en wij hebben klimop en kattenstaart. Zo kan ik zowel de voorjaarsgeneratie als de zomervlinders in mijn tuin zien vliegen. 

Foto uit mijn boek The art of food

De eitjes zijn wit en erg klein, maar met de macrolens lukte het een aantal jaar geleden om ze scherp in beeld te krijgen. Ik kon gericht zoeken omdat ik de vlinder een ei had zien afzetten. 

Het eitje van een boomblauwtje

Ook nu weer zag ik het boomblauwtje druk in de weer. Op elke bloeistengel waarvan de bloemetjes al een beetje open waren, werd een eitje afgezet. De jonge rupsen maken een klein rond gaatje in de bloemknop of vrucht en voeden zich met de inhoud. Van enkele planten kan de rups in het laatste stadium ook de bladeren eten, zoals van sporkehout. Bepaalde mierensoorten treden op als beschermers van de rupsen. In dank daarvoor likken de mieren een zoete stof op die de rups uitscheidt. Kort voor de verpopping verlaat de rups de waardplant en loopt, soms nog twee dagen, over de bodem voordat hij zich inspint om zich te verpoppen. De pop bevindt zich meestal tussen de bladeren in de strooisellaag of in schorsspleten. De soort overwintert als pop. In april kun je deze vrolijke fladderaars al weer zien als echte lentebodes.

Dit alles herinnerde mij eraan dat dit weekend de tuinvlindertelling plaatsvindt. Het wordt prima vlinderweer, dus als je een kwartiertje over hebt, tel dan mee. Zo kan de vlinderstand goed gemonitord worden en kunnen er waar nodig maatregelen worden genomen om de leefomstandigheden van deze tere insecten te verbeteren. Kijk voor alle informatie op de site van de Vlinderstichting

Om je vast in de stemming te brengen, onderstaand nog een paar vlinderfoto's.

Icarusblauwtje

Icarusblauwtje (man)

Pimpernelblauwtje

Atalanta

Tel ze dit weekend! Namens de vlinders: hartelijk dank.