Op een zonnig moment tussen de eindeloze regenbuien door waren er allerlei kleine vogels in het stadsparkje te ontdekken. De kale bomen staken af tegen een dreigende lucht en al snel hoorde ik het levendige gepiep van een kluitje staartmezen. Deze pluizige bolletjes in de kleuren zwart, wit en roze, met een kenmerkende lange staart, zitten zelden lang op één plek. Toch lukte het om er eentje op de film te krijgen. Staartmeesjes leven van insectjes die ze verzamelen op bomen, ze halen daarbij acrobatische toeren uit en balanceren aan de smalste twijgjes. In deze tijd van het jaar, als er weinig insectenvoedsel is, kun je ze ook in je tuin zien, want ze lusten dan graag zaden van de voederplank of vetbollen. Ze zoeken hun eten in familiegroepjes en met hun hoge piepjes houden ze contact met elkaar. Als er eentje naar een volgende boom vertrekt dan weet je dat de andere meesjes één voor één zullen volgen. En als een broer of zus nog niet uitgegeten is, wachten ze allemaal op de achterblijver. Vogelringers merkten op dat als ze één staartmees van de familie vingen om te ringen, dat de anderen in de buurt bleven om op de geringde vogel te wachten. Staartmezen zijn trouwens geen familie van de koolmees en pimpelmees maar vormen een aparte vogelfamilie. Verderop in het park hoorde ik nog hoger gepiep en daar was een groepje goudhaantjes voedsel aan het zoeken. Deze vogeltjes zijn nog kleiner en nog beweeglijker dan de staartmezen. Een half uur filmen leverde een paar bruikbare shotjes op. Waar staartmezen iets meer dan 8 gram wegen, tonen de goudhaantjes niet meer dan 4 tot 7 gram op de weegschaal.
Goudhaantje Tekening: Jos Zwarts, wikimedia
In de winter hebben alle vogels moeite om hun lichaamstemperatuur op 41 graden te houden, en dat geldt eens te meer voor kleine vogels. Om dan te overleven moeten ze de hele dag eten. De goudhaan moet per dag 2-4 gram eten, ongeveer de helft van het lichaamsgewicht, de staartmezen peuzelen één derde van hun lichaamsgewicht bij elkaar. 's Nachts gaan de staartmezen en goudhaantjes in de spaarstand: ze laten hun lichaamstemperatuur 5 graden zakken, zetten hun veren bol en slapen knus bij elkaar op een beschutte plek. Soms zoeken de twee vogelsoorten daarbij elkaars gezelschap op. Samen sterk denken deze lichtgewichten blijkbaar. Daarbij worden ze soms vergezeld door nog meer klein grut: boomkruipers (die ik ook in beeld kreeg bij het filmen), boomklevers en winterkoningen. De staartmezen zitten vaak zo dicht bij elkaar dat het één grote bol lijkt, waaruit alleen de staarten steken. Niet alleen overleven in de kou vergt veel energie. Straks, als de lente weer aanbreekt, verliest een winterkoning met de hele dag zingen een kwart van zijn gewicht. Maar voorlopig moeten ze nog even de winter doorkomen.....
Zoals het kaartje van Sovon Vogelonderzoek laat zien, kunnen we grote zaagbekken vooral in Nederland zien in de wintermaanden december tot en met februari. Dan verblijven zo'n 8000-10.000 zaagbekken in onze wateren. Vooral op het IJsselmeer zit een grote populatie, maar ook in ander zoet water kun je ze tegenkomen. In de zomer broeden ze in Scandinavië, Rusland en IJsland. In boomholtes bij het water groeien de jonkies op in een nest met flink wat dons. Moeder is veel op pad om voedsel te zoeken voor het gezin, want vader laat het bij de broedzorg afweten. In het donsnest blijven de jonkies op momenten dat er geen oudervogel is toch goed warm. Met wel 15 kuikens te voeden moet moeder veel vis vangen. Wanneer de vorst in hun zomerverblijf te streng wordt, zakken de vogels af naar het zuiden. Ondanks hun gewicht van 1,5 à 2 kilo en hun relatief kleine vleugels halen ze dan wel een snelheid van 100 km per uur. De naam zaagbek is te danken aan hun getande snavel, die handig is om vis mee vast te grijpen.
De vrouwtjes zijn grijzig met een kastanjebruine kop. Meestal zie je hun kuif naar achter steken (ze hebben een 'matje'). Mannetjes hebben een zalmroze tot wit lijf, een donkere rug en een glanzend groene kop. De paarsige snavel loopt uit in een haakje. In de Amsterdamse Waterleidingduinen zien we er elk jaar wel een paar. Maar dat we er in november al met enige regelmaat 10-12 zien, is aan de vroege kant. In Siberië is het momenteel zo'n -35 graden Celsius. Waarschijnlijk vonden de zaagbekken dat aan de frisse kant :). Vandaag maakte ik de foto's bij deze blog. Vorige week filmde ik er. De meeste zaagbekken zaten toen ver op het water. Maar één vrouwtje kwam dichtbij genoeg om haar te filmen. Verder zie je in de film een goudhaantje (het piepkleine vogeltje vrijwel aan het begin). Met zijn lengte van 8,5 cm en gewicht van 5 (!) gram is dit Europa's kleinste vogel. Vaak verbergen ze zich in naaldbomen en bovendien zijn ze hyperactief; ze zitten nauwelijks een seconde stil. Ik was blij dat ik ze eens op film kreeg, want een fatsoenlijke foto maken is nog nooit gelukt. Je herkent ze aan hun gele kruinstreep.