Schorpioenvlieg

Schorpioenvlieg
Posts tonen met het label Geul. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Geul. Alle posts tonen

vrijdag 3 juni 2022

Het Geuldal en de eikelmuis

In de meivakantie waren we weer eens in Limburg om te wandelen en te genieten van het mooie heuvelland. Het was nog fris maar meestal zonnig en er was niet veel wind: ideaal wandelweer. Bij aankomst is het traditie om te gaan lunchen bij Buitenlust in Camerig, waar we onder het genot van een rijk voorziene streekplank prachtig uitkijken over het Geuldal. Aansluitend liepen we via de Bellet hoogstamboomgaard (waar ik al eens een blog aan wijdde) naar de Geul. Zuid-Limburg herbergt een aantal zoogdieren die in de rest van Nederland niet voorkomen, zoals de hazelmuis en de eikelmuis, die hier aan de noordkant van hun verspreidingsgebied zitten, zoals je op onderstaand kaartje over de eikelmuis kunt zien.

Verspreidingsgebied van de eikelmuis (rode kleur: Eliomys quercinus)
By Carlosblh - Commons, CC BY-SA 3.0, wikimedia

De eikelmuis (fruitdiefje in de volksmond) komt uitsluitend in Zuid-Limburg voor in de omgeving van Maastricht. De eikelmuis is zeldzaam en met uitsterven bedreigd. Er leven nog slechts enkele tientallen dieren op de oostelijke Maasdalhelling in de hellingbossen bij Gronsveld en daarbuiten mogelijk verspreid nog enkele dieren in de omgeving van Maastricht en Valkenburg. De eikelmuis staat op de Nederlandse Rode Lijst als ernstig bedreigd. Het werd dus tijd voor een beschermingsplan. In 2018 is er een vijfjarenplan gemaakt (Feys S. & Nijs G. 2018) met als doel de kleine bestaande populatie te beschermen en het areaal geschikt leefgebied te vergroten onder andere richting het Geuldal. 

Eikelmuis
By Jctramasure - Own work, CC BY-SA 3.0, wikimedia

Eikelmuisjes zijn tussen 10–17 cm lang (mannetjes zijn meestal iets groter dan vrouwtjes) en hun staart voegt daar nog eens 15 cm aan toe. Die staart is dichtbehaard en eindigt in een zwart-witte pluim. Als een roofdier het muisje bij de staart pakt, stroopt deze af (net als bij hagedissen). De kale staart verdroogt en wordt afgebeten. Vanaf dat moment gaat de eikelmuis staartloos door het leven want de staart groeit niet meer aan. Hoewel eikelmuizen bekend staan als ‘fruitdiefjes’, vormt dierlijk voedsel het grootste deel van het menu van de soort. Huisjesslakken, wormen, spinnen, insecten en allerlei andere ongewervelden zijn dagelijkse kost, en ook jonge vogels, eieren, amfibieën en reptielen worden vermalen met hun kiesjes. 

De rugvacht is grijs- tot kaneelbruin, vaak enigszins rossig en de buik vuilwit. Het meest opvallende kenmerk is echter het zwarte oogmasker. Het muisje leeft vooral 's nachts, met grote ogen en oren staan deze zintuigen op scherp om in het donker te overleven. Samen met de hazelmuis behoort de eikelmuis tot de familie van de slaapmuizen. Die houden enkele maanden per jaar een winterslaap. In het najaar vetten ze op en in de winter teren ze in op die reserves. Een eikelmuis kan daarom variëren in gewicht van 45-140 gram. 

In Nederland wordt het voornaamste leefgebied gevormd door kleinschalig cultuurlandschap (hoogstamboomgaarden, hagen, graften en holle wegen) die verbonden zijn in een aaneengesloten netwerk met (structuurrijke) hellingbossen op kalkrijke bodem. In Nederland is het Savelsbos de enige locatie waar zowel historisch als tegenwoordig nog met zekerheid eikelmuizen voorkomen. Oude schuurtjes in combinatie met wilde overhoekjes, struweelbosjes en fruitbomen vormen ideale schuil- en foerageergelegenheid voor de eikelmuis.

De eikelmuizen zijn gebaat bij structuurrijk en gevarieerd bos en bosranden, met veel vruchtdragende bomen en struiken. Daarnaast wordt in het plan gepleit voor aanleg en goed beheren van hoogstamboomgaarden: "In het verleden was een groot deel van het Savelsbos omringd door hoogstamboomgaarden, waar de eikelmuizen terecht konden voor een aantal belangrijke aspecten in hun levenscyclus. In deze boomgaarden vinden ze niet alleen voedsel (fruit) in het najaar, maar ook schuil- en rustplaatsen in de vaak oudere bomen met holtes, en dit gedurende het hele jaar. Een groot deel van deze boomgaarden verdween echter en maakte plaats voor akkerland, waardoor het leefgebied van de eikelmuizen vermoedelijk sterk inkromp. Om deze trend te keren kan de aanleg en het eikelmuisvriendelijk beheer van hoogstamboomgaarden in of aansluitend aan het leefgebied van eikelmuizen een positief effect hebben op de soort."

Door het omringende landschap opnieuw ‘aan te kleden’ met hagen, heggen, vruchtdragende bomen en struiken, ontstaat ook buiten het bos aanvullend leefgebied voor de soort en worden op termijn geschikte foerageergebieden met elkaar verbonden. Zo kan de eikelmuis zich in de toekomst hopelijk verspreiden door het Geuldal en wellicht op termijn in de Bellet boomgaard een stekje vinden.

Nog zonder eikelmuizen maar met de laatste appelbloesem in bloei zie je de boomgaard en de rest van onze wandeling naar de Geul en weer omhoog naar Camerig in het filmpje van deze week (klik hier).


 


zaterdag 12 september 2020

Weidebeekjuffers: een schitterend schouwspel

Weidebeekjuffer (man)
Jarenlang ging het bergafwaarts met de beekjuffers: schitterende metallic juffers (kleine libellen) in de kleuren staalblauw en mosgroen. Beekjuffers hebben zuurstofrijk water nodig en in de vorige eeuw waren de beken niet schoon genoeg meer om dat te bieden. Ik herinner me hoe de Geleenbeek zich schuimend van de fosfaten een weg zocht langs het Stammenderbos. Inmiddels is er veel verbeterd aan de waterkwaliteit en met name de weidebeekjuffers hebben hun territoria langs beken weer ingenomen. Gelukkig maar, want een fladderende weidebeekjuffer boven het water is een prachtig schouwspel waar ik blij van wordt. Terwijl mijn man een ijsje at bij de naburige ijsboerderij, posteerde ik mijn camera op statief langs de oever van de Geul bij Camerig om de territoriumdrift, de paring en de ei-afzetting van deze wondermooie juffers vast te leggen. De zon scheen warm in mijn nek, maar het was de moeite waard. Voor de mannetjes van de beekjuffers is het hebben van een territorium een absolute noodzaak om zich voort te kunnen planten. Mannetjes zonder territorium hebben een veel lagere kans om een vrouwtje te paaien. Ze investeren daarom enorm veel energie in het verkrijgen en behouden van een territorium. Na de paring begeleidt het mannetje het vrouwtje bij het ei afzetten binnen het territorium. Hierbij verjaagt hij vrijwel alles wat maar een beetje in de buurt komt van het eiafzettende vrouwtje, zelfs grote libellen. 


Vrouwtjes van de weidebeekjuffer zetten eieren af

En dat verdedigen is erg belangrijk, want als het vrouwtje met een volgend mannetje paart, is dat mannetje in staat om het sperma van zijn voorganger te verwijderen met speciale borstels aan zijn lijf. Om de aandacht van vrouwtjes te trekken hebben weidebeekmannetjes op de onderzijde van de achterlijfspunt een wit vlekje. Op het moment dat een vrouwtje dichtbij of in het territorium van het mannetje verschijnt reageert deze daarop door vlak voor het vrouwtje in de lucht de hangen. Daarbij steekt hij het achterlijf omhoog zodat het ‘achterlichtje’ zichtbaar wordt. Het vrouwtje toont haar interesse door achter het mannetje aan te vliegen en in zijn territorium plaats te nemen. Het mannetje blijft fladderend om het vrouwtje vliegen. Een onderdeel van deze dans is het ‘drijfvertoon’ waarbij het mannetje zich op het water laat vallen en zich een stukje laat meedrijven op het water. Gedacht wordt dat hij hiermee zijn dapperheid etaleert, of dat hij hiermee de aandacht wil vestigen op de kwaliteit van zijn territorium. Eieren van beekjuffers ontwikkelen zich namelijk veel beter naarmate de stroomsnelheid hoger is. Door zich een stukje te laten meedrijven kan het vrouwtje de stroomsnelheid inschatten. Dat gedrag heb ik niet kunnen waarnemen. Feit is wel dat ik de paring en ei-afzetting zag gebeuren op een stukje water waar zeker stroming aanwezig was. In het filmpje heb ik ook de biotoop in beeld gebracht: oevervegetatie is van belang als uitkijkpost en bepaalde waterplanten zijn vitaal voor het afzetten van de eitjes. Geniet van de fraaie juffers in het filmpje door hier te klikken. 


zaterdag 24 augustus 2019

Waterhoentjes in science fiction decor

Waterhoentje
Eén van de redenen waarom ik niet hou van science fictionfilms is omdat er in die films meestal geen sprietje groen te bekennen is. De omgeving ziet er uit als de ergste woestijn op aarde. In de Geul kwam ik twee nesten van waterhoentjes tegen in zo'n zelfde omgeving. De Geul stroomt op dat punt het stadje Valkenburg in en aan de rand van de woonwijk was er een nieuwe kademuur opgetrokken. Al het groen had moeten wijken voor de aanleg van de muur. Dat is in de verste verte niet de natuurlijke omgeving voor waterhoentjes. Hun enorme tenen zijn bedoeld om op waterplanten te lopen, zoals de grote bladeren van de waterlelie of de gele plomp. Maar hier zag ik ouder en kind(eren) in een science fiction decor. Het pas geboren waterhoentje dribbelde over de keien en bedelde bij vader of moeder om voedsel. Je ziet dat zijn tenen enorm zijn, ondanks zijn kleine lijfje. Nu zijn die tenen nog zwart, later kleuren die geelgroen zoals je bij de oudervogel ziet. De vleugeltjes zijn nog minuscuul! Het duurt nog bijna 50 dagen eer het kleintje kan vliegen. 
De laatste jaren krijgen we de waterhoentjes wat vaker te zien en zijn ze niet meer zo schuw. Toen ik mijn natuurgidsenopleiding deed, in 2003/2004, had ik grote moeite om er een voor de lens te krijgen. Zodra ik er eentje zag, had de vogel mij ook in de gaten en verstopte zich tussen het riet of dook onder. In zo'n geval trekt de waterhoen zich langs een rietstengel naar beneden en steekt af en toe een snavelpuntje boven water om lucht te happen. Dan valt er weinig te fotograferen :). Inmiddels zijn ze een vrij algemene verschijning geworden. Toch loont het om de vogel eens goed te bekijken, want het verenkleed heeft allerlei subtiele grijs/bruine kleuren en de snavel van de volwassen vogels is felrood met geel. Waterhoentjes voeden zich met waterplanten, grassen, insecten, spinnen, kikkervisjes en af en toe ook eieren van andere vogels. Ze maken meerdere nesten per jaar, waarin vier tot negen eieren gelegd worden. Kom je een nest tegen met meer eieren, dan is er sprake van een zogenaamd 'dumpnest' waarin andere vrouwtjes hun eieren 'te vondeling' hebben gelegd. Als het eerste ei gelegd is, beginnen de ouders meteen met broeden. Zodra het eerste jong uit het ei komt gaat vader met de nieuweling op pad, moeder broedt de rest van de eieren uit.

E-mailabonnees kunnen hier klikken om het filmpje van deze week te zien.




zaterdag 17 augustus 2019

Het zinkviooltje gedijt op zware metalen

Zinkviooltje
Al in de Romeinse tijd werd in de buurt van het Belgische La Calamine erts van lood en zink gewonnen. De bloeitijd van de mijnen, net over de grens van Zuid-Limburg, was tussen 1820 en 1880; meer dan 1000 mensen werkten destijds in de groeves. Toen in 1938 de laatste zinkmijn uitgeput raakte, was er ongeveer 2 miljoen ton zinkerts uit de grond gehaald. De zinkmijnen zijn inmiddels gesloten, maar er ligt nog veel afval. Daardoor kun je in dit gebied bijzondere planten tegen komen: de zogenaamde zinkflora. Het zinkviooltje, de zinkblaassilene en andere planten van het zinkplantenverbond groeien er in een reservaat bij de verlaten mijnen. Andere planten zouden snel doodgaan met zoveel zware metalen in de bodem, maar een paar soorten gedijen erop. Deze planten zijn uniek in de wereld en komen alleen rond deze zinkmijnen in Wallonië en langs de Geul in Limburg voor. Want het water van de Geul nam de metalen (en zaden) mee en bij overstromingen kwamen ze in de Limburgse bodem terecht. Zo werd in 1830 het eerste zinkviooltje in Nederland ontdekt. In 1911 schreef natuurvorser Eli Heimans dat er langs de Geul duizenden van deze viooltjes bloeiden, samen met de zinkblaassilene en zinkboerenkers.
Zinkblaassilene

We besloten eens een kijkje te nemen in dit bijzondere gebied, en maakten vanuit Kelmis (B) een bijzonder afwisselende wandeling uit het boekje "De Geul van bron tot monding" van Olaf op den Kamp. Stiekem hoopte ik niet alleen het zinkviooltje aan te treffen, maar ook de zilveren maan en andere parelmoervlinders, die deze viooltjes als waardplant hebben. Helaas gooide het weer roet in het eten: het was te koud. Er waren geen insecten te zien. Zinkplanten hebben van nature een hogere behoefte aan zink dan andere planten. Maar ook daaraan zit een grens. Om te overleven op een grond die zo vervuild is met zink, wordt het zinkviooltje geholpen door een schimmel, die zorgt dat de wortels van het viooltje niet te veel zink opnemen. Het Engels gras dat hier groeit heeft een ander trucje: die plant scheidt de zware metalen uit via bladopeningen. De zinkboerenkers verzamelt de metalen in bepaalde afvalblaadjes en raakt ze zo kwijt.
Grasklokjes en zinkblaassilene

Het grasklokje is geen echte zinkplant, maar heeft van nature een bepaalde afweer tegen deze metalen. Deze soort zagen we massaal, samen met de zinkblaassilene, langs een voormalige spoorweg (inmiddels een wandelpad) waarlangs de ertsen werden vervoerd.

In het filmpje van deze week (e-mailabonnees klik hier) kun je deze planten zien, samen met het landschap dat wordt doorsneden door de riviertjes de Geul en de Hohn.


woensdag 10 mei 2017

Limburgs heuvelland - de Bellet hoogstamboomgaard

Onlangs hebben we tijdens een korte vakantie wandelingen in het Zuid-Limburgse heuvelland gemaakt. In deze en een aantal volgende blogs laat ik telkens een filmpje van zo'n wandeling zien. Deze keer de wandeling van Camerig naar het Geuldal en door kleinschalig cultuurlandschap terug omhoog. Een bijzonder natuurgebiedje dat je op deze route tegenkomt is de Bellet hoogstamboomgaard. De eerste bomen werden er zo’n 75 jaar geleden geplant. Momenteel vind je er zo'n 350 appel-, peren en pruimenbomen, die al 40 jaar niet meer met gif bespoten zijn. De variatie in rassen is groot: zeker 17 appelrassen en 10 perenrassen zijn vastgesteld. Van sommige is niet bekend tot welk ras ze behoren. Meerdere oude rassen zijn zeldzaam geworden, waardoor de Belletboomgaard van belang is bij het behouden van deze rassen uit het vroegere Limburgse landschap. Het valfruit uit de boomgaard wordt verwerkt tot appelsap en eau-de-vie de Limbourg, een soort calvados. Overblijvend valfruit wordt in de winter gegeten door muizen, dassen en lijsterachtigen. De boomgaard is door zijn ecologisch verantwoord beheer een goed leefgebied voor met name vogels en insecten. Grauwe klauwier en gekraagde roodstaart zijn voorbeelden van zeldzame broedvogels. Ik heb nog gespeurd naar prooien die de klauwier op prikkeldraad of meidoorns had geprikt, maar die vond ik niet. Ik denk dat de vogels nog niet terug waren in Nederland. Meestal arriveren ze pas in mei in hun Nederlandse broedgebied. Meer informatie over de Bellet boomgaard vind je op de site van het Limburgs Landschap. Wil je meer weten over de grauwe klauwier, klik dan hier. In een volgend blog neem ik je mee naar het Bunderbos, een hellingbos met veel bronnen en bijzondere flora.


Reminder voor (nieuwe) abonnees: als je in het emailbericht geen filmpje ziet, klik dan op de link 'filmpje' in de tekst of op de titel van mijn blog om naar de website te gaan.