zaterdag 22 juni 2019

Smaragdlangsprietmotten op liefdespad

Foto: Andreas Eichler [CC BY-SA 4.0]
Smaragdlangsprietmot....dat is een hele mond vol voor een beestje van anderhalve centimeter. Deze langsprietmotten behoren tot de familie van de microlepidoptera ofwel 'kleine vlinders', een groep die vaak 'motten' worden genoemd. Het zijn dagactieve nachtvlinders, ook al zo'n raar begrip. In een blog uit 2017 heb ik al eens beschreven dat de indeling in dag- en nachtvlinders meer te maken heeft met uiterlijke kenmerken van de vlinder dan het vlieggedrag. Bij nachtvlinders ontbreken de knopjes aan het eind van de (in dit geval enorm lange) voelsprieten. Bij de mannetjes zijn die langer dan hun lijf en wit gekleurd. De beestjes vliegen van april-juni en zijn dan in grote groepen te vinden op bomen met grote bladeren. In Limburg zagen we ze op de bladeren van beuken en esdoorns. Mannetjes proberen met hun baltsdans vrouwtjes te interesseren om te paren, reden waarom ze ineens in wolken kunnen opstijgen. Hun metaalachtige vleugels (die hen de naam 'smaragd' heeft opgeleverd) glanzen dan prachtig in het zonlicht. De rupsen leven van afgevallen bladeren, daarom kom je deze soort in de veenweidegebieden van de randstad en noord-Nederland nauwelijks tegen. In bosrijke delen van ons land zijn ze vrij algemeen. In de Atlas voor de kleinere vlinders kun je een afbeelding van een pop van deze soort zien. Naast deze smaragdlangsprietmot leven nog 18 andere soorten langsprietmotten in Nederland. De geelbandlangsprietmot is er een die je ook regelmatig tegen kunt komen. Cees v/d Niet heeft ze onlangs parend op de foto gezet. Die foto kun je hier bekijken op zijn site Kijk op Natuur, samen met andere insecten uit de Nederlandse natuur.

In mijn filmpje van deze week (e-mailabonnees: klik hier) zie je de baltsdans van de smaragdlangsprietmot en het mooie Limburgse beukenbos bij Vijlen.


zaterdag 15 juni 2019

Kemphaan: een bijzondere verschijning

Kemphaan in broedkleed
Kemphanen waren in ons land vroeger, toen de landbouw nog kleinschalig was ingericht, vrij algemeen. Inmiddels zijn ze zo zeldzaam dat de broedpopulatie op slechts 15-30 paartjes wordt geschat. We hadden ze al eens gezien, door de telescoop in Zeeland en later nog eens op Texel. Maar nooit in broedkleed, als de mannetjes pronken met een prachtige verenkraag. Tot mijn verrassing kregen we die ineens te zien toen we nietsvermoedend een vogelhut aan het Lauwersmeer binnenstapten. Een lang gekoesterde wens ging daarmee in vervulling. De mannetjes zijn groter dan de beige vrouwtjes en ook variabel in het verenpak. De donker gekleurde zijn de onafhankelijke macho's, die actief een vrouwtje voor zich willen winnen. Ze nemen een dominante plaats in op het terrein (ook wel 'lek' genoemd) waar ze een vrouwtje proberen te verleiden. Licht gekleurde mannetjes zijn 'subdominant' en houden zich wat onopvallender op aan de randen van de 'lek'. Zij worden om die reden satellietmannetjes genoemd. Zodra ze echter de kans krijgen, paren ze vanuit hun minder opvallende positie met een vrouwtje, bijvoorbeeld als twee dominante mannetjes in gevecht raken. Een typisch geval van "als twee honden vechten om een been loopt de derde er mee heen".
Foto:  BS Thurner Hof, wikimedia
Satellietmannetje kemphaan
Maar het wordt nog gekker. Want er is nog een derde type mannetje, dat overigens vrij zeldzaam is. En dat mannetje ziet er uit als een vrouwtje! Hij heeft precies het verenkleed van een vrouwtje, maar wel het formaat van het mannetje. Door deze mimicry (dit betekent dat een dier een ander dier qua uiterlijk nabootst) kan hij zich onopvallend tussen de vrouwtjes begeven en zijn kans grijpen als de tijd rijp is. Bij deze als vrouw vermomde mannetjes zijn de testikels 2,5 zo groot als bij de andere mannetjes. Dit alles is in de jaren 70 van de vorige eeuw ontdekt en onderzocht door Friese onderzoekers: dr Theunis Piersma van de Universiteit Groningen en vogelringer Joop Jukema. Veel vogels lijken in de juveniele fase op vrouwtjes. De onopvallender kleuren die ze dan hebben vormen een goede camouflage. Later verandert hun verenkleed in de uitbundige kleuren van de mannetjes. Dat gebeurt bij deze specifieke kemphanen echter niet: ze zien er hun hele leven uit als vrouwtjes. Dat is vastgesteld door onderzoekers van de Canadese Simon Fraser University, die op basis van wilde kemphanen een fokprogramma hebben opgezet. Na dertig jaar fokken met de kemphanen kunnen ze concluderen dat de 'verklede' mannetjes inderdaad hetzelfde verenkleed behouden. De Friese onderzoekers hebben dit type mannetje 'faeder' (vader) genoemd. Dus kemphanenmannen komen in drie soorten: de onafhankelijke, de satellietmannetjes en de 'vaders'. Probeer maar uit te vinden wat er in het filmpje van deze week allemaal te zien is van die kemphanen. Daarnaast zie je nog een impressie van andere vogels langs het Lauwersmeer.

E-mailabonnees kunnen hier klikken om het filmpje te bekijken.


zaterdag 8 juni 2019

Schuim op het strand

Zeeschuim wordt veroorzaakt door afstervende slijmalgen
In het voorjaar is er regelmatig schuim te zien op het strand, het ene jaar meer dan het andere. Dat is het gevolg van afgestorven algen die door de wind opgeklopt worden tot schuim. Het lichte spul wordt door de wind naar het strand geblazen. De Stichting Anemoon (ANalyse Educatie en Marien Oecologisch ONderzoek) legt het fenomeen helder uit: de algenbloei ontstaat als volgt: fosfaten en nitraten zijn voedingsstoffen die opgelost in het zeewater onontbeerlijke voedingsstoffen zijn voor o.a. microscopisch kleine eencellige algen. Het zijn de bouwstenen van eiwitten en het genetisch materiaal: het DNA. Phaeocystis, ook wel slijmalg genoemd, is een kolonievormende alg die in ons kustwater natuurlijk voorkomt. Zij is onder andere afhankelijk van de hoeveelheid beschikbare fosfaten en nitraten, maar ook van de stijgende zeewatertemperatuur en de hoeveelheid zonlicht. Gunstige concentraties van de voedingsstoffen en de zonnige dagen dragen sterk bij aan een enorme algenbloei. Op zulke momenten is het zeewater sterk vertroebeld door ontelbare olieachtige bolletjes waar honderden kleine Phaeocystis algencelletjes in opgesloten zitten. Het zicht onder water loopt dan terug van 2 meter naar 20-50 centimeter. De algenbloei is een belangrijk proces voor de mariene biodiversiteit. De algjes bouwen de organische voedingsstoffen op die geconsumeerd worden door het dierlijk plankton. Dat vormt de voedselbasis voor grotere dieren zoals zeepokken, garnalen, zakpijpen en neteldieren.
Zeeschuim zie je vooral in het voorjaar

De reden dat je dit fenomeen meestal in het voorjaar ziet, heeft te maken met de geringe hoeveelheid licht in de winter: dat is te weinig voor de algen. Intussen bouwt een voorraad stikstof en fosfaat op in de zee. In de lente komt er meer zonlicht en het water wordt warmer: ideale omstandigheden voor algen om snel te groeien op deze hoeveelheden stikstof en fosfaat. Wanneer de voedingsstoffen op zijn, sterven ze weer af en komen de schuimpartijen aanwaaien. In het algemeen is het schuim niet schadelijk voor de gezondheid.

Wij zagen het al weer een tijdje geleden op een winderige dag in Noordwijk. Het schuim was behoorlijk fotogeniek en 'wandelde' over het strand in de wind. Dat is te zien in het filmpje van deze week. E-mailabonnees kunnen hier klikken om het filmpje te bekijken.


Soms neemt de schuimvorming grootse vormen aan, zoals te zien is in dit filmpje, opgenomen in Australië in 2013. 


zaterdag 1 juni 2019

Een nest vol zwaantjes

Vijf van de zes eieren zijn uitgekomen
Deze week twee (langere) filmpjes en minder woorden in mijn blog. De vorige week heb ik je in spanning achter gelaten over het lot van de pas geboren meerkoetjes. Zelf heb ik er ook bijna een week over gedaan eer ik duidelijkheid had. Op een mistige zaterdagochtend, 18 mei, besloot ik weer eens een tijdje te posten bij het zwanennest, want de 38 dagen broedtijd zaten er nu wel op. Het was frisjes voor de tijd van het jaar. Moeder zwaan zat minder rustig en hield haar vleugels enigszins uitgespreid over het nest. Was dat een teken dat er kleine zwaantjes beschermd moesten worden? Niet lang daarna kon ik een glimp opvangen van enkele zwanenkuikens die nieuwsgierig de wereld in keken. Vader zwaan postte op mijn 'normale' standplaats, dus ik moest het doen met een blik door de verrekijker en maximale zoom van mijn camera. Op het water was het een drukte van belang die morgen: de meerkoeten kwamen aanzwemmen, twee kuikens in hun kielzog! Blijkbaar hadden ze zich schuil gehouden tussen de oeverplanten of sloten in de omgeving. Een wilde eend gleed met een sliert van zes jongen voorbij. En twee futen waren pogingen aan het doen om een nest te bouwen, wat door de koeten niet in dank werd afgenomen. Inmiddels was vader zwaan te water gegaan, dus ik besloot om te kijken of ik op mijn vertrouwde plekje nog wat te zien kreeg. Ik stond er bijna drie kwartier zonder veel te bewegen. En net toen ik de moed op wilde geven, kreeg ik een prachtig schouwspel te zien: vijf van de zes zwaantjes waren uit het ei gekropen.

E-mailabonnees kunnen hier klikken voor het eerste filmpje van deze week. Lees vooral door onder het filmpje!


In eerste instantie vond ik dit een mooi eind van de zwanen-trilogie. Maar sommige kijkers op YouTube vroegen mij hoe het was afgelopen met dat zesde ei. Op een avond ben ik nog eens gaan kijken, en kon concluderen dat de familie compleet was. Ook de zes eendjes zwommen nog rond en de twee meerkoetjes zaten weer rustig op het nest. Het leven in dit kleine watertje zag er goed uit.

E-mailabonnees kunnen het tweede filmpje bekijken door hier te klikken



Film "Twaalf maanden natuur" in wordt op 14 juni vertoond in Nieuwkoop

Op 14 juni wordt mijn film 'Twaalf maanden natuur in het Groene Hart vertoond in Theater Kaleidoskoop in Nieuwkoop. Kijk voor meer informatie op de site van het theater.

zaterdag 25 mei 2019

Nestelende zwanen en meerkoeten, hoe het verder ging

Twee meerkoetkuikens zijn geboren
In mijn blog van 20 april schreef ik over de nestelende zwanen en meerkoeten die elkaar het leven in eerste instantie zuur maakten. De zwaan vond dat de meerkoeten in zijn vaarwater zaten en vernielde hun nest. Die lieten het er niet bij zitten en repareerden het. Na enkele dagen was de ruzie beslecht en zaten beide soorten te broeden. Meerkoeten hoeven maar een week of 3 à 3,5 te broeden, terwijl zwanen 38 dagen op de eieren zitten. Toen ik eens ging kijken hoe de zaak ervoor stond bij de nesten, verbaasde het mij dus niet dat de meerkoeten net jongen hadden gekregen. Twee rode koppies kwamen onder moeders veren uit als vader een lekker hapje kwam brengen. Dat kan een stukje waterplant zijn (dat is samen met gras het belangrijkste voedsel van de koeten), maar als ze nog jong zijn eten ze ook dierlijk voedsel voor de broodnodige eiwitten. Dan staan ook waterdiertjes op het menu. Aan de snaveltjes waren nog witte puntjes te zien; de zogenaamde ei-tand, die de kuikens gebruiken om uit het ei te breken. Na een paar dagen is die ei-tand verdwenen.
De zwanenvrouw zat nog op het nest en lag de meeste tijd te dutten. Manlief is er alleen voor de bewaking zoals je in mijn vorige blog kon lezen. Ook hij leek te dutten, maar zijn oog was niet gesloten en keek alert in de rondte naar potentieel gevaar. Mijn geduld werd aardig op de proef gesteld, maar na bijna een uur stond de vrouwtjeszwaan op van haar nest om de eieren te keren. Zes stuks lagen er in, het nest was daarmee voor dit legsel blijkbaar compleet. Deze week zou het spannend worden: op welke dag zouden de eieren uitkomen en zou ik de jonge zwaantjes kunnen filmen?
Zes eieren in het zwanennest
Ik besloot de dag erna nog even te gaan kijken, aan het einde van de middag omdat het licht dan beter op het meerkoetennest zou vallen. De zwaan was nog op het nest, maar het meerkoetennest was tot mijn schrik verlaten. Ik zag één volwassen meerkoet, maar geen kleintjes. In de gele treurwilg boven het nest zat een paar eksters ongelooflijk veel lawaai te maken. Ze zouden toch geen smakelijk hapje hebben gehad aan de jonge koetjes? Dat is hoe het werkt in de natuur, maar toch....
Elke ochtend passeerde ik het nest op weg naar mijn werk, maar van de meerkoetjes geen spoor. Het zou nog even duren eer ik meer te weten kwam over het lot van de kuikens. Daarover lees je in mijn blog van de volgende week.

E-mailabonnees kunnen hier klikken om de film van deze week te bekijken.






zaterdag 18 mei 2019

Flirtende vlinders hebben geen tijd om te eten

Het bont zandoogje kan overwinteren
als rups of als pop
Een wandeling in de buurt van het Limburgse plaatsje Holset voerde door een relatief jong berkenbos. Berken zijn echte pionierbomen, die kale vlaktes snel koloniseren. De bomen laten veel licht door, waardoor er veel ondergroei is. Dat zijn plekjes waar de hazelmuis en hazelworm zich thuis voelen, maar die soorten zijn verschrikkelijk moeilijk te spotten. In het lichte bos waren bonte zandoogjes aan het flirten. Bonte zandoogjes zien we gelukkig steeds vaker in Nederland. Wat betreft hun overwinteringsgedrag zijn dat best bijzondere vlinders. Zoals de meeste mensen wel weten maken vlinders een volledige gedaantewisseling door: uit het ei komen rupsen, vreetmachines die gedurende dit stadium 20x langer en duizenden keren zwaarder worden vergeleken met het moment dat ze als rups te voorschijn kwamen. Na het popstadium vliegen de vlinders uit. Hoe vlinders overwinteren is per soort genetisch vastgelegd: sommige soorten doen dat als vlinder (zoals de citroenvlinder en de dagpauwoog), andere als ei of als pop. De bonte zandoogjes kunnen flexibel overwinteren: als rups of als pop, dat is zeldzaam in de vlinderwereld. De overwinterende poppen komen eerder uit, omdat ze al een stadium verder zijn, en die bonte zandoogjes kunnen we dan al vroeg in het jaar tegen komen, op zijn vroegst in maart. De mannetjes gaan vervolgens posten op een uitstekende tak of andere plek waar hij goed gezien kan worden door de vrouwtjes. Als er een interessante partner langskomt vliegt het mannetje om het vrouwtje heen en scheidt geurstoffen (feromonen) af. Het vrouwtje kan op basis van de geur en het vlieggedrag zien of het mannetje van 'haar soort' is. Dan kan de paring plaatsvinden. In het filmpje van deze week, zie je dit flirtgedrag.

Geen tijd om te eten
Er is een onderzoeker die gedurende een periode van 8 jaar heeft bijgehouden hoe vlinders de dag doorbrengen. De meeste tijd (30%) vliegen de vlinders, gevolgd door drinken (26%) van nectar, sap van rottend fruit, mest of hars. Territoriaal gedrag (zitten, patrouilleren en vechten met concurrenten) neemt gemiddeld zo'n 20% van hun tijd in beslag, en zitten ook zo'n 19% (bijvoorbeeld om op te warmen). Met flirten en paren brengen ze 4% van hun tijd door, om tenslotte 1% van hun tijd te besteden aan eieren leggen. De tijdbesteding van de verschillende soorten vlinders kan afwijken van deze gemiddelden. Vlinders die er een territorium op na houden zijn daar vaak intensief mee bezig. Zo sterk zelfs dat ze nauwelijks aan eten toekomen. Specifieke gegevens van het bont zandoogje heb ik niet (het onderzoek is gedaan in een tijd dat de bont zandoogjes nog vrij zeldzaam waren), maar andere territoriale vlinders zoals het bruin zandoogje en de argusvlinder besteden zo rond de 50-55% van hun tijd aan territoriaal gedrag. Het bruin zandoogje kan maar een paar procent van de tijd aan voedsel zoeken besteden, de argusvlinder ongeveer 15%. Zulke vlinders hebben een kort leven...

Boompieper
Foto: xulescu_g [CC BY-SA 2.0]

We zagen in het bos tenslotte ook een boompieper, een soort die je echt moet zoeken in het oosten van ons land. Hij zat in een boom op een kapvlakte en steeg op in de lucht om te zingen, om vervolgens weer te landen op een tak. Lees meer over de boompieper op de site van de Vogelbescherming. Hij duikt even op in de film.

E-mailabonnees kunnen hier klikken om het filmpje van deze week te bekijken.


zaterdag 11 mei 2019

Lang leve de paardenbloem

Een paardenbloemplant produceert
veel zaad met hoge kiemkracht
Ik weet niet of alle gazonbezitters het eens zijn met de titel van dit blog, maar ik doel hier voornamelijk op de leeftijd van deze plant. Want een paardenbloem kan wel 15 jaar oud worden. Met een bladrozet van 20 à 30 cm doorsnee en een worteldiepte van 3 tot 4,5 meter is deze plant moeilijk te bestrijden. Schoffel je het rozet weg, dan ontspruiten er al snel nieuwe planten uit de wortel. De plant is winterhard tot een graad of -35 à -40 Celsius. Na de bloei vormt zich een bol met zaadpluis van zogenaamde 'nootjes' met een parachuutje eraan, die door de wind tientallen kilometers kunnen worden weggevoerd. De paardenbloem maakt er tussen de 54 en 172 per bloem, wat per plant kan oplopen tot zo'n 5000. En die hebben dan ook nog eens een kiemkracht van 90%. Kortom: een doorzetter van formaat.
Een paardenbloem kan 15 jaar worden

Hier valt als mens alleen nog van de nood een deugd te maken. Om te beginnen leveren de paardenbloemen in het vroege voorjaar nectar voor insecten, op een moment dat er nog niet veel te halen valt. Dat is pure winst voor onze bestuivers. De meeste delen van de plant zijn eetbaar (behalve de steel met het melksap). Ik heb wel eens paardenbloemen bereid met een pannenkoekbeslag, gebakken in een pan. Ik moet zeggen dat de poedersuiker het meest smaakvolle aan het geheel was :). In Groenland (dat lang niet zo groen is als de naam doet vermoeden) kregen we paardenbloemblad als salade opgediend, bij gebrek aan andere groente. De bladeren bevatten veel vitamine C. Het smaakte enigszins bitter, maar wel lekker.  Om van die bittere smaak af te komen kun je de bladeren even blancheren of roerbakken zoals spinazie. Ook wordt de rozet wel met aarde of een pot bedekt, de gele stelen die dan te voorschijn komen noemt men molsla en zijn in Frankrijk een delicatesse. Van de geroosterde wortels kan surrogaatkoffie worden gemaakt. De Britten brouwen zelfs bier van deze plant (Dandelion stout).
De Britten maken er bier van
De Russen maakten van paardenbloemen een echte productieplant voor.... rubber! In 1941 werd in de voormalige Sovjet Unie 67.000 hectare paardenbloemen geteeld voor de productie van rubber uit het melksap. Dat was overigens niet onze 'gewone' paardenbloem maar de variant Taraxacum koksghyz. Per hectare leverden de paardenbloemen 150 kg rubber. Ter vergelijking: de rubberboom in de tropen levert 2000 kg per hectare. Toch voorzag de Sovjet-productie in die tijd in 30% van de rubberbehoefte.
Tenslotte is de plant ook gewoon mooi om te zien. Op een ochtend zag ik bij zonsopgang een overhoekje met uitgebloeide paardenbloemen. Ik heb twee uur lang genoten van de opkomende zon, de nevel die boven de velden hing en het prachtige licht in het paardenbloempluis, dat helemaal vol hing met pareltjes dauw. Geniet mee in het filmpje van deze week (e-mailabonnees klik hier).



zaterdag 4 mei 2019

Kievitsbloemen en de aardappel

Kievitsbloemen zijn in het wild erg zeldzaam geworden
Planten zoals de dotterbloem en kievitsbloem zijn typische soorten van natte hooilanden. In de heemtuin van Leiderdorp waren de kievitsbloemen talrijk, dat is beslist niet elk jaar het geval. Dus ik had geluk toen ik er in april ging filmen. Met de zon achter de wijnrode klokjes kwam het blokjespatroon van de bloemblaadjes goed tot zijn recht. In het wild is de plant in ons land zeer zeldzaam, langs de Overijsselse Vecht en het Zwarte Water in Zwolle zijn ze nog te vinden. Wanneer de rivier overstroomt worden de zaden met het water meegevoerd. Dan begint het lange wachten, want het zaad doet er zo'n 5 tot 8 jaar over om een bloeiend bolletje te worden. Hommels zijn belangrijk voor de bestuiving van de plant, die daarvoor een 'landingsbaan' van ultraviolet licht uitstraalt. Ook door zelfbestuiving kan de plant zaad maken, maar een door hommels bestoven plant is fitter dan zo'n zelfbestuiver. Onderzoekers stelden vast dat bevruchte kievitsbloemen een maand langer leven. Waarschijnlijk is dat een hormonale kwestie: als een hommel de plant bestuift komt er een signaalstof vrij die de plant aanzet om nog niet af te sterven. En de plant blijft dan afweerstoffen aanmaken tegen ziektes. Kievitsbloemen zijn gevoelig voor een schimmel: Pythium. Maar dank zij de hommel kan deze schimmel bij het bolgewasje aanzienlijk minder schade aanrichten. Een mooie bijvangst van jaren onderzoek naar hommels en kievitsbloemen was dat dit ook lijkt te werken bij aardappels. Wanneer die bevrucht worden, treedt de gevreesde aardappelziekte fytoftora veel minder op. Maar dan moeten we wel weer aardappels gaan kweken die bloeien. De meeste aardappelplanten die nu op de akkers staan, bloeien niet meer. Omdat de bloei veel energie vraagt van de plant - en dus van de eetbare knol - worden aardappels geteeld met steriele planten.
Aardappelbloemen zijn minstens
even zeldzaam....
Toen ik dat las ging mij een licht op. Een aantal jaren geleden ben ik begonnen om wat groenten in mijn achtertuin te telen. Ik had ook wat pootaardappeltjes gekocht, die ik in grote containers en zakken opkweekte. De aardappels bloeiden met mooie wit/gele bloemetjes en we hadden een flinke aardappeloogst. De jaren erna zag ik tot mijn verbazing nooit meer bloemetjes aan de planten, en de oogst heeft die van het eerste jaar ook nooit meer geëvenaard. Misschien lag het geheim wel bij de bloemetjes en de hommels. Ik heb echter geen idee waar ik nog bloeiende aardappels kan kopen, want ik koop ze elk jaar bij dezelfde leverancier en die pootaardappels zijn blijkbaar veranderd in steriele exemplaren na de eerste aankoop in 2011.

In het filmpje van deze week zie je natuurlijk de kievitsbloemen, maar ook paarse schubwortel, waarover ik in maart 2017 al eens een blog schreef. Ook de witte sterretjes van het daslook straalden deze dag in de zon. E-mailabonnees kunnen hier klikken om het filmpje te zien.

Tenslotte de hartelijke groeten aan het "KNNV-echtpaar" uit Den Haag, dat getuige was van het maken van dit filmpje!


Als extra'tje deze week nog een kort filmpje van wilde hyacintjes in het Alphense Bospark. Email-abonnees: klik hier.



zaterdag 27 april 2019

Bloesemsnoeper

Bloesem in bedauwd gras
De afgelopen weken bloeiden de bloesems uitbundig. In korte tijd ontloken de knoppen, maar door het warme weer was de bloesemtijd ook weer snel voorbij. In het filmpje van deze week zie je wit bloeiende bomen en daartussen een bloesemsnoeper: de houtduif eet de bloemetjes graag. Houtduiven worden vaak verward met stadsduiven ('de duiven op de dam'), maar dat is een andere soort. De houtduif, met zijn opvallende witte vlek in de nek, was vroeger een bosduif. De houtduiven leefden in bossen in de buurt van agrarische activiteiten, waar ze makkelijk 'een graantje konden meepikken'. Dat we ze inmiddels toch vaak in de stad kunnen zien heeft een paar oorzaken. De landbouwmethoden zijn steeds efficiënter geworden, waardoor er weinig restjes over blijven op de velden na de oogst. Er wordt minder zomergraan verbouwd en meer wintergraan en mais. Ook spelen kraaien een rol in dit verhaal. Deze zwarte vogels eten graag houtduiveneieren. De grote witte eieren vallen erg op in het slordige nest van takken, dus voor een kraai zijn ze makkelijk te vinden.
Foto: Donald Hobern, Copenhagen
[CC BY 2.0 ]
Op het platteland werden kraaien bejaagd, dus konden de houtduiven daar redelijk rustig broeden. Maar dat is niet meer het geval. Om die reden zoeken houtduiven vaker de stad op. Daar zitten ze op plekjes waar veel mensen zijn. De kraaien vermijden die drukte, zodat de kans dat de duiveneieren uitkomen groter is. 

Door onderzoek in Maastricht kwamen nog wat interessante zaken aan het licht. Volgens de tellingen zijn de voorjaarsbroedsels van de houtduiven maar weinig succesvol; slechts 10% van de eieren levert levensvatbare jongen. Als de ouders op zoek waren naar voedsel, sloegen de predatoren toe. In het najaar is er aanzienlijk meer broedsucces. De duiven hebben de graanakkers ontdekt die voor de korenwolven (Limburgs beschermde wilde hamster) zijn aangelegd. Ze vliegen rechtstreeks naar deze gedekte tafel en proppen hun krop vol met graan. Daarna zijn ze snel weer terug op het nest, dat zo beter beschermd kan worden. Hopelijk laten ze nog een beetje graan liggen voor de hamsters :). 

E-mailabonnees kunnen hier klikken om het filmpje van deze week te bekijken. 


zaterdag 20 april 2019

Knobbelzwaan is even geen goede buurman

Vrouwtje knobbelzwaan herschikt de eieren in het nest
Ik had geen wekker gezet maar werd toch vroeg wakker op de zondagochtend. Het was nevelig, in de lucht hing de belofte van een mooie lentedag, dus nam ik mijn camera en wandelde de deur uit. Aan de rand van onze wijk is een uitgestrekte polder. Dit plekje had een knobbelzwanenechtpaar uitgekozen om te gaan broeden. Aan het grote nest werd nog gewerkt, maar de basis was al klaar. Het mannetje, herkenbaar aan de iets dikkere nek en de grotere zwarte knobbel bij de aanzet van de oranje snavel, was druk bezig om nestmateriaal te verzamelen. Het vrouwtje had al een paar eieren gelegd zag ik toen ze even opstond: twee, misschien drie grijsgroene eieren lagen op het nest. Een paar meter ernaast was een meerkoet driftig bezig om ook een nestje te bouwen; er werden takjes en waterplanten aangesleept. Op een gegeven moment zwom de mannetjeszwaan statig naar het nest van de meerkoet, het beestje zelf dreef even verderop in het water. Vakkundig en snel ontmantelde de zwaan het koetennest. De takken werden niet voor het eigen nest gebruikt, dus om het materiaal zelf was het de zwaan niet te doen. Blijkbaar vond hij het koetennest iets te dicht bij zijn vrijstaande villa liggen. De meerkoet keek van een afstandje toe, maar leek niet erg gealarmeerd. Op een gegeven moment vond de zwaan het welletjes. Hij zwom naar een sloot verderop en met lange aanloop steeg hij op. De meerkoet keerde terug om met zijn partner het nest te herstellen.
Zwanennest aan de rand van de polder
Intussen zat het knobbelzwaanvrouwtje op het nest en herschikte hier en daar wat nestmateriaal. Zij broedt de 3-8 eieren alleen uit, zonder hulp van het mannetje. Hij brengt haar zelfs geen voedsel, met als gevolg dat ze een paar kilo gewicht verliest in de 38 dagen dat ze continue op de eieren zit. Manlief blijft in de buurt om het nest te beschermen, maar verder reikt zijn taak niet. Na het broeden gaat de vrouwtjeszwaan ruien en kan ze tijdelijk niet vliegen. Als het verenkleed van het vrouwtje weer op orde is, gaat vader zwaan in de rui. Zo is er altijd iemand vliegvlug om de jongen te verdedigen. Grappig genoeg ruien de dieren tegelijk wanneer er geen nageslacht is geboren. Hoe de natuur dat regelt is niet bekend. De jongen zijn variabel van kleur, soms ook binnen één legsel. Witte donzige zwaantjes zijn van oorsprong Pools, de grijze jongen zijn Hollands. Zij vormen nog een maand of 8 à 10 een gezin na de geboorte, maar vader stuurt deze pubers weg tegen de tijd dat er weer gepaard gaat worden. Tussen hun tweede en derde jaar zoeken ze een partner, die ze niet in alle gevallen hun hele leven trouw blijven, hoewel dat wel vaak gedacht wordt. Uit Engels onderzoek blijkt dat tegen de tijd dat op hun vierde jaar het eerste legsel geproduceerd wordt, ongeveer een kwart van de zwanen al een andere partner heeft.
Bekijk de activiteiten van de zwanen en de meerkoeten in het filmpje van deze week (e-mailabonnees kunnen hier klikken om naar het filmpje te gaan).


En hoe liep het af met de meerkoeten? Een paar dagen later zag ik ze zitten naast en op een compleet nest, op de plek waar ze zondag hun bouwactiviteiten begonnen waren. De aanhouder wint!

Mooie opbrengst voor IVN

Mijn film 'Struinen in Park Zegersloot' heeft 765 Euro opgebracht voor IVN Alphen aan den Rijn.
De laatste kans om de film op bioscoopformaat te zien is op Koningsdag, 27 april om 14.00 uur en 15.30 uur. Klik hier voor meer informatie of het reserveren van kaartjes.

zaterdag 13 april 2019

Groeien of bloeien

Jonge esdoorns concurreren
met elkaar tussen het gras
Groeien of bloeien...voor die keuze staan bomen in het voorjaar. Beide opties kosten energie en die moet slim besteed worden. De algemene regel is dat jonge bomen kiezen voor groeien. Ze beginnen in een overvolle crèche van zaailingen die met elkaar moeten concurreren. Groter worden betekent meer licht en sterkere wortels om de concurrentie de baas te blijven. De eerste bladeren ontwikkelen zich en de eerste jaren groeit de boom recht omhoog, zonder zijtakken. Groei door celdeling vindt in die fase alleen in de eindknop (de bovenste knop) plaats. Die eindknop onderdrukt de groei van de zijknoppen. Later wordt de eindknop minder dominant en kunnen ook zijtakken tot ontwikkeling komen. Als de boom nog klein is, moet er niet alleen geïnvesteerd worden in groei, maar ook in bescherming. De onderste delen van bomen hebben daarom soms andere functies dan de bovenste. De hulst kennen we vanwege zijn stekelige bladeren. Maar die zitten alleen in het onderste deel van de boom; daar waar dieren kunnen knabbelen aan het groen. Hogerop hebben de bladeren een gave rand. Een veldesdoorn maakt aan jonge takken zogenaamde kurklijsten, die de bast beschermen.
Bij jonge boompjes remt de eindknop de groei van zijtakken

Bloei kost de boom tientallen procenten van zijn voorraad voedingsstoffen en suiker. Als hij nog moet vechten voor een plekje, dan komt de boom niet tot bloei: hij wil liever de hoogte in. Hoe snel een boom tot bloeien komt, verschilt per soort en hangt ook samen met de snelheid waarmee een boom groeit. Snelle groeiers zoals wilgen bloeien eerder dan de trage beuk die meestal pas na zijn vijftigste jaar bloemetjes vertoont. Binnen één soort kan er echter ook verschil optreden door omgevingsfactoren. Zwarte elzen in het natte veengebied in het westen van ons land bloeien in dat open gebied al vrij jong. In het oosten van het land groeien ze in beekdalen van bossen. Daar moeten ze eerst 20 meter de hoogte in om de concurrentie met de andere bomen aan te kunnen; dan wordt de bloei vele jaren uitgesteld. Als een kwijnende boom jong gaat bloeien, dan kan er sprake zijn van noodbloei: de boom verwacht het niet lang meer te maken en investeert in nakomelingen.
In de film van deze week zie je de prachtige details van ontluikende bladeren en bloemtrosjes van bomen, afgewisseld met tere bloemen. Het is gefilmd in de heemtuin in Leiderdorp.

E-mailabonnees kunnen hier klikken om naar de film van deze week te gaan.


zaterdag 6 april 2019

Vogelzang voor vroege vogels

De lucht was vol van vogelzang langs de Wijde Aa
De zomertijd is ingegaan, maar voor vogels maakt dat geen verschil. Zij laten zich leiden door zonsopkomst om hun steeds uitbundiger wordende gezang te laten horen. Voor mij maakte het wel uit, want maandagochtend hoefde ik pas om half 7 op te staan om de zonsopkomst bij de Wijde Aa te zien. Ik hoorde de winterkoning, tjiftjaf, rietgorzen en kneutjes. Roepende grutto's en scholeksters vlogen over. Even liet een blauwborst van zich horen en er klonk een aarzelende fitis. Boven alles uit klonk de zanglijster. Nu lijkt het allemaal heel gewoon dat ik dit hoor, maar een kleine 20 jaar geleden kon ik alleen de merel en de mus onderscheiden. In het begin werd ik vrij wanhopig van al die geluiden die ik niet thuis kon brengen. Ik heb met cursussen en excursies van de vogelwerkgroep heel wat geleerd. Wat voor mij goed werkte was om te focussen op één of twee vogels per keer: vooraf de geluiden beluisteren op internet en dan proberen dat geluid eruit te pikken in de natuur. Soms waren er ezelsbruggetjes: ervaren vogelaars leerden mij te letten op de fietspomp van de koolmees en het piepende wieltje van de heggenmus.
In het filmpje van vandaag zie je de zingende vogels ook in beeld. Ook daar klinkt de zanglijster het duidelijkst van allemaal. Ik citeer hier een stukje tekst van Jac. P. Thijsse, een man die zo beeldend over de natuur kan schrijven dat het lijkt of je er zelf bij bent. Je kunt voor jezelf een minicursus vogelgeluiden doen door te kijken of je zijn beschrijving van de zang herkent bij de zanglijster in de film.

Tekening: Jos Zwarts
[CC BY-SA 4.0 (https://creativecommons.org/licenses/by-sa/4.0)]
Dit schrijft Thijsse in 1904 in zijn boek 'Het Vogeljaar' over de zanglijster:
"Het lied van den zanglijster is een van de duidelijkste uit het geheele vogelrepertoire, door timbre en tempo altijd gemakkelijk te onderscheiden van alle andere. Het is krachtig en vol, flink en ferm gearticuleerd, zoodat bij het aanhooren ervan zich onwillekeurig allerlei woord-vergelijkingen bij u opdoen, allemaal woorden met een ie er in; de zanglijster zingt een ie-liedje. Bovendien stemmen de tonen en intervallen tamelijk wel overeen met wat wij menschen onder muziek verstaan, zoodat wij met eenige kans op succes probeeren kunnen, enkele strofen van zijn lied met onze gewone hulpmiddelen weer te geven."

"De Hollandsche zanglijsters roepen het liefst ‘Frederiek’ en ‘Pietje’. Ik durf gerust iemand, die nog geen zanglijsters kent, den volgenden raad geven: Ga op een morgen naar een bosch of park of tusschen de buitenplaatsen en loop rond, totdat ge een vogel luid en krachtig vier, vijfmaal ‘Pietje’ en ‘Frederiek’ hoort roepen, dan is dat stellig een zanglijster.

Hij zit nog al hoog in den boom, vlak bij den top of ten minste aan het uiterste puntje van een zijtak: een groote, grijze vogel, zoo groot als een spreeuw. Schuw is hij in het geheel niet; hij komt gerust vlak bij u neervliegen op het gazon of in de dorre bladeren tusschen de boomen.

Hoe voortreffelijk harmonieeren zijn kleuren met de neutrale tinten van den bodem! Als hij stil staat, is hij nauwelijks te onderscheiden; wie weet, hoeveel van deze vogels gij rakelings gepasseerd zijt, zonder ze te zien. Schedel en rug zijn geelbruin met een trekje in 't groene, bij de een wat meer dan bij den ander, vleugels en staart zijn iets donkerder, maar toch maakt de heele rugzij een egaal effen indruk. De onderkant - maar die krijgt ge bijna nooit te zien, als de vogel op den grond loopt - is zeer lichtgeel bij wit af en heel mooi donkerbruin gevlekt met nog al driehoekige, spitse vlekken, terwijl de onderkant van de vleugels en de zijden van het lichaam prachtig oranje zijn, wat alleen te zien is, als de vogel onder een gunstig licht dicht bij u opvliegt. De pooten zijn grijs, met heel weinig geel erin en de groote oogen bruin met dof gele oogleden.

Die groote oogen en de merkwaardige vlekteekening aan de wangen, om de mondhoeken en langs de keel geven onzen vogel een min of meer potsierlijke gelaatsuitdrukking; vooral als hij stil staat en met zijn kop half schuin u begluurt, kan hij er onweerstaanbaar komiek uitzien."

E-mailabonnees kunnen hier klikken om het filmpje van deze week te zien.


Er zijn weer lammetjes

Foto: Keven Law, Los Angeles, USA
 [CC BY-SA 2.0]
Er lopen weer duizenden lammetjes rond in Nederland. Volg deze link voor een overzicht van de lammetjesdagen in 2019.

Een kort filmpje van de lammetjes in Ter Aar, sommige staan nog een beetje wankel op hun pootjes. E-mailabonnees klik hier.


zaterdag 30 maart 2019

Verwarring over Groot hoefblad

Groot hoefblad, vrouwelijke bloemen
Tijdens een zonnig uurtje, kon ik wat filmbeelden maken in en om de heemtuin in Leiderdorp. Stinzenplanten zoals bosanemoon bloeiden er onder de nog kale bomen, dat gaf een mooi spel van licht en schaduw. Langs de sloten kwamen de eerste pluimen van Groot hoefblad in bloei. Die plant is nogal talrijk in onze omgeving en zoals dat vaak gebeurt met dingen die je veel ziet besteed je er te weinig aandacht aan. Het is 'gewoon'. Maar Groot hoefblad is helemaal niet zo gewoon. Deze plant kon zelfs de grote plantsystematicus Linnaeus om de tuin leiden. Hij beschreef twee soorten van deze plant en had niet door dat het om de mannelijke en vrouwelijke vormen van dezelfde soort ging! Nu staan die mannelijke en vrouwelijke planten meestal niet bij elkaar in de buurt. Dat is nogal onhandig voor de kruisbestuiving, want hoe komen de bijen dan bij beide soorten? Nou, meestal komen ze daar niet. De meeste planten breiden zich ondergronds uit door wortelstokken en daarmee worden de planten van één geslacht zeer omvangrijk. Toch investeert de plant nog steeds in stuifmeel en nectar om ook kruisbestuiving niet uit te sluiten. De mannelijke planten bevatten veel nectar, de brandstof voor bestuivers. De vrouwelijke planten van andere soorten hoeven geen nectar te bieden, ze staan in de buurt van de mannelijke planten (of zijn eenhuizig, dat wil zeggen man en vrouw zitten aan één plant). Het vrouwelijk Groot hoefblad moet echter reclame maken om bijen aan te trekken. Tussen de witte vrouwelijke bloempjes, niet meer dan dunne draadjes, bloeit een klein roze bloempje dat nectar levert. Ze lijken wat op de mannelijke bloempjes die in trosjes aan andere planten staan.
Groot hoefblad, detail van vrouwelijke bloemen
Dat is beslist de moeite van het bekijken waard met een loepje.
Groot hoefblad is overigens een zogenaamde 'naaktbloeier'. Dat betekent dat de bloemen bloeien voordat het blad te voorschijn komt. Dat geldt vooral voor de mannelijke planten, de vrouwelijke bloeien wat later en, zoals je op de foto's ziet, komt het blad dan ook al op. De bladeren groeien uit tot enorme formaten:  sommige bereiken een doorsnede van bijna 1 meter. De wetenschappelijke naam betekent 'regenhoed', dus als een zomerse bui losbarst en je hebt geen paraplu bij je, zoek dan langs de waterkant naar deze bescherming.
Om het zaadpluis uiteindelijk weg te laten waaien groeien de vrouwelijke bloemen mee met de bladeren, tot ze er in een lange pluim bovenuit steken. De grote bladeren geven zoveel schaduw dat er vrijwel niks anders onder kan groeien, dus de plant zorgt goed voor zijn eigen stekje. Mocht je de plant zo mooi vinden dat je overweegt om 'm bij je vijver te planten, weet dat dat-ie enorm woekert. Met een klein stukje wortelstok heb je deze plant voor 'eeuwig' in je tuin.

Bekijk de eerste lentebloeiers in het filmpje van deze week. E-mailabonnees kunnen hier klikken om het filmpje te bekijken.



zaterdag 23 maart 2019

Een glanzend verenpak

Veer van een houtsnip
In de winter hebben vogels hun verenpak vervangen (lees mijn eerdere blog hierover), zodat de veren voor de broedtijd in optimale conditie zijn. Want behalve om te vliegen, dienen de veren om de vogels warm te houden en een partner te veroveren. Veren zijn uitsteeksels uit de huid, net als schubben en haren en ze zijn gemaakt van keratine. Door hun specifieke structuur kunnen veren de relatief zware vogels in de lucht houden. Met 'insectenvleugels' zouden vogels niet kunnen opstijgen. Veren zijn 'niet van gisteren'; 150 miljoen jaar geleden koos een vogelachtige dinosauriër al het luchtruim. Hoe het kwam dat  vogels vanuit kleine donsveren de sterke slagpennen hebben ontwikkeld die nodig zijn om te vliegen, is wetenschappelijk nog niet goed vastgesteld. Er zijn meerdere theorieën over. Eén theorie is dat de dieren gingen rennen terwijl ze met hun vleugels sloegen, om nèt een beetje sneller vooruit te komen dan hun belagers. En misschien kregen de dino's met de mooiste en sterkste veren ook de beste partners. De tweede theorie begint niet op de grond maar in de bomen. Om roofdieren te ontwijken lieten dieren die in bomen leefden zich naar beneden vallen, met sterke veren konden ze hun vlucht beter controleren. Ook een staaltje van 'survival of the fittest'. 

De oerveer, 150 miljoen jaar oud
Foto: H. Raab (User:Vesta)
[CC BY-SA 3.0 ]
Fossielen van de eerste veren bij toeval ontdekt
Soms worden ontdekkingen bij toeval gedaan. Alois Senefelder uit Beieren vond eind 18e eeuw de lithografie (steendruk) uit. Hiervoor had bij splijtbare en goed te polijsten steen nodig. Het kalksteen dat in zijn omgeving te vinden was, was hiervoor uitermate geschikt. Dit kalksteen is ontstaan in de Jura, 150 miljoen jaar geleden, en komt in de Fränkische Alb aan de oppervlakte. Omdat het gesteente zich heel langzaam had gevormd op de zuurstofloze bodem van een lagune, waren dieren niet vergaan maar in dit gesteente heel gaaf bewaard gebleven. Bij het splijten van de steenplaten voor de lithografie, kwamen er dan ook prachtige vondsten te voorschijn: er werden veren en skeletten van vogels gevonden! Zulke tere delen fossilleren heel moeilijk en zijn uiterst zeldzaam. In 1861 werd de 'oerveer' in zo'n steenplaat ontdekt, je ziet 'm hiernaast afgebeeld. Deze losse veer werd jarenlang toegeschreven aan de eerste vliegende dinosauriër: de Archaeopteryx (wat overigens 'oerveer' betekent). In recent onderzoek met behulp van laser-stimulated fluorescence, waarmee de fijnste details van fossielen kunnen worden bekeken, is nu vast komen te staan dat deze veer verschilt van de andere veren van onze oervogel. Dus wellicht vloog er nog iets anders rond, zo 'n 150 miljoen jaar geleden. Een raadsel dat nog opgelost moet worden.....!

Bekijk verschillende vogels met hun stralende broedkleed in het filmpje van deze week (e-mail abonnees kunnen hier klikken). 

zaterdag 16 maart 2019

Als de lente komt dan breng ik jou.....

....geen tulpen uit Amsterdam, zoals het bekende liedje luidt, maar deze keer wel een blog met allerlei echte lentesignalen. Onze nationale vogel, de grutto is teruggekeerd uit Afrika. In de wetlands zijn ze in groepen aan het opvetten, voor ze naar de weilanden gaan om te nestelen. Onze eerste twee grutto's van dit jaar zagen we in het Zaans Rietveld, Alphen aan den Rijn. Ook een elegant klutenpaartje was hier aan het fourageren. Een duo scholeksters nam er nog even zijn gemak van en een flinke groep hazen 'rammelde' door de grasakkers. Als je daar meer over wilt weten, lees dan mijn blog 'rammeltijd'
E-mailabonnees kunnen het filmpje bekijken door hier te klikken. Lees vooral verder onder het filmpje, want er is meer voorjaarsnieuws!



Mannelijke bloemen van de taxus
Ook bij de planten kun je zien dat er wat gebeurt: groene blaadjes komen te voorschijn en sommige bomen zijn klaar voor de voortplanting: de elzen bloeiden de afgelopen tijd overvloedig. Ook de taxus is nu bezig met het verspreiden van pollen voor de bevruchting. In tegenstelling tot de elzen merken de hooikoortslijders daar weinig van want de grote hoeveelheden stuifmeel van de taxus zijn 'weinig allergeen' zoals dat heet. Zoals bij alle windbestuivers zijn de bloemen van de taxus klein. De mannelijke bloemen vallen nog wel op door hun hoeveelheid: de goudkleurige bloemetjes zitten in de lange rijen aan de groene takken met smalle blaadjes. In het filmpje zie je dat er af en toe een 'pufje' stuifmeel de lucht in wordt gestuurd (let bij het tweede taxusshot in het filmpje op de linkerkant). Taxus is een tweehuizige soort, zoals dat heet. Aan een mannelijke plant zul je geen vrouwelijke bloempjes vinden, want die hebben een 'ander huis'. Ik ging dus op zoek naar een andere taxusboom, waar die mannelijke bloemen duidelijk afwezig waren.
Vrouwelijke kegeltjes van de taxus
De vrouwelijke kegeltjes zijn klein (een paar mm) en groen. Handig bij het zoeken is dat ze meestal aan het eind van de takken zitten. Dat is natuurlijk ook met een reden: zo hebben ze grotere kans om het stuifmeel op te vangen, dat van een andere taxus langs moet waaien. Op een gegeven moment komt er uit het rode puntje van het vrouwelijke kegeltje (zie foto) een druppeltje kleverig vocht. Daar moet stuifmeel op landen om de bevruchting te laten plaatsvinden. Het kegeltje zelf zal uiteindelijk uitgroeien tot het welbekende rode besje dat van boven open is. In die van groen naar rood gekleurde kegelschaal is het (zeer giftige) zaad te vinden, dat door vogels overigens probleemloos gegeten kan worden omdat ze het onverteerd weer uitpoepen.

Een al wat verder uitgegroeide vrouwelijke taxuskegel
Bekijk de taxus en andere lentedetails in het tweede filmpje van deze week door hier te klikken




zaterdag 9 maart 2019

Blauwe reigers in hun nesten

Blauwe reiger op het nest
Blauwe reigers nestelen in kolonies hoog in de bomen. Vooral elzenbomen vinden ze fijn, omdat die bovenin vertakken, hetgeen een prima platform voor een nest oplevert. Omdat ze zo hoog in de bomen zitten, verscholen achter takken en - momenteel - bloeiende elzenkatjes zijn ze moeilijk te filmen vanaf de grond. Al enkele jaren ga ik trouw eind februari/begin maart naar het Gouwebos in Boskoop om een kans te wagen. Het ene jaar ben ik te vroeg, dan zit er nog maar een enkeling op het nest, het andere jaar is de kolonie nauwelijks bevolkt. Dit jaar zat het mee, de reigers waren net begonnen om de nesten te bezetten en te bouwen of te verbeteren, waarom zou je immers dubbel werk doen als er nog een nest van vorig jaar geclaimd kan worden. De bestaande nesten zijn als eerste bezet door de reigers die daar vorig jaar al gebroed hebben, zij maken de nesten ieder jaar wat groter. Nieuwe paartjes moeten zelf wat in elkaar knutselen uit het niets, die zag ik met zijn tweeën bij een dunne laag takjes zitten. Het duurt nog even eer ze een starterswoning in deze Vinex-wijk hebben. Voor de reigers, die meestal doodstil langs de waterkant staan om een vis te verrassen met een snelle uithaal van hun scherpe snavel, is het leven hoog in de bomen niet gemakkelijk. Onhandig bewegen ze zich, met hun gewicht van rond de 2 kilo, over de dunne takken om te proberen er eentje los te trekken voor de bouw van het nest.
Duttende blauwe reiger met zwarte kuifveren
Hun snavel is rood/oranje in deze tijd van het jaar en ze hebben hun beste verenpak aangetrokken, met langere borstveren en mooie witte en zwarte kuifveren. In de film van deze week zie je die wapperen in de wind. Op de foto van de duttende reiger steken ze fier omhoog. In februari wordt vaak al gepaard en na een krappe maand komen de jongen uit het ei. Deze kuikens, vanwege hun warrige haardos ook wel 'punkers' genoemd, wegen dan maar 30 gram. Een halve kilo vis moeten de ouders elke dag zien te verzamelen om 4-6 jongen te voeden. Na 40 dagen zijn die dan net zo zwaar als hun ouders. In april of mei kunnen ze zelf vliegen. In Nederland zijn er zo'n 11.000 broedparen van blauwe reigers, verspreid over een kleine 500 kolonies. In de meeste kolonies zijn tussen de 15 en 20 nesten te vinden, maar de Friese kolonies hebben gemiddeld 30 nesten. Zuid-Holland telt met 107 stuks de meeste kolonies van alle provincies. Limburg en Flevoland moeten het ieder doen met maar 10 kolonies.

E-mailabonnees kunnen hier klikken om het filmpje met reigers op hun nesten te bekijken.



zaterdag 2 maart 2019

Meerkoeten in het paarseizoen: van vriend naar rivaal

Meerkoet op liefdespad
Kort geleden nog graasden ze rustig in groepen van meer dan honderd dieren bij elkaar. Maar met het stijgen van de temperaturen slaan niet alleen de hormonen, maar ook de meerkoeten zelf op hol. Concurrenten worden niet langer gedoogd in de strijd om een vrouwtje. Vorige week kon ik die taferelen vastleggen in de sloten rondom het park voor ons huis. De mannetjes bolden hun veren op en paradeerden over het gras om vrouwtjes te verleiden. Omdat de verschillen tussen m/v gering zijn bij koeten (de mannetjes zijn iets lichter qua gewicht en hebben een iets bredere witte bles op het voorhoofd), was het soms niet duidelijk of er gejaagd werd op een vrouwtje of dat er juist een concurrent verjaagd werd. Uiteindelijk kon ik een paring op film vastleggen, dat ging er in mijn ogen niet heel liefdevol aan toe overigens. Zoals je in de film kunt zien, rennen de koeten liever dan dat ze vliegen. Je zou dus verwachten dat deze mollige vogels geen grote afstanden afleggen. Dat is echter een misverstand. Een deel van onze meerkoeten vertrekt in het najaar naar het zuiden van Europa. En een aantal van die rustig grazende 'winterkoeten', zijn uit Rusland of Oost-Europa komen vliegen naar onze graslanden. Grappig genoeg zijn ze op beide locaties 'plaatstrouw', dat wil zeggen dat ze voor de zomer en winter telkens naar dezelfde plaats terugkeren. Dat weten we door geringde vogels te volgen. Zo komt er al zeven jaar lang een in Polen geringde meerkoet naar een parkje in Zwolle. Voor de meerkoet is het wel zo handig dat-ie dan meteen weet waar hij voedsel kan vinden en een nest kan bouwen.
Meerkoetennest
Afijn, binnenkort zullen de meerkoeten in de sloten bij mijn huis wel gaan nestelen. Een meerkoetennest is een centimeter of 20 in doorsnee en vaak met halmen verankerd aan de vegetatie. Meerkoeten leggen zes tot tien eieren en hebben meerdere nesten per jaar. Tachtig procent van de kleintjes haalt hun eerste verjaardag niet. Van de 20% die overblijft overleeft slechts de helft het tweede jaar. Voor de meerkoeten is zo'n nest dus een hele investering, de kleintjes worden nog één tot anderhalve maand verzorgd nadat ze geboren zijn en uiteindelijk wordt maar 1 op de 10 kuikens ouder dan 2 jaar. Maar hebben ze eenmaal deze barrière genomen, dan kunnen ze maximaal 18 jaar worden en vele nestjes groot brengen.

E-mailabonnees kunnen hier klikken om het filmpje van de meerkoeten te zien. Er is deze week een extra filmpje, dus kijk ook nog even naar het blogje hieronder over wilgenkatjes. 




Wilgenkatjes in de avondzon

Wilgenkatjes. 
Als extra'tje deze week een kort sfeerfilmpje met wilgenkatjes in de hoofdrol. Vorig jaar in maart schreef ik al eens een blog over hun thermojasjes.

Dit keer een paar weetjes over de wilg:

  • Repen van de bast kun je gebruiken als touw, het blijft zeker een jaar goed, dus ideaal voor het opbinden van planten. Gebruik hiervoor vers gesneden takken en trek de bast er in smalle repen af. 
  • Bomen verdampen veel water. Omdat de wilg goed tegen natte voeten kan, werd deze boom veelvuldig aangeplant in drassige gebieden, die als het ware 'droog gepompt' werden door de wilgen.
  • De Duitser Felix Hoffman maakte een chemische variant van salicylzuur, dat van nature in wilgen voorkomt. De chemische variant kennen we als Aspirine en is minder slecht voor de maag dan de natuurlijke stof. Overigens presenteerde meneer Hoffman ook heroïne als middel tegen droge hoest en tbc, maar daar is geen medicijn van op de markt gekomen :).   
  • Je kunt je eigen wilg kweken door een wilgentak in de grond te steken. In vochtige grond maakt hij binnen enkele weken wortels. Heb je een 'paastak' over? Kweek dan je eigen kronkelwilg en volgend jaar hoef je er geen te kopen. 
E-mailabonnees kunnen hier klikken om het filmpje over de wilgenkatjes te bekijken. 


zaterdag 23 februari 2019

IJstijden en de hazelaar

Bloeiende hazelaar met mannelijke katjes
en roze vrouwelijke bloempjes
De afgelopen weken hebben we diverse ijstijden beleefd. Een paar nachten flinke vorst en de eerste ijstijd van deze winter was een feit. Er kon nog net een marathon op natuurijs worden geschaatst en toen zette de dooi al weer in. Niet lang daarna was er sprake van een andere ijstijd: de temperaturen waren met een graad of 16-17 C een record voor midden februari. De terrasjes zaten vol en er werd menig ijsje geconsumeerd. Intussen bloeide de hazelaar met zijn gele katjes en piepkleine roze bloempjes tussen het verder nog kale hout. Een taaie rakker is die hazelaar, die soms al met kerstmis bloeit, vorst en ijs lijken de struik niet te deren.
Een kleine 50 miljoen jaar geleden waren de eerste hazelaars al op de wereld te vinden, in de VS en Canada. Dat weten we omdat er fossiele resten van de bloemen gevonden zijn. In Nederland doken de eerste exemplaren zo'n 30 miljoen jaar geleden op. De aarde warmde op en koelde af tijdens vele ijstijden. In het Midden-Pleistoceen (126.000 - 781.000 jaar geleden) trad gemiddeld elke 100.000 jaar een ijstijd op. Het klimaat in de perioden tussen de ijstijden leek op het klimaat van nu. Ons landje had ook al ongeveer dezelfde kustlijn als tegenwoordig, hoewel de gletsjers in de ijstijden ons land tot de Veluwe en Utrecht bedekten. In de tussentijden (interglacialen) ontstonden bossen met eik en hazelaar. De fauna was van een heel andere aard: ons land werd bevolkt door bosolifanten, nijlpaarden en neushoorns, maar ook dieren die momenteel nog in Nederland voorkomen zoals herten en everzwijnen waren er te vinden. De eerste mensen, de homo erectus, struinden hier rond. Van de hazelaar zijn grote hoeveelheden fossiele pollenkorrels in ons land gevonden. Nou produceert de hazelaar er ook behoorlijk wat: zo'n 600 miljoen stuifmeelkorrels per struik. En ze blijven ook lang goed als ze zuurstofarm worden opgeborgen, bijvoorbeeld in afzettingen op de bodem van meren.
Hazelnoten, aangevreten door verschillende dieren
Niet alleen pollen maar ook hazelnoten uit het Pleistoceen zijn teruggevonden; in kleilagen in Limburgse rivieren. Daaraan konden wetenschappers zien dat de hazelnoten honderdduizenden jaren geleden ongeveer even groot waren als nu.
Wanneer het klimaat veranderende door een ijstijd, verdween de hazelaar tijdelijk uit ons land, in die tijden beheersten naaldbomen zoals den en spar het bosgebied. In kleine gebieden in de bergen van Zuid-Europa waren de omstandigheden goed genoeg voor de hazelaars, waar ze wisten te overleven. Zo'n 7000 jaar geleden was de laatste ijstijd achter de rug en met het warmer wordende klimaat, keerde de hazelaar voorgoed terug. Hoe het kwam dat de hazelaar dat behoorlijk snel kon doen, is nog niet precies vastgesteld. Wellicht hebben dieren de hazelnoten verspreid, maar het kan ook zijn dat de noten over het water naar ons land zijn gedreven. In ieder geval kunnen wij iedere winter genieten van bloeiende hazelaars, en in het najaar staan de noten op het menu van veel soorten vogels en de eekhoorn.

Het filmpje van deze week is gemaakt tijdens onze eigen 'mini-ijstijd' :) rond 20 januari. De hazelaar stond er toen al mooi bij. Volgende week de andere 'ijstijd', een filmpje met volop lentesignalen.
E-mailabonnees kunnen het filmpje 'below zero' bekijken door hier te klikken.


zaterdag 16 februari 2019

Medicijnen op de bosbodem

Geweizwam
Deze week laat ik jullie nog een filmpje zien dat ik maakte tijdens ons tripje naar de Veluwezoom in het begin van dit jaar. Je ziet hierin allerlei paddenstoelen opduiken, samen met een paar andere waarnemingen op of net boven de bosbodem. In paddenstoelennamen ben ik niet erg goed, dus die staan er niet bij. Ik las op NatureToday dat zelfs ervaren mycologen (paddenstoelendeskundigen) tegenwoordig knettergek worden van de veranderingen in de wetenschappelijke benamingen van al die zwammen. Want door DNA-onderzoek blijkt dat sommige schimmelsoorten meer of minder verwantschap hebben met andere dan vroeger werd gedacht. Dus worden de wetenschappelijke namen om de haverklap aangepast. Afijn, in onze tijd weten we in ieder geval wat paddenstoelen zijn: geen plant (want geen bladgroen) en geen dier (ze bewegen niet), maar een eigen categorie van schimmels. Vòòr onze jaartelling begreep men er helemaal niks van: gisteren was er nog niks te zien en ineens stond daar een paddenstoel. Homerus (800 v Chr.) verklaarde het als 'een samenkomst van hemel en aarde'. Plinius de Oudere dacht, samen met enkele andere geleerden, in de eerste eeuw na Christus dat paddenstoelen ontstaan bij blikseminslag. Bij gebrek aan andere verklaringen, geloofde men deze theorie tot in de 18e eeuw. Inmiddels weten we wel beter: het geheim van paddenstoelen zit onder de grond, waar een wijd vertakt mycelium af en toe 'bloeit' met paddenstoelen.

Elfenbankje

De wetenschap staat niet stil
Niet alleen hebben wetenschappers het ontstaan en de voortplanting van paddenstoelen ontrafeld, er is ook onderzoek gedaan naar hun medicinale kwaliteiten. In het Verre Oosten doet men dat trouwens al eeuwenlang. Inmiddels is er ontdekt dat veel paddenstoelen een rol kunnen spelen bij het behandelen van kanker. Sommige soorten worden ingezet in aanvulling op chemotherapie en bestraling omdat ze bijeffecten van die behandelingen (misselijkheid en bloedarmoede) tegen kunnen gaan. Andere paddenstoelensoorten hebben kankerremmende eigenschappen. Onder die soorten zitten voor ons hele gewone en algemene soorten zoals elfenbankjes en tonderzwammen, maar ook champignons,  russula's en de geschubde inktzwam. Meer hierover kun je lezen op NatureToday.
In het filmpje van deze week zie je verder nog wat vogels scharrelen tussen de bladeren, op zoek naar beukennootjes, en een vuurgoudhaantje, die door de witte oogstreep is te onderscheiden van zijn familielid het goudhaantje, waarover ik eerder een blog schreef. Ook over het boomschuim schreef ik al eerder.

E-mailabonnees kunnen hier klikken om het filmpje te bekijken.