Mesch is het meest zuidelijke kerkdorp van Nederland, dus zolang je op vaderlandse bodem bent kun je niet dieper zinken :). Dat klinkt een beetje onaardig voor zo'n idyllisch gehucht, met minder dan 400 zielen en een van de oudste kerkgebouwen in Nederland, waarvan delen nog stammen uit de tijd voor de Romeinen. Het was het eerste stukje Nederland dat door de Amerikanen werd bevrijd in de Tweede Wereldoorlog, in 1944 - toen het noorden van ons land nog een hongerwinter voor de boeg had. Wij gingen er naar toe voor de prachtige natuur en met name de dassenburchten, die hier groot en oud zijn. Mocht je in de buurt zijn, dan kun je via deze link de wandeling downloaden die we gemaakt hebben. Het was zeer de moeite waard. Natuurlijk heb ik er een filmverslagje van gemaakt dat je straks kunt bekijken. Maar eerst iets meer over dassenburchten.
Das Foto: kallerna - Own work, CC BY-SA 3.0, wikimedia
We beginnen bij de ingang: zoals je op de foto ziet is de das een vrij breed en niet zo'n hoog dier. De ingang van hun ondergrondse burcht is net zo gevormd: breder dan hoog. De gangen (pijpen genaamd) zijn rond de 30 centimeter breed, er is een zeer vertakt gangenstelsel dat naar vele kamers loopt en deze ruimtes met elkaar verbindt. De kamers hebben een doorsnede van ongeveer een halve meter en zijn voorzien van een bedje van gras, bladeren en mos. Hier brengen de dassen in groepjes van 2 of 3 al slapend en rustend de dag door. Het materiaal wordt regelmatig gelucht en ververst, dan zie je hoopjes droog gras voor de burcht liggen. Grappig genoeg schuifelen ze met hun 'beddengoed' tussen de armen geklemd achteruit door de gangen. Die gangen en kamers kunnen overigens wel tot 4 meter onder de grond liggen.
De aarde die uit de gangen gewerkt wordt bij het uitgraven ligt meestal in een stortberg bij de ingang. Het gaat om enorm veel zand, tot wel 35 kuub. De holopeningen en stortbergen van dassenburchten zijn trechtervormig en zo geplaatst dat ze de burcht optimaal ventileren. Geuren van de vijanden van de das (mens, hond, wolf, beer) worden zo diep in de burcht naar de dassen gevoerd. Ze weten zo al, terwijl ze zelf nog onder de grond zijn, of de kust veilig is.
Burchten kunnen een enorme omvang bereiken. Op de site van Stichting Dassenwerkgroep Brabant las ik dat de grootte van een hoofdburcht in Brabant kan variëren van 1 hol tot meer dan 120. In Uden is een dassenburcht van meer dan 100 holen. Er is berekend dat hiervoor misschien wel 40.000 kilo aan grond moet zijn verplaatst. De oppervlakte van zo'n dassenburcht kan wel een hectare beslaan. Ook in Mesch is er zo'n enorme burcht. Aan beide kanten van het dorp zijn holle wegen met dassenpijpen en die zijn met elkaar verbonden, dus waarschijnlijk leven er onder het hele dorp dassen ;). De grootte van een dassenburcht wordt niet zozeer bepaald door het aantal dassen dat hierin woont, maar door de ouderdom, de graafbaarheid van de bodem en de ligging in het veld. Dassen graven heel graag en zijn dan ook altijd bezig hun burcht te vergroten. Dit biedt een aantal voordelen: er zijn meer openingen waardoor geurtjes naar binnen komen; bij onraad kunnen ze op meerdere plekken ongezien de burcht verlaten; als de hoeveelheid ongedierte (vlooien, teken en mijten) hen teveel wordt, verkassen ze gewoon naar een ander deel van de burcht. Dassenburchten kunnen honderden jaren oud zijn. Zo is er in Duitsland in de plaats Pisede, bij een zandafgraving, een oude dassenburcht zeer nauwkeurig onderzocht. Het bleek dat deze af en aan bewoond was sinds het einde van de IJstijden, zo'n 12.000 jaar geleden. In Rusland is de leeftijd van een nog bestaande burcht, met behulp van moderne dateringstechnieken, geschat op 8.000 jaar.
Of de dassenburchten van Mesch ook zo oud zijn weet ik niet, maar aan de bovenste Berneauerweg bevindt zich sedert mensenheugenis een goed bewoonde dassenburcht met vos en konijnen als onderhuurder. Deze dassen hebben verbindingen met de dassen uit de Voerstreek (over de grens in België). Bekijk het verslag van onze wandeling en de dassenburchten in het filmpje door hier te klikken.
Als kind vond ik het 't mooiste bos van Limburg: het Bunderbos. In de meivakantie zijn we er weer eens gaan wandelen en ik kan bevestigen dat het nog steeds (het) mooi(ste) is. De bosanemonen waren al uitgebloeid, maar daslook bloeide en geurde volop (naar knoflook). De witte stervormige bloemetjes vormden hele tapijten tussen de bomen. We kwamen boshyacinten tegen en ook andere voorjaarsbloeiers kleurden de randen langs de paden. We startten onze wandeling bij het kasteelpark van Elsloo en liepen langs de Hemelbeek het bos in richting Geulle. Onderweg zagen we nijlganzen en Canadese ganzen met kuikens en knaagsporen van bevers. Het Bunderbos staat bekend om zijn vele bronnen. Een bron is een plaats waar een geconcentreerde natuurlijke uitvloeiing van grondwater optreedt; ze vormen het overgangsmilieu van grondwater naar oppervlaktewater. Deze bronnen voeden de vele beekjes die door dit hellingbos stromen.
Door wat voor soort bron zou dit beekje worden gevoed?
Hoe ontstaan bronnen eigenlijk? Als het regent, verdampt een deel van het water en een ander deel wordt door rioolsystemen afgevoerd. De zogenaamde 'nuttige neerslag' is de hoeveelheid die in de bodem zakt. Als de bodem bestaat uit doorlatende grond zoals zand of grind dan zakt het water weg. Er zijn echter plekken met ondoorlatende kleipakketten die het water 'dwingen' om weer aan de oppervlakte te komen. Toen ik informatie opzocht over de Limburgse bronnen, stuitte ik op een artikel van W. Hendrix. Hierin las ik er dat er verschillende soorten bronnen zijn: een dalbodembron ontstaat doordat het dal de grondwaterspiegel 'aansnijdt'. Dagzoombronnen ontstaan waar ondoorlatende (klei)lagen aan de oppervlakte komen langs hellingen (een dagzoom is de plek waar een gesteentelaag of andere geologische structuur aan het oppervlak ligt). Bij breukvlakbronnen komt het water aan de oppervlakte door een geologische breuk in het aardoppervlak. Soms komt het water op een ondoorlatende laag en kan het nergens heen, dan stuwt het zover op, dat het over die laag heen kan komen. Zo'n bron heet - je raadt het al - een stuwbron. Dan zijn er nog bronnen met een zeer moeilijke naam: artesische bronnen. Een artesische bron is een bron waaruit het water 'spontaan' naar boven komt door de hydrostatische druk op het water dat zich in een ondergronds bekken bevindt (de naam komt van de streek Artesië in Frankrijk waar dit soort bronnen veel voorkomen). Kortom; bronnen zijn er in veel soorten. Al wandelend maakten wij ons niet druk over stuwbronnen of artesische bronnen, maar we genoten van het kabbelende geluid van de beken, het frisse lentegroen de prachtige vogelzang.
Geniet mee in het filmpje van deze week door hier te klikken.