Fluitenkruid en vogelzang in het filmpje van deze week
We kunnen nog een paar weken genieten van die heerlijke vogelzang. Na de langste dag verstomt dit lentegeluid omdat vogels dan bezig zijn hun jongen groot te brengen. Dat doen ze liever in stilte om kuikenrovers niet op ideeën te brengen. Dank zij het windstille weer in de eerste drie weken van mei, heb ik veel kunnen filmen met het originele geluid erbij omdat er geen wind op de microfoon stond. Dus deze week een filmpje waarin fluitenkruid en zingende vogels centraal staan. Omdat er al veel blad aan de boom zit, zijn de vogels niet in beeld maar wel goed te horen. De melodieuze merel, de wat fellere en snellere zwartkop en de winterkoning met zijn typerende triller maken hun opwachting in de film. Ik was vroeg op, waardoor de menselijke geluiden ook minimaal zijn. Elke vogelsoort heeft trouwens zijn eigen starttijd voor de zang, gemeten voor of na zonsopgang. Mijn tante stuurde mij een artikel uit een Duits tijdschrift met informatie hierover. De gekraagde roodstaart is er als vroegste bij. Van april tot juli kun je hem horen vanaf 80 minuten voor zonsopgang. Daar moet je dus wel elke keer vroeger voor op :). De zwarte roodstaart volgt tien minuten later; vanaf 70 minuten voor zonsopgang kun je deze vogel horen. De roodstaarten hebben trouwens elk hun eigen voorkeuren qua landschap, de gekraagde prefereert oude parkachtige bossen en de zwarte warme en droge plaatsen, ook stedelijk gebied. Ze zullen dus niet 'tegen elkaar opzingen'. De boerenzwaluw kwettert vanaf een half uur voor de zon opkomt, al snel gevolgd door de zanglijster (55 min.), de koekoek en het roodborstje (allebei 50 minuten voor zonsopgang). De merel, zwartkop en geelgors starten 45 minuten voor de zon boven de horizon rijst. Als de winterkoning (40 min.), tjiftjaf en pimpelmees starten met hun zang (35 min.) begint het langzaam licht te worden. Daarna komt er elke paar minuten een soort bij: koolmees (30 min.), fitis (22 min.), putter (20 min.), groenling en spreeuw (15 minuten) en de vink maakt om 10 minuten voor de zon aan de hemel verschijnt het vogelkoor in en om de tuin compleet.
Je zou denken dat de vogels die het eerste 'op' zijn, ook als eerste weer gaan slapen. Dat is echter niet het geval: de langslapers gaan juist als eerste te ruste. De vogels die vroeg zingen hebben lichtgevoeliger ogen, waardoor ze beter zien in het donker. Daarom kunnen ze langer actief zijn, met voedsel zoeken maar ook met zingen. Aan het eind van de dag wordt ook regelmatig nog gezongen door de vogels. Daarbij kun je bovenstaande lijst hanteren in omgekeerde volgorde.
Klik hier om het filmpje van deze week te zien en de vogelgeluiden te beluisteren.
Hoewel ik als tiener regelmatig uitsliep tot het eind van de ochtend, ben ik inmiddels een ochtendmens geworden. Vaak ben ik om zes uur al wakker en in de winter lig ik dan nog een tijdje in het donker te staren. In de lente is het een voordeel, want dan is het al licht en kan ik genieten van het ochtendgloren en de rust die er dan heerst. Ik rijd meestal de polder in, er is nog geen kip op de weg, maar rond de boerderijen is er wel al volop activiteit. Zo ook deze lentemorgen, waarbij ik de ochtenddauw en de vogelzang wilde vastleggen. Ik moest de camera af en toe even stopzetten wegens het geluid van een trekker of andere landbouwmachine. In het riet hoorde ik de kleine karekiet zingen, ze verstoppen zich altijd en zijn moeilijk in beeld te krijgen. Een zwanenpaar gleed statig door het water en in de bomen kweelde een zanglijster. Enkele waterplasjes verder was een klein stukje 'bos' en in de bermen zag ik drie kleuren dovenetels: wit, paars en geel. De eerste twee zie je op onderstaande tekening.
Paarse en witte dovenetel Bron: Carl Axel Magnus Lindman - «Bilder ur Nordens Flora» Stockholm, wikimedia
Deze plant, die tot de lipbloemigen behoort wordt graag bezocht door insecten die op zoek zijn naar suikerrijke nectar, want dovenetels produceren daar veel van. Je kunt een bloemetje van de plant trekken en aan de achterkant uitzuigen om de nectar te proeven (doe dit niet op een plek met veel verkeer en/of plassende honden). Van gedroogde bloemen wordt wel thee gezet. Zelfs als de bloem is afgevallen perst ze er nog een laatste restje nectar uit. Verdund door dauw en regenwater op de grond is de nectar nog steeds zoet genoeg om mieren aan te trekken. Die halen ook de zaden (in de vorm van 'nootjes' met een vlezig, oliehoudend aanhangsel) uit de vruchtkelk en verslepen dat. Ze eten het mierenbroodje en het zaad heeft zo weer een nieuw terrein om te ontkiemen.
De witte dovenetel is een groen overwinterende plant, maar de veel kleinere paarse dovenetel is eenjarig. Toch zie je die ook regelmatig in de winter, maar dat zijn dan pas ontkiemde exemplaren. Van deze plant zijn resten gevonden die dateren uit de IJzertijd (700 voor Christus). In de meivakantie waren we in Limburg en daar zag ik 'grote' paarse dovenetels. Ik dacht dat dat kwam door de voedzame grond aldaar, maar nu ik dovenetels nog eens opzocht in de Nederlandse Oecologische Flora, zag ik dat dat een aparte soort betreft. Ik was zo stom om 'm niet te filmen (misschien staat-ie nog ergens toevallig in beeld, maar ik moet dat beeldmateriaal nog uitzoeken). Dus van deze 'gevlekte dovenetel' ook een botanische illustratie.
Dan is er nog de gele dovenetel; daar zijn ook twee soorten van: de bontbladige (geel met witte vlekken), een cultuurplant die vaak verwilderd voorkomt in de natuur. Die zie je in het filmpje van deze week. Er is echter ook een nog een wilde variant, die in ons land beperkt te vinden is: alleen in Zuid-Limburg, een deel van de Achterhoek en Oost-Twente. Dat is een schaduwplant die veel in loofbossen voorkomt, op plaatsen waar de lichthoeveelheid maar een kwart is. Ik zag ze in Limburg overigens ook onder heggen langs holle wegen. Maar die variant zie je dus over een tijdje in de filmpjes uit Limburg.
Tenslotte nog de naam: de netel is 'doof' omdat hij niet prikt zoals de brandnetel. Bekijk in de film door hier te klikken.
Na mijn middagbezoek aan het zwanenmeer (zie vorige blog) besloot ik een keer
in alle vroegte te gaan filmen. De zon komt namelijk achter het plasje op, dus
ik bedacht dat dat mooie tegenlichtopnamen kon opleveren. Na enkele bewolkte
ochtenden, was er een heldere zonsopgang voorspeld. In het donker reed ik naar
het vogelplasje met de kijkhut. Het aantal zwanen was niet zo groot als
tijdens mijn eerste bezoek. In de verte dreven enkele vogels. Maar al snel
deden de aantallen er niet meer toe, want een paartje begon elkaar het hof te
maken. Nu eens om en om en dan weer volledig synchroon dipten ze hun snavels
in het water, met sierlijke bewegingen. Uiteindelijk paarden ze, waarna ze hun
band bevestigden door uit het water op te rijzen en knus tegen elkaar aan te
vlijen. Daarna was het tijd om te rusten, badderen en de veren te poetsen.
Inmiddels was nog een flinke groep jongelingen aan komen vliegen, dus ook met
de aantallen kwam het goed.
Ik hoef er deze keer niet veel woorden aan te wijden, je moet er vooral zelf
naar kijken.
In de plas bij de vogelhut in het Spookverlaat houdt zich momenteel een flinke groep knobbelzwanen op. Zo veel dat je met recht kunt spreken van een zwanenmeer. Knobbelzwanen staan bekend als zeer territoriale broedvogels maar in hun
eerste levensjaren, tijdens de rui en in de winter houden zij er vaak een meer
sociale levenswijze op na. Nadat jonge knobbelzwanen in september vliegvlug zijn geworden blijven ze vaak nog enige tijd bij de ouders in het territorium. In de loop van de winter worden ze door de ouders verjaagd. De jongen verzamelen zich dan in groepen, samen met knobbelzwanen die nog geen territorium bezitten, zoals sub-adulte vogels. Jonge zwanen herken je aan de laatste vegen grijs in het verenkleed en een roze snavel. Zo'n groep kreeg ik voor de lens op een zonnige lentedag. Toch werd er hier en daar geflirt, een teken dat er ook zwanen in de groep zwommen die al uit zijn op een serieuze verbintenis, daarover de volgende keer meer. Knobbelzwanen hebben door hun omvang weinig natuurlijke vijanden. Als ze als jonkie niet gepakt worden door een snoek of ander roofdier, dan vormt een strenge winter met dichtgevroren wateren hun voornaamste levensbedreiging. Daar komt nog een ander aspect bij. Sinds de jaren 90 is bekend dat knobbelzwanen hun legdatum en legselgrootte laten afhangen van de gemiddelde temperatuur in de winter voorafgaand aan het broedseizoen. Na een koude winter leggen veel vrouwtjes later of zelfs helemaal niet. Aangezien we al lang geen strenge winters meer hebben gehad, zie ik de knobbelzwanenstand hier in de polders elk jaar toenemen.
Het zwanenmeer
De meeste Nederlandse knobbelzwanen komen voor in de provincies Zuid-Holland en Noord-Holland. Dit heeft twee oorzaken: de voorkeur van de vogels voor veenweidegebieden en de zwanendriften uit het verleden. Vroeger werden in het boerenland geleewiekte (leewieken = kortwieken van de vleugels waardoor de vogels niet meer kunnen vliegen) knobbelzwanen gehouden voor de handel en productie van vlees en veren. Toen het fokken van zwanen steeds minder lucratief werd, werden de jongen niet meer gevangen of geleewiekt. Ze vestigden zich in de buurt en vormden daarmee de basis voor de nu vrij levende populaties. Tot en met mei kunnen grote groepen onvolwassen knobbelzwanen (tot 5 jaar) rondzwerven en foerageren op graslanden, percelen met wintergraan en koolzaadvelden. Hierbij kunnen ze belangrijke schade veroorzaken door vraat, vertrapping en bevuiling. De omvang van de fouragerende groepen varieert van enkele zwanen tot meerdere tientallen, tot 90 aan toe. In de zomer vertrekken ze naar groot, open water om vervolgens in het najaar, als de waterplanten niet meer groeien, terug te keren naar de binnenlanden.
Behalve knobbelzwanen verbleef er op het eilandje in de plas een stelletje nijlganzen met jongen. Flink wat grauwe ganzen maakten er toilet. Eén paartje maakte daarbij vlak na elkaar een soort koprol in het water, gedrag dat ik nooit eerder had gezien, maar dat er heel vermakelijk uit zag. Let er maar eens op in het filmpje!
Klik hier om het filmpje van deze week te bekijken.
In mijn volgende blog: een romantische ochtend in het zwanenmeer.
De meimaand is begonnen en ik wil daarom aandacht vragen voor een actie die is overgewaaid uit het Verenigd Koninkrijk en België: Maai Mei niet. Doel van het geheel is dat je gedurende de meimaand (een deel van) je gazon niet maait, zodat er wilde bloemen kunnen groeien. Ze leveren nectar die insecten broodnodig hebben. Ik weet niet hoe het bij jullie is gesteld, maar in mijn tuin zie ik elk jaar minder zweefvliegen, wilde bijen en hommels. Als we vroeger buiten zaten, hoorde je het heerlijke gegons van deze kleine beestjes, maar het wordt wat dat betreft steeds stiller in de tuin. Om ons heen worden meer en meer tuinen versteend. Stichting Steenbreek, samen met de Bijenstichting en Flora van Nederland initiatiefnemer van de meimaandactie, probeert hier al jaren iets aan te doen onder het motto: steen eruit, plant erin. De tuinen die grenzen aan de onze zijn erg verschillend: twee maal groen en twee maal steen - waarvan één zelfs met kunstgras :(. Onze kleine voortuin wordt trouwens al jaren in het voorjaar niet gemaaid om de blauwe druifjes, narcissen maar ook veel wilde bloemen zoals speenkruid, hondsdraf en vogelmuur ruim baan te geven in een tijd dat er nog weinig andere bloemen bloeien.
Een maand niet maaien voor een bloemenweelde en insectenvoedsel
Alle gazons in Nederland samen hebben een oppervlakte van 11.000 voetbalvelden. Als we die niet maaien, dan creëren we samen een gigantisch bijenbuffet. De paardenbloem biedt voedsel aan maar liefst 27 soorten solitaire bijen! Ook jouw gazon kan meedoen, zonder al te veel moeite , er zitten meer planten in je gazon dan gras alleen. Die komen tot bloei zodra je een (gedeelte van) je gazon niet maait. Daar profiteren bijen en vlinders van. Niet alleen particulieren kunnen meedoen, maar gemeenten worden nadrukkelijk ook opgeroepen om de maaimachine een maandje in de schuur te laten. Gemeenten spelen bij het verhogen van de biodiversiteit een belangrijke rol met de bermen en groenstroken die een enorm areaal vormen. Dat gaat over vele duizenden strekkende kilometers: circa 140.000 kilometer bij wegen, 17.500 kilometer bij dijken en ongeveer 3000 kilometer langs het spoor.
Om deze blog te illustreren heb ik gefilmd in de berm langs een wetering. Madeliefjes, boterbloemen, pinksterbloemen, paardenbloemen en smalle weegbree waren zo maar wat soorten die ik zag uit het lijstje dat ook in je tuin kan bloeien. Het was helaas een kille dag, dus de insecten lieten verstek gaan. Als je van een biljartlaken houdt is dat misschien niks voor jou, maar die hebben we hier in het Groene Hart al genoeg, met al die saaie groene weilanden.
Je kunt meteen aan de slag gaan vanuit je luie stoel, namelijk door deze keer niet in actie te komen en de maaier en jezelf een maand rust te gunnen. Als tuinbezitter kun je ook een stapje verder gaan en je gazon aanmelden via de website. Je ontvangt gelijk leuke tips om mee te doen. En tel het laatste weekend van mei jouw kruidachtige planten in een vierkante meter van je gazon en geef deze aan de stichting door, zodat de Bijenstichting jouw nectarscore kan berekenen. Met alle resultaten van Nederland weten we na deze maand wat er groeit in onze omgeving en hoeveel extra bijen we in mei helpen overleven. Aanmelden kan via deze site. Een overzicht van planten en insecten die in je gazon voor kunnen komen (afhankelijk van je grondsoort) vind je door hier te klikken.
Bekijk het bermbloemenfilmpje van deze week door hier te klikken.
In het paasweekend maakte ik een wandeling rond het Spookverlaat in Alphen aan den Rijn. Hier vind je een oude houtkade met een bijzondere geschiedenis, omgeven door verschillende waterplasjes en een vogelhut. De komende weken kun je enkele filmpjes zien, die ik in dit gebied maakte. Op mijn lentewandeling zag ik ontluikend groen en bloesem, vlinders (dagpauwoog, bont zandoogje en koolwitje) en er was vogelzang alom. Langs het pad naar de vogelhut was een stukje heg gevlochten van levende meidoorn, zo te zien was dat nog niet lang geleden gebeurd. Het vlechten van levende heggen is een ambacht die je vooral in Brabant en Limburg tegenkomt. Deze traditie behoort tot het Unesco immaterieel erfgoed, daarom wil ik daar vandaag iets meer over vertellen.
Vlechten met levende meidoorn
Een kort geschiedenislesje
Heggen van dood of levend hout worden al meer dan 2.000 jaar gevlochten om het vee in de wei of buiten de akker te houden. Dat weten wij dankzij de schrijver van Julius Caesar die hier een uitgebreide beschrijving van gaf. Archeologische vondsten laten zien dat het vlechten van heggen met hazelaartakken en andere materialen zelfs al veel eerder in de historie plaatsvond, maar daar zijn geen schriftelijke bewijzen van. De ommekeer van dode omheiningen naar levende vlechtheggen kwam met het groeiend tekort aan hout. Om de sterk groeiende bevolking te kunnen voeden werd er veel bos omgezet in akkers en weilanden. Ook ontstond een groeiende vraag naar bouw-, gerief- en brandhout. Nog bestaande bossen waren veelal in handen van de adel die hun bezittingen beschermde tegen houtroof. Voor hen was het behoud van de bossen ook belangrijk als jachtgebied. Er dreigde overal een tekort aan hout.
Er ontstond het besef dat de omheiningen van dood hout jaarlijks veel hout vroegen dat langzaam wegrotte op de akkers. Door de aanleg van levende heggen kon men niet alleen besparen op hout, als men slim omging met het beheer van de heggen konden deze heggen ook nog hout leveren. Uit die tijd stamt dan ook het gezegde: “Dode omheiningen kosten hout, levende omheiningen leveren hout”.
De oorspronkelijke vlechtheggen bestonden meestal uit doornige struiken, met name meidoorn, die met een speciale techniek in elkaar werden gevlochten om de heggen ondoordringbaar te maken voor het vee. Heggenvlechten was dus vooral functioneel, maar in tuinen van landgoederen en kloosters werden wel siervlechtwerken in heggen aangelegd. Het vlechten van heggen heeft in het verleden niet alleen in Nederland maar in geheel West Europa, met name in Engeland, Duitsland, België en Frankrijk, een belangrijke functie gehad.
Meer over de interessante historie van de vlechtheg kun je lezen op deze site.
Hoe werkt heggenvlechten met levend materiaal?
Bloeiende meidoorn
Het heggenvlechten was een speciaal ambacht dat gedaan werd door de boer, de boerenzoons of boerenknechten. Daarnaast waren er mensen die zich gespecialiseerd hadden in dit vlechtambacht en in de winter bij boeren de heggen vlochten. Deze heggenvlechters, ook wel heggenleier of heggenlegger genoemd, waren vaak keuterboeren die als aanvulling op de inkomsten uit het boerderijtje gingen vlechten. Tegenwoordig wordt het werk vooral door vrijwilligers gedaan. Maasheggenvlechters gebruiken uitsluitend handgereedschap en werken alleen in de winterperiode. Er wordt vooral in ‘hoog Nederland’ (Noord-Brabant en Limburg) in deze stijl gevlochten. Als de stammen van de heg polsdik zijn, is de heg klaar om gevlochten te worden. Eerst wordt de heg flink gesnoeid, zodat de vlechter er goed bij kan. De vlechter gebruikt zogenaamde liggers en staanders. De liggers worden schuin ingezaagd met een snoeizaagje of, voor de geoefende vlechters, een traditionele hiep. De verbinding met de sapstroom (een stukje bast en hout) is minimaal anderhalve centimeter dik en mag niet gebroken zijn. De ingezaagde ligger wordt onder een hoek van tachtig graden gebogen en tussen de staanders gevlochten. Staanders staan ongeveer elke meter en worden op een hoogte van honderdtwintig à honderddertig centimeter ingezaagd en gevlochten.
Hiepen, gereedschap voor heggenvlechten Bron: Felix Blum, wikimedia
NK Maagheggen vlechten
Om de kennis en traditie in ere te houden, vindt er jaarlijks een Nederlands kampioenschap Maasheggenvlechten plaats, georganiseerd door Stichting Landschapsbeheer Boxmeer. Door de coronapandemie konden de wedstrijden de afgelopen jaren niet doorgaan, maar dit jaar werd op 13 maart een kleinschalige editie (zonder publiek) gehouden. Een kort verslag op de website van de stichting:
"Zoals gebruikelijk in de 15 voorafgaande edities vond het kampioenschap plaats op de tweede zondag van maart. Op een prachtig zonnige 13 maart werd er gevlochten door 36 teams. Bijzonder dit jaar was dat er zes universiteitsteams deelnamen aan het kampioenschap. Drie studententeams vertegenwoordigden de universiteit van Wageningen en de drie teams de Radboud universiteit uit Nijmegen. Mooi dat mede hierdoor eerste stappen zijn gezet om het ambacht van het heggenvlechten en daardoor het in stand houden van het mooie Maasheggenlandschap doorgegeven kan worden aan de volgende generatie.
De 36 teams zorgden ervoor dat het Maasheggengebied 300 meter gevlochten heg rijker geworden is. De jury stond na 5 uur vlechten voor de moeilijke taak een winnend team aan te wijzen. Door alle deelnemers werd vol inzet gesnoeid, gezaagd en gekapt om uiteindelijk een mooie en sterke heg te vlechten."
In het filmpje van deze week zie je een klein stukje levende meidoornheg, die nu prijkt in de Hollandse polder. Wie weet wordt dit een goede traditie. Want behalve dat het hout bespaart en mensen en dieren 'binnen de perken houdt', is het een heerlijke schuil- en broedplaats voor vogels en kleine (zoog)dieren. De Vereniging Nederlands Cultuurlandschap heeft berekend dat de randen van Nederlandse akkers en weilanden 200.000 kilometer lang zijn. Dat is vijf keer de aarde rond. In hun deltaplan ijveren ze voor houtwallen, sloten, heggen, singels en andere vormen van ‘groen en blauw’ op die randen om zo de natuur weer te verlevendigen.
Dat was veel leeswerk in mijn blog deze week, voor degenen die vooral willen genieten van zo'n houtwal en de uitbundige lente: klik hier om het filmpje van deze week te bekijken.
Deze week een extra blog om van te genieten op je vrije Koningsdag. Onlangs was ik in alle vroegte in de polder, de zon was nog net niet op en de volle maan prijkte nog aan de hemel, die wel al een beetje roze kleurde. Hoog op de nestpaal zag ik het koppie van een ooievaar boven de nestrand uitsteken in het pastelkleurige ochtendlicht. Toen de zon opkwam leek het alsof het nest verlaten was, maar al snel kwam een ooievaar aanvliegen, het witte verenkleed was roomgeel in het licht van de stijgende zon. Opvallend waren ook de snavel en poten, die extra mooi rood zijn in deze tijd van het jaar. De ooievaar poetste zich, er is nauwelijks verschil tussen de geslachten, dus het is moeilijk om te zien is het een man of vrouw is, behalve bij de paring. Plots bleek de andere ooievaar van het stel toch nog in het nest aanwezig te zijn, sierlijk kwam hij (bleek later) omhoog en niet veel later kwam het tot een paring. Tijdens de eerste twee weken dat een paar op het nest is, schijnt dat met grote regelmaat te gebeuren, dag of nacht maakt daarbij niet uit. Vaak pikt het mannetje voor de paring eerst op de kop van het vrouwtje, maar dat zag ik niet gebeuren. Hij klom op haar rug en plantte zijn tenen boven haar vleugels. Wat ik opvallend vond was dat het mannetje het vrouwtje veelvuldig in haar borstveren pikte, maar dat schijnt bij het paargedrag te horen. Een echte reden daarvoor heb ik nergens kunnen achterhalen.
Parende ooievaars op het nest
Zo'n takkennest ziet er vrij spartaans uit, maar de binnenkant is wel degelijk bekleed met zacht materiaal. Tegen de tijd dat de eieren gelegd worden, gaan de ooievaars vaker op het nest liggen en schikken het zachte nestmateriaal om zich. Hierdoor sluit de nestkom beter aan op het vogellijf en blijven de eieren straks beter op temperatuur.
Jonge ooievaars (herkenbaar aan de donkere snavel en poten) op het nest met zacht nestmateriaal (mos) Foto: Toudidel - Own work, CC BY-SA 3.0, wikimedia
Bij een grote vogel als een ooievaar verwacht je wellicht een groot ei, maar het is slechts een slag groter dan een kippenei. Twee tot vijf eieren worden om de dag gelegd, er blijft dan continue één ooievaar op het nest. Vanaf het tweede ei wordt er echt gebroed. Vader en moeder nemen daarbij ieder hun verantwoordelijkheid en wisselen elkaar om de drie uur af. Elke 30-45 minuten worden de eieren gekeerd en het zachte nestmateriaal verschikt. De broedtijd is een ruime maand.
Bekijk de parende ooievaars in het filmpje door hier te klikken.
Voor het filmpje en het verhaal van deze week gaan we even terug naar Texel. Tijdens de zonnige maar koude februariweek was ik opgestaan om de zonsopgang boven de Waddenzee te filmen. Ik hoefde er niet extreem vroeg voor op, want de zon zou stipt om half acht boven de horizon uit piepen. Meestal kleurt de lucht al eerder mooi oranje of roze, dus ik stond er tegen zevenen te blauwbekken in de gure wind. Maar de wolkeloze lucht trakteerde me op pasteltinten, ik trok de capuchon nog maar wat dichter om mijn hoofd en ik gaf mijn ogen goed de kost. Naarmate het lichter werd zag ik duizenden vogels langs de zon trekken, in groepen en lange slierten. Een prachtig schouwspel waarvan je kunt genieten in het filmpje van deze week. Aangezien ik daar toch maar stond te staan, begon ik te mijmeren over die aantallen vogels en dan komt er altijd zo'n opzoekvraag in me op: hoeveel vogels leven er nu eigenlijk in de Waddenzee? Dat is het begin van een speurtocht via Google of Google Scholar (voor wetenschappelijke literatuur). Uiteindelijk kwam ik uit bij de site waddensea-worldheritage.org. Er is niet één enkel antwoord op mijn vraag, want het ligt er maar aan hoe je de vraag afbakent. Als we kijken naar de bodembroedende vogels, dan maken bijna 1 miljoen vogels, verspreid over 31 soorten gebruik van het waddengebied. Op de hoge zandplaten en sommige eilanden komen geen zoogdierpredatoren (bijv. vossen) voor en de zee is enorm voedselrijk. Dus dat is bed & breakfast in één. Meer dan een kwart van de Europese populaties van de lepelaar, kluut, lachstern en grote stern broeden in het Waddengebied.
Waddenzee
Het gebied is niet alleen voor broedende vogels van groot belang, maar ook voor trekkende watervogels. Het is voor hen de perfecte tussenstop om even bij te tanken op hun lange reis van overwinteringsgebied naar hun broedregio (en omgekeerd). Zo komen alle donkerbuikige rotganzen plus alle Europese en West-Russische bonte strandlopers langs in het Waddengebied. Deze soorten zijn er relatief kort maar andere verblijven de hele winter in de Waddenzee. En zo kom ik dan uiteindelijk met het antwoord op de vraag: per jaar maken 12 miljoen vogels korter of langer gebruik van de Waddenzee. Daarmee is het één van de belangrijkste locaties voor kustvogels in de hele wereld.
Vogels van de Waddenkust
Op de site van landschapnoordholland kun je gratis een overzichtelijke kaart downloaden met afbeeldingen van vogels van de waddenkust. Mocht je in de kop van Noord-Holland zijn, dan kun je de twee wandelingen op de kaart maken langs waddenvogelhotspots. Klik hier om de kaart met de wandelingen te bekijken en downloaden. Je kunt ook de gratis Wadvogel app van de Vogelbescherming downloaden met 190 vogelsoorten, bijbehorende geluiden en herkenningstips.
Klik hier voor mijn waddenfilmpje bij zonsopkomst.
Vorige week kondigde ik aan dat je in de blog van deze week antwoord zou krijgen op de vraag hoeveel vogels er voorkomen in de Waddenzee. Op dat antwoord moet je nog een week wachten, want het filmpje dat ik deze week maakte van grauwe ganzen vond ik door de eieren en kleine gansjes erg goed bij Pasen passen. Dat heb ik dus voorrang gegeven.
Kuikens van de grauwe gans
Na de terugkeer van de winter, met sneeuw, hagel en harde windstoten (mijn pas opgezette tuinkasjes woeien meteen weer uit elkaar), genoten we vorig weekend van het lenteweer. We maakten een fietstocht van een kilometer of 40 rond de vogelgebieden in onze omgeving. Langs de Wijde Aa, via de Mattenkade naar de Wilck en langs het Spookverlaat en de Spijkerboorse kade naar het Zaans Rietveld. We hoorden en zagen enkele grutto's, maar we vonden het verdacht stil op de route. Naar ons gevoel (en dat van een medevogelaar die we onderweg tegenkwamen) waren er veel minder (weide)vogels te zien dan anders. Pas toen we weer in de bebouwde kom fietsten werd het druk met vogels. Langs het Weteringpad zagen we broedende meerkoeten, futen en grauwe ganzen met jonkies. De volgende dag ben ik er op uit gegaan om dit ganzengrut te filmen. We hadden tijdens de fietstocht een verlaten nest gezien met de eieren er nog in. Dat lag er de volgende dag nog precies zo bij, dus die eieren komen niet meer uit. Het waren er zes, dat is precies het gemiddelde aantal eieren dat een grauwe gans legt.
Ganzeneieren in een verlaten nest
Ik vroeg me af hoe het zit met het broedsucces van de grauwe ganzen. Van een zeldzame broedvogel in de jaren 70 is de populatie inmiddels toegenomen tot zo'n 165.000 broedparen. Ik vond twee studies over het broedsucces van deze vogels, één over de Gelderse Poort (uitgevoerd door de Zoogdiervereniging) en de andere over het Het Verdronken Land van Saeftinghe (Zeeland) (onderzocht door Bas de Maat voor het Zeeuws Landschap), beide ongeveer 10 jaar geleden gerapporteerd. De conclusies van de twee rapporten zijn ongeveer gelijk: het aantal nesten dat met succes jongen voortbrengt is gering; slechts tussen de 5 en 10%. In Zeeland verdwenen enkele nesten bij hoog water, maar in het algemeen waren roofdieren verantwoordelijk voor het verorberen van de eieren. In de Gelderse Poort werd met cameravallen gewerkt. Daarmee registreerden de onderzoekers vos, das, steenmarter, bruine rat en zwarte kraai, maar ook mensen die de eieren in het water dumpten of anderszins manipuleerden. De vos was veruit de frequentste bezoeker en 'boosdoener', bij tweederde van de gepredeerde nesten speelde Reintje een rol. Ook in Zeeland was de vos een belangrijke predator van de ganzeneieren. Dit werd waargenomen aan de hand van vossenprenten tijdens de wekelijkse controlebezoeken. De kleinere predatoren zoals een kraai of rat kunnen alleen ganzeneieren eten in een verlaten of tijdelijk onbewaakt nest. Ze krijgen een broedende gans beslist niet van hun plek. Vossen zijn echter in staat om een gans van haar nest te jagen. En zo maken ze niet alleen de weg vrij om zelf een eitje te pikken, maar banen ook het pad voor de kleinere voedselzoekers. Een opvallende conclusie was dat vossen meestal niet een heel legsel weghalen uit ganzennesten, zoals ze doorgaans doen bij nesten van andere vogels, maar per nacht slechts een of twee eieren. Doordat ze vaak terug blijven komen, verdwijnt uiteindelijk toch het hele legsel. Het waarom van deze strategie blijft natuurlijk een raadsel, misschien is zo'n groot ganzenei voedzaam genoeg om een etmaal op te teren. Wij hebben ooit een ganzenei gekocht bij een boerderij, met zijn tweeën hadden we genoeg aan dat ene ei! Met 150-200 gram per stuk wegen ze ongeveer drie keer zoveel als een kippenei.
Afijn, even verderop waren geen nesten te zien, maar wel diverse ganzenfamilies met ieder een stuk of vijf kuikens. Ze hadden het beredruk met hele gewone avonturen: beetje eten, beetje soezen, beetje lopen en een paar keer in en uit het water om een beetje te zwemmen :).
Mijn eerdere blogs over grauwe ganzen kun je lezen door hier te klikken.
Bekijk het ganzenfilmpje van deze week door hier te klikken.
Wegens een (te) drukke werkweek, is het niet gelukt deze week een blog te schrijven. Om toch even te ontspannen, een filmpje van het opkomend tij aan het Noordzeestrand van Texel. Ik word er erg rustig van, dus hopelijk heb ik komende week weer tijd en puf om een blog voor jullie te maken :).
Enig idee hoeveel vogels er in de Waddenzee verblijven? Je leest het in mijn volgende blog!
Klik hier om het filmpje van deze week te bekijken.