vrijdag 28 januari 2022

Sjansende halsbandparkieten

Hoewel het nog winter is, zijn er toch al wat signalen dat er iets verandert in de natuur. Koolmezen en pimpelmezen laten hun baltszang al weer horen. Bij koolmezen is dat een pompend liedje en wat pimpelmezen zingen wordt wel vergeleken met een zilveren belletje. Het was alweer een winderige dag toen ik het Weteringpark inliep. De zon piepte tussen de voortjagende wolken door. De wind rukte flink aan de takken van de wilg waarin kauwtjes zich verzameld hadden. 

Halsbandparkietman verleidt vrouwtje met voedsel

Even verderop hoorde ik het gekrijs van de halsbandparkieten die steeds talrijker worden in het parkje. Een mannetje deed pogingen om een vrouwtje te naderen. Ze snoepten van de boomknoppen en het mannetje (de halsband leek zich als een lichte ring af te tekenen) voerde het vrouwtje. Bij veel vogelsoorten voeden mannetjes het vrouwtje in de baltstijd, maar ook later tijdens de broedperiode en als de jongen nog klein zijn. Zoals ik eerder schreef in mijn blog over de parende wilde eenden speelt voedsel een belangrijke rol bij de paarvorming van vogels. Vrouwtjes baseren hun partnerkeuze op de kracht en vitaliteit van mannetjes. Hoe dat getoond wordt, verschilt per soortgroep. Bij zangvogels speelt krachtige en gevarieerde zang een rol. Vrouwtjes lijken hier 'te vallen' voor liedjes die ze als jong gehoord hebben. De niet-zingers moeten hun vitaliteit anders aantonen en doen dat met een kleurrijk, glanzend verenpak plus een helder gekleurde snavel en poten. Soms is er sprake van een combinatie: pimpelmezen kunnen imponeren met hun zang, maar ook met extra witte wangen en een blauw petje dat veel UV-licht weerkaatst. Bij de mussen geldt ook 'hoe witter hoe fitter', maar dan betreft het de vleugelstreep. Ook symmetrie speelt een rol. Bij boerenzwaluwen is vastgesteld dat mannetjes met ongelijke staartpunten minder populair zijn. 

Voor alle soorten geldt dat het mannetje over een voedselrijk territorium moet beschikken en moet aantonen dat hij in staat is veel en goed voedsel te verzamelen. Voor de vrouwtjes is een legsel eieren een fysieke uitputtingsslag, niet zelden moeten ze een dubbele portie eten om gewicht te bufferen voor het maken van de eieren. Vrouwtjes stemmen het aantal eieren dat ze leggen af op de hoeveelheid voedsel die het mannetje aandraagt in de paartijd. Ik ben benieuwd of het halsbandparkietvrouwtje vindt dat het mannetje genoeg zijn best doet :). Bekijk hun capriolen in het filmpje van deze week door hier te klikken

Lees onder het filmpje nog even door want daar vind je alle informatie over de nationale tuinvogeltelling die dit weekend plaatsvindt. Alle hulp is welkom en het kost maar een half uur van je tijd!


Dit weekend is de jaarlijkse nationale tuinvogeltelling, doe je mee? Via deze link lees je er alles over. Deze handige invullijst geeft een mooi overzicht van de vogels die je in je tuin tegen kunt komen. Als je meer wilt leren over tuinvogels dan kun je je via deze link opgeven voor een gratis online tuinvogelcursus.

Doe je mee aan de tuinvogeltelling?


vrijdag 21 januari 2022

Oog in oog met de torenvalk

Mijn wens is om nog eens de Reeuwijkse Plassen vast te leggen bij een mooie zonsopgang in de winter, wanneer veel watervogels de plassen bevolken. Dat was nog steeds niet gelukt, maar op basis van de weersvoorspelling besloten we het er nog maar eens op te wagen. In het donker vertrokken we richting Reeuwijk. Achter ons was de lucht helder, maar in het oosten hing een dikke laag bewolking die onder invloed van de wind voortjoeg in het zwerk. Ik legde de blauwgrijze wolkenmassa vast in de hoop dat de zon er doorheen zou breken, maar dat was ijdele hoop.... De zon deed af en toe haar best maar meer dan wat flauwe zonnestralen en een paar 'gouden' momentjes leverde het niet op. Op de plassen dobberden flinke aantallen smienten, tafeleenden en kuifeenden, maar minder dan andere jaren. Toen bezochten we de plassen in een periode van vorst; als de sloten bevroren zijn trekken de vogels naar dieper water, zoals de Reeuwijkse Plassen waar het water open blijft. Ook in de weilanden zagen we minder ganzen dan anders. Een mooie waarneming betrof een torenvalkje op een hek in het weiland. Het was een mannetje; die onderscheiden zich van de vrouwtjes door een leigrijze kop en staart, het verenkleed van de vrouwtjes kenmerkt zich door uitsluitend bruine tinten. Hij zat er erg op zijn gemak en leek geen haast te hebben. Misschien hij zijn dagelijkse rantsoen van vijf muizen vandaag al te pakken of zat hij moed te verzamelen om op jacht te gaan.

Torenvalken eten het liefst (veld)muizen 
en hebben er gemiddeld vijf per dag nodig
Tekening: Jos Zwarts, CC BY-SA 4.0, wikimedia

Hij keek ons met een priemende, geïnteresseerde blik aan, maar ik kon de camera laten snorren zonder hem te verjagen. In verhouding tot de kop zijn de ogen heel groot, ze zijn zijwaarts gericht voor een breed blikveld. Omdat de ogen zo groot zijn dat er bijna geen spieren meer bij kunnen in de oogkas zitten de ogen klem in de kas en bewegen ze niet. Wij kunnen naar links en rechts kijken door onze ogen te bewegen, vogels moeten daarvoor hun (wendbare) kop draaien. Het oog van de torenvalk is erg bol, hierdoor zien ze een kleiner deel van de omgeving, maar wel ontzettend gedetailleerd. 

Torenvalk, man te herkennen
aan de grijze kop en staart

Net als bij mensen hebben vogels staafjes (voor het zien van licht en donker) en kegeltjes (voor het zien van kleuren) in hun ogen. De kegeltjes van vogels zien ook ultraviolet licht, dat voor mensenogen onzichtbaar is. Muizenurine reflecteert UV-licht, dus dat is voor torenvalken een mooi middel om hun prooien op te sporen. Muizen zijn gewoontedieren: ze nemen altijd dezelfde paadjes en markeren die met urine. Enkele momenten per dag komen ze uit hun holletjes en dan zijn ze even actief boven de grond. In de winter komen ze minder vaak naar 'boven' dan in de zomer, vaak alleen om zich te ontlasten. Dus dan is het geduldige wachten van een torenvalk een slimme strategie. Hoe feller het UV-licht (dat de valken zien zoals wij rood en paars zien), hoe dichterbij is het muisje. Het torenvalkje speurde niet naar de grond maar nam de omgeving in zich op. We lieten hem lekker zitten en maakten het wandelrondje langs de plassen af. Aan het eind zagen we nog een poetsende brilduiker. Over dit mooie eendje schreef ik al eens eerder een blog (klik hier). 

Bekijk het filmpje met Hollandse wolkenpartijen, de torenvalk en overwinterende eenden door hier te klikken




vrijdag 14 januari 2022

Twee uurtjes winter

Rijp op brandnetels

Tot op heden hebben we twee uurtjes winter gehad. Eind vorig jaar was het net voor zonsopgang gaan vriezen en ik moest er snel bij zijn, want de dooi trad rap in op plekken waar de zon scheen. Even genieten van de heerlijke 'crispy' sfeer van vorst! De hemel was blauw en boven het water steeg waterdamp op. In tegenlicht zweefde het langzaam weg en omhulde een vissende aalscholver, wilde eenden en een stelletje nijlganzen in hun fraaie verlovingskleed. Even later kwam de aalscholver uit het water en ging op het eilandje in een boom zitten met zijn vleugels wijd gespreid. Dat doet-ie om zijn veren te drogen. Om diep en lang te duiken hebben deze vogels geen waterafstotende vetlaag rond hun veren. De baarden aan hun veren staan betrekkelijk ver uit elkaar, zodat binnendringend water vrij spel krijgt en alle lucht verdwijnt. Met hun doorweekte verenpak is er minder opwaartse druk en kunnen ze makkelijker onder water blijven. Nadeel is wel dat ze naderhand hun veren moeten föhnen :). Met gespreide vleugels drogen ze hun veren in zon en wind. 

Aalscholver droogt zijn veren

De vraag is dan natuurlijk of hun veren niet bevriezen in een koude winter als ze zo lang nat blijven. Dat schijnt erg mee te vallen; zo nu en dan klapperen met de vleugels is voldoende om ijsvorming tegen te gaan. 

Al voor de kerst zagen we aalscholvers op de nesten zitten bij de Geerplas in Langeraar. Dat lijkt elk jaar weer een tikje vroeger te gebeuren. Veel aalscholvers brengen tegenwoordig in Nederland twee nesten groot; één in februari en één in april. Zoals uit de beelden blijkt overwinteren ze hier ook. Uit het boek Nederlandsche Vogelen begreep ik dat dat vroeger niet zo was. De aalscholvers overwinterden volgens de inzichten destijds in IJsland en kwamen in februari of maart pas naar ons land. Ze broedden toen maar éénmaal per jaar. In maart en april begon de nestbouw en de broedtijd was vier weken. Als een deel van het legsel werd weggehaald, bleven de aalscholvers eieren leggen tot het aantal was aangevuld. Een raar experiment zul je zeggen, maar dat kwam door de broodbakkers. Die hadden ontdekt dat aalscholvereieren de beste eieren waren om beschuit mee te maken! Als de eieren uitgekomen waren, werd een deel van de jongen gedood en verpatst aan 'de gewone man' om op te eten. Tegenwoordig broeden de aalscholvers vooral in bomen, maar de waarnemingen in het boek betreffen nesten op riet en biezen in het water. Jaar op jaar kwam er een nieuwe laag grassen en drek bij. Voor mensen was het niet mogelijk daar over te lopen, maar met een bootje er langs varen kon natuurlijk wel. De auteur heeft zijn beschrijving gebaseerd op waarnemingen in de Wolle foppen-polder. Ik heb eens nagezocht waar die was en dat blijkt bij Rotterdam te zijn. Volgens het archief van het Hoogheemraadschap van Schieland: 'de polder Wollefoppen werd opgeheven bij Statenbesluit van 12 november 1873, nr. II, goedgekeurd bij Koninklijk Besluit van 15 december 1873, nr. 20, en opgenomen in de bedijking en droogmaking van de polder Prins Alexander'. Ik heb twintig jaar gewerkt in een kantoorgebouw in die polder (er is tegenwoordig ook een groot winkelcentrum: Alexandrium). Dat leefgebied is voor de aalscholver verloren gegaan. Maar eieren rapen en jongen om zeep helpen is er niet meer bij, want zoals alle Nederlandse vogels zijn aalscholvers bij de wet beschermd. Ik vond deze prachtige prent van de Wolle foppenpolder op internet uit het archief van de Universiteit van Amsterdam (klik hier), gemaakt rond 1770. Ik zie een grote groep lepelaars op vergelijkbare lage nesten zitten. De donkere vogels die zwermen op de achtergrond zijn misschien de hier beschreven aalscholvers. De prent is gemaakt door Cornelis Nozeman, die ook meewerkte aan Nederlandsche Vogelen. Een prachtig kijkje in het verleden! 

Geniet even van een sprankje winter in het heden in het filmpje van deze week door hier te klikken.





vrijdag 7 januari 2022

Herkauwende damherten en een 'kip van het bos'

Na de kerstdagen hadden we even zin om naar buiten te gaan. Volgens de weerapp zou de mist tegen het middaguur optrekken en regen was pas in de avond voorspeld. We besloten nog eens naar de Amsterdamse Waterleidingduinen te gaan. We waren niet de enige, maar we konden nog één van de laatste parkeerplekjes bij de ingang Panneland bemachtigen. De mist was - in tegenstelling tot de voorspelling - nog niet opgetrokken en gaf een mysterieuze sfeer aan het bos. Op een van de bomen groeide een verse zwavelzwam. Voor de eik was dat niet zo'n goed nieuws, want dit is een parasitaire soort. Zodra er ergens een gaatje in de schors van de boom komt kunnen sporen van de zwavelzwam zich daar nestelen. De schimmel gaat groeien en groeit in het kernhout. Dat is dood hout maar belangrijk voor de stevigheid van de boom. Omdat de sapstroom van een boom zich in het spinthout bevinden en niet in het kernhout, kan de boom het nog wel enige tijd uitzingen. Op de langere termijn ontstaat er bruinrot in de boom en zullen er takken uitschuren omdat deze niet sterk genoeg meer zijn. De gewone zwavelzwam is eetbaar en wordt door de Engelsen ook wel 'chicken of the woods' (kip van het bos) genoemd. Dat heeft niks met de vorm of kleur van de paddenstoel te maken, maar met de smaak. 

Gewone zwavelzwam, chicken of the woods

Vanuit het druk bezochte bos liepen we verder de duinen in. We zien er vaak vogels die de winter op het water in dit gebied komen doorbrengen zoals wilde zwanen, zaagbekken en brilduikers. Vandaag was het erg rustig op de kanalen; er dreven hier en daar alleen gewone soorten zoals meerkoeten, wilde eenden en kuifeenden. De damherten, en dan met name de mannetjes met hun mooie geweien waren echter alom tegenwoordig. Ze waren druk met eten, en sommige herten lagen rustig te herkauwen tegen de hellingen van de duinen. Van de biologieles vroeger kon ik me nog vaag iets herinneren over de vier magen van een herkauwer. Maar hoe dat precies werkt wist ik niet meer. Dus daar ben ik weer eens ingedoken. Het begint natuurlijk allemaal met het voedsel van de dieren. Damherten eten uitsluitend plantaardig voedsel. Ze voeden zich met grassen, biezen en kruiden, aangevuld met jonge (boom)bladeren, dennen- en sparrennaalden, bessen, eikels, beukennoten, granen, wortelen en 's winters schors, hulst en heide. Plantaardig voedsel, met name de houtachtige delen daarin, zijn moeilijk te verteren. Als wij mensen gras zouden eten dan kregen we krampen, verstopping of diarree maar zouden uiteindelijk de grasprop weer uitpoepen zonder dat het ons voedingswaarde oplevert. Ook voor dieren is het verteren van gras een uitdaging, maar zij maken gebruik van hulptroepen: in drie van hun vier speciale magen, vooral in de enorme pens, leven miljarden bacteriën en eencellige diertjes (samen wel 10 miljard per cc!), die al die ruwe celstof bevattende plantendelen wél kunnen verteren. Een tweede probleem van het eten van gras door mensen is de slijtage van onze tanden: gras bevat veel silica, een schuurmiddel dat snel tanden afslijt. Grazende dieren hebben tanden die zijn aangepast om voortdurend te groeien, waardoor de versleten tandoppervlakken snel worden vervangen. Waarschijnlijk hadden onze verre voorouders wel steviger tanden en een ander darmstelsel waardoor ze grassen beter konden verteren. 

Herkauwend damhert

Afijn, dat herkauwen, hoe werkt dat precies? Herkauwers hebben vier zogeheten "magen": de pens, de netmaag, de boekmaag en de lebmaag. De eerste drie zijn voormagen, de lebmaag is de echte maag. Een herkauwer kauwt het eten eerst oppervlakkig, waarna het in de netmaag en de pens terechtkomt. Dit vertraagt de passage van het voedsel door het maag-darmkanaal, waardoor het voedsel in de netmaag/pens tijd krijgt om langer 'voor te verteren'. In de netmaag en pens leven bacteriën, die de (voor zoogdieren normaal gesproken niet goed verteerbare) cellulose uit de celwanden van planten afbreken tot glucose. De gevormde glucose (suikers) eten de bacteriën zelf op; in dat proces komen vetzuren en eiwitten vrij die weer nuttig zijn voor de herkauwer. 

Na 20 tot 45 minuten gaan het grofvezelige materiaal als spijsbrokken terug naar de mond, waar het fijngemalen en vermengd wordt met speeksel. Dit duurt 50 tot 70 seconden per spijsbrok. Bij terugkeer in de magen gaan de fijndelige materialen via de netmaag naar de boekmaag. De netmaag heeft aan de binnenzijde een netvormige structuur, de boekmaag heeft aan de binnenzijde bladen zoals in een boek. Tussen de bladen van de boekmaag worden de spijsbrokken uitgeperst. Deze vloeistof gaat als eerste naar de lebmaag, waarna langzaam de spijsbrok volgt. De maagsappen werken hier op de voedselbrij in voor de verdere vertering.

Vier magen van herkauwers: m=slokdarm, v=pens, n=netmaag,
b=boekmaag, l=lebmaag, i=twaalfvingerige darm. Bron: wikimedia

Vloeibaar voedsel dat niet herkauwd wordt, gaat direct naar de lebmaag. Omdat jonge dieren alleen melk drinken voor hun voedselvoorziening, hebben ze een grote lebmaag, die 75 tot 80% van de totale maaginhoud beslaat. De eerste drie magen worden nog niet gebruikt en zijn nog niet uitgegroeid. Langzaam worden deze drie magen groter en kan het jonge dier wat vast voedsel gaan eten. Uiteindelijk is de pens uitgegroeid tot ongeveer 75% van de totale maaginhoud.

De herten in het duin krijgen met hun voedsel van gras en bladeren veel zand binnen. Hoe tandenknarsend gaan zij door het leven? Iedereen die wel eens een hap zand op het strand binnenkreeg weet dat dat geen pretje is, dat bovendien enorm schuurt aan de tanden. Niet bepaald iets om lekker nog eens te herkauwen. Ook daar heeft de natuur een oplossing voor: de stukjes zand en gruis gaan niet naar de bovenste magen (waar het voedsel dat herkauwd wordt in terecht komt). Kleine stukjes zoals de zandkorrels gaan meteen door naar de lagere magen en worden dan meteen in de spijsvertering opgenomen. 

Inmiddels was de mist naadloos overgegaan in regen. De weerapp had ons verkeerd voorgelicht. Maar we waren lekker buiten geweest en druipnat maar voldaan keerden we huiswaarts.
Bekijk het filmpje van damherten in de mist door hier te klikken (vergeet niet de resolutie met het radertje op 4K te zetten).






vrijdag 31 december 2021

Knotwilgen in gouden licht

Oerhollandse knotwilgen in het winterlicht

Vanuit mijn werkkamer zag ik een prachtige zonsopgang. Mijn eerste vergadering zat er om 9.15 uur al op en de volgende was pas om 11 uur. Ik had de gelegenheid om even te spijbelen en met mijn camera het park in te lopen. Dat uurtje zou ik aan het eind van de dag wel inhalen, als het toch al donker was. Toen ik het park in liep kwam de zon net boven de huizen uit en dat was spectaculair: een golf van gouden licht sijpelde tussen de bomen door en vormde Jakobsladders. Bij de vijver stoomde het water omhoog en de nevel kreeg door de zon een kopergouden kleur. 'n knotwilg omarmde de zon in haar kroon. Wilgen vormen een uitgebreide familie, met zo'n driehonderd soorten. Het zijn snelle groeiers, met licht en zacht maar taai hout. Wilgenbomen kunnen tot wel 100 jaar worden en tijdens hun leven zorgen ze voor veel nakomelingen. De meeste wilgen doen dat zowel door het afwerpen van takken, die vervolgens wortel schieten als via het overvloedige, pluizende zaad dat soms centimeters dik naast de bomen ligt en ook wel zomersneeuw wordt genoemd. Wilgen werpen vooral takken af die te veel in de schaduw komen: aan de voet van de tak ontstaat een breekbare plek en de wind zorgt ervoor dat de tak losgerukt wordt van de boom. Het pluizige zaad zweeft op de wind en bij de landing zorgt de kuif van haren er voor dat het zaad met de voet omlaag landt. Zo valt het zaad meteen in de aarde. De zaden kiemen snel, maar verliezen hun kiemkracht al binnen enkele dagen, soms zelfs binnen enkele uren. Dus veel zaad gaat verloren, althans om nageslacht voor de boom te maken. 

Een knotwilg omarmde de zon in haar kroon

Knotwilgen vormen geen aparte soort, het zijn schietwilgen die door mensenhanden in een bepaalde vorm zijn gesnoeid. Als de mens zich niet bemoeit met een schietwilg, groeit de soort uit tot een hoge boom met een smalle, gesloten kroon. Het hout is geschikt voor het maken van klompen, die bijzonder duurzaam zijn. Meer nog werden de wilgen gebruikt voor hout zonder dat de hele boom werd omgezaagd, het zogenaamde geriefhout: de schietwilg werd op 2 meter hoogte afgezaagd en ontwikkelde zo de knobbel waaruit vele takken groeiden. Die werden gebruikt voor het vlechten van manden, als staken voor schuttingen en in de moestuin (bonenstaken) en de minder bruikbare takken werden gestookt in de kachel. Tegenwoordig is het knotten van wilgen vooral nog een taak voor vrijwilligers die deze kenmerkende landschapselementen voor de ondergang behoeden. Schietwilgen horen bij de zogenaamde 'griendwilgen', die van nature in het winterbed van de grote rivieren voorkwamen. Ze zijn beter dan welke Nederlandse boom aangepast aan het natte milieu met lange en korte perioden van overstromingen. De smalle gestroomlijnde bladeren en de taaie takken worden niet snel door de stroom afgerukt. Als de stammen worden beschadigd door ijsgang, groeien er aan de voet talrijke nieuwe zijtakken. 
Wilgen zijn enorm belangrijk als voedselbron in het voorjaar; ze bloeien als er nog weinig voedsel te halen is voor insecten. Mannelijke katjes bevatten veel stuifmeel en een beetje nectar, de vrouwelijke bloemen zijn vooral rijk aan nectar. Als er verschillende wilgensoorten bij elkaar groeien, dan bieden ze insecten gedurende een lange periode voedsel omdat ze allemaal op verschillende tijden bloeien. Eerst komt de boswilg in bloei, vervolgens de Duitse dot, grauwe wilg, katwilg, bittere wilg, geoorde wilg, amandelwilg, kruipwilg en de kraakwilg. De schietwilg en de laurierwilg sluiten de rij. Hommels en vliegen zijn de belangrijkste bestuivers van wilgen. Hoewel honingbijen de wilgen veel bezoeken, hebben zij een taakverdeling die bestuiving in de weg staat. Er zijn stuifmeelhaalsters: werksterbijen die alleen de mannelijke bomen bezoeken en de honinghaalsters die zich op de vrouwelijke bomen concentreren. Over een week of 5-6 komen de eerste hommelkoninginnen weer te voorschijn. Tot die tijd moeten we het nog doen met kale bomen en hopelijk wat sprankjes zon. Ik kan niet wachten tot de lente zich aandient....

Bekijk het filmpje met gouden winterlicht door hier te klikken.


In mei 2018 schreef ik een blog over de wilgenhoutrups, die kun je lezen door hier te klikken

vrijdag 24 december 2021

Al weer een jaar voorbij


Rond de kortste dag van het jaar moet je uitslapen om de zonsopgang te kunnen filmen :). Ik was die dag al om vijf uur wakker, maar buiten zag je geen hand voor ogen. Eerst maar wachten op de krant, douchen en toen was het eindelijk tegen achten en kon ik er op uit. De zon ging pas om kwart voor negen op, maar vaak kleurt de lucht voor die tijd al mooi roze dus het loont om er ruim op tijd naar toe te gaan. Het was half bewolkt, dus ik had goede hoop dat het een mooie zonsopgang zou worden. Om tien uur stond in de weerapp al weer een wolkje zonder zon. Maar voor nu: so far so good. Ik wist een plekje tussen Aarlanderveen en Alphen aan den Rijn met een mooi slootje en bruggetje en besloot daar mijn geluk te beproeven omdat daar goed zicht zou zijn op de opkomende zon. De lucht kleurde oranjeroze, en er waren mooie spiegelingen in het water. Naarmate het lichter (en ietsje warmer) werd steeg er een beetje nevel op boven de velden. Dat zag er fraai uit met de molens van de viergang erbij. Op één van de molenwieken zag ik in de verte een enorme stip. Ik dacht nog even 'zee-arend', maar toen ik inzoomde zag ik wat het echt was: één molenaar had een kerstboom op de bovenste wiek bevestigd :). 

Toen de zon boven de horizon rees kleurde het landschap goudgeel. Bij het bruggetje ontstond een klein mistwolkje en het landschap zag eruit zoals de schilders van de Haagse School aan het eind van de negentiende eeuw Hollandse landschappen schilderden. Ik aapte het zoveel jaren later na met een 4k-camera. Tijden veranderen, maar de natuur blijft altijd een inspiratiebron.

Ik wens je fijne feestdagen en een goed begin van 2022. Ik hoop je na de jaarwisseling weer te kunnen inspireren om de natuur in te gaan en er met verwondering in rond te kijken. Tot in het nieuwe jaar!

Voor een zen-momentje tijdens de kerstdagen kun je het filmpje bekijken door hier te klikken.




vrijdag 17 december 2021

Een mistig dagje en toch een beetje lentegevoel


Het is de laatste weken behoorlijk zoeken naar momentjes met een beetje aardig licht om te filmen. Een mistige ochtend 'kon er mee door' en ik besloot het effect van de mist te versterken door 'high key' (met overbelichting) te filmen. Hierdoor werd de ijle sfeer van de mist versterkt en bewogen de dieren en mensen zich door een schaduwloos landschap. Het was vrijwel windstil. Er was weinig beweging dus, behalve in de slootjes. Enkele meerkoeten dobberden rond, een aalscholver gleed door het water en waterhoentjes hadden de lente al in de kop en raceten achter elkaar aan. Een paartje wilde eenden had alleen oog voor elkaar. Het bruine wijfje legde haar kop voor zich op het water, terwijl het bont gekleurde mannetje al op en neer knikkend met zijn hoofd langzaam naderde. Zijn gele snavel raakte daarbij het wateroppervlak, waardoor er telkens wat water opgespat werd. Het wijfje bleef in de paarhouding, dus met wederzijdse instemming werd er gepaard. Dat kan de hele winter zo door gaan, kou, sneeuw, regen deert niet. Voor de wilde eenden is het de hele winter verlovingstijd. Dat betekent niet dat de eieren nu al op komst zijn. Die worden pas in het voorjaar gelegd en bebroed als er overlevingskansen zijn voor de kwetsbare jongen. Onderzoeken hebben trouwens aangetoond dat vrouwtjes het aantal en gewicht van de eendeneieren aanpassen naar gelang de kwaliteit van het mannetje. Hoe dat precies in zijn werk gaat is onduidelijk, maar uit het onderzoek bleek wel dat de kleur van de snavel van het mannetje daarin een cruciale rol speelt. In de studie werd aan een deel van de mannetjeseenden voedsel gegeven met extra carotenoïden (dat is de oranje/gele kleurstof uit bijvoorbeeld worteltjes), waardoor de snavel extra kleurde. De vrouwtjes die met die eenden paarden legden meer en grotere eieren. Die eieren bevatten ook hogere concentraties enzymen die bacteriën bestrijden en daarmee ontstekingen remmen. Met andere woorden: ook voor eenden geldt dat uiterlijk er toe doet, maar het draait niet alleen om een mooi kleurtje of logo :). Woerden (mannetjeseenden) moeten goed letten op hun dieet en veel carotenoïden eten om kans te maken op meer nageslacht.

Van die 'parkeendjes' vinden we het tegen tegenwoordig heel gewoon dat we ze jaarrond zien. In het boek Nederlandsche Vogelen las ik echter dat dat eind 18e, begin 19e eeuw niet het geval was. Het waren trekvogels, die broedden in Noord- en Oost-Europa. In Lapland kwamen ze in de zomer 'in ongelooflyke menigte' voor. Gedurende augustus en september vlogen ze naar ons land, waar de eendenkooien voor menige eend het lot bepaalde: ze belandden dan op het menu van de Nederlanders. Zoals het boek vermeldt: "de natuur schynt deeze vogels, evenals de haringen, dit te hebben ingegeven, dat zy, om zelf de kost voor zig te zoeken, aan het menschelyk geslacht spyze moeten verschaffen". Men vond dat men dit smakelijke hapje niet hoefde te versmaden, want met vijftien tot zestien eieren per nest bleef de soort voldoende in stand. Niet alle trekkende eenden brachten hier de winter door, veel eendjes trokken verder naar Frankrijk en Zuid-Europa en deden ons land in het voorjaar weer aan op weg naar hun broedgebied.

Bekijk de mistige beelden van het park en de parende eenden in het filmpje door hier te klikken.



 

 

vrijdag 10 december 2021

Nederlandsche Vogelen

Sinterklaas bracht mij een boekwerk van ruim 5 kilogram. Het betrof de (verkleinde!) hernieuwde uitgave van 'Nederlandsche Vogelen', het allereerste oorspronkelijk Nederlandse boek dat helemaal over vogels gaat. Het boek werd vanaf 1770 gemaakt door uitgever-graveur Sepp en bioloog (en tevens predikant) Nozeman. 

Nederlandsche Vogelen: een kloek vogelboek
(een 'normale' paperback erbij ter vergelijking)

Tot 1829 werden er in totaal 200 vogelsoorten beschreven, voorzien van meer dan 250 handgekleurde kopergravures. Een en ander verscheen in losse onderdelen, die later in vijf delen werden samengebonden. Het was het duurste boek van die tijd: twee generaties uitgevers, vijf auteurs en een flink aantal tekenaars, graveurs en inkleurders werkten er aan mee. Onze Koninklijke Bibliotheek heeft zo'n oorspronkelijke vijfband in haar archief. In 2014 is er een heruitgave gekomen van dat werk in één boek. Als liefhebber van vogels, boeken en geschiedenis overwoog ik destijds dat boek aan te schaffen, maar het formaat en gewicht van die uitgave hielden me toch tegen: ruim 11 kilo en een kleine 50x70 cm maakt het niet tot een boek dat je er even makkelijk bij pakt. Dat er ergens in de afgelopen jaren een 'iets' handzamere versie was verschenen (70% van het oorspronkelijke formaat en iets minder dan de helft van het gewicht) was aan mij voorbij gegaan. Inmiddels was die uitgave uitverkocht, maar tweedehands heeft de Sint er nog een gevonden :). Voor mij ligt dus meer dan 825 pagina's bladerplezier. Ik ben vooral benieuwd welke vogels er destijds in Nederland voorkwamen en wat er al over bekend was. 
Ik besloot eens op te zoeken hoe het zat met twee eendjes die ik die middag tegen was gekomen bij de laatste herfstwandeling van dit jaar. Terwijl de populieren en wilgen hun gouden kleuren tentoonspreidden, dobberden kuifeenden in de Kromme Aar. Krakeendjes zaten er te soezen. Twee soorten waarvan ik de laatste 20 jaar meer en meer individuen zag maar die begin van deze eeuw nog zeldzaam waren. Ik vroeg me af, of deze eendjes al in de 18e eeuw beschreven zijn. Wat me als eerste opviel is dat de vogels toen niet altijd de huidige namen hadden. Gelukkig zit er een index in het boek waarbij je via de nu bekende naam kunt zoeken. 

Kuifeend uit het boek Nederlandsche Vogelen

Wat de kuifeend betreft kwam ik uit bij het toppertje, ook wel kamduiker of rouwbandje genoemd. Ook nu kennen we nog toppereenden, maar die zien er anders uit dan kuifeenden, hoewel ze er veel op lijken. Kuifeendmannetjes zijn geheel zwart met wit, toppers hebben een grijze rug en een groene glans op de kop. Lekker verwarrend dus. Bij elke vogel staat een uitgebreide beschrijving, maar leuker nog zijn de 'aantekeningen', want die zeggen iets over de vogelkennis op dat moment. Bij de kuifeend wordt Linnaeus aangehaald die heeft genoteerd: '' het mannetje verlaat ons, wanneer het wijfje zit te broeden'. De auteurs van het boek voegen hier aan toe: 'Hier uit zou men misschien besluiten mogen, dat er, tegen den aart der eenden, eene éénwijvigheid plaats had in dit ras. Maar, is het niet waarschijnlijker, dat het mannetje, als het wijfje te broeden zit, hetzelve verlaat, om een ander op te zoeken?' 

Prent van een krakeend (man), in de 18e eeuw werden ze anders genoemd

Ook de krakeendjes hadden vroeger een andere naam: ze werden kreest (van: krijsen), roepereend of soms ook gewoon 'krak' genoemd. De roep van deze beestjes is wat schor en krakend, vandaar die laatste naam. Wat ik niet wist, is dat de krakeend vroeger werd gebruikt als lokvogel in de eendenkooi om de wilde eenden in het net te krijgen. Daar dankt hij de naam roepereend aan, en werd om diezelfde reden ook wel baanroeper genoemd. 

Bekijk de beide soorten in het filmpje van deze week, met zoals gezegd, de laatste herfstkleuren tijdens een middag met een sprankje zon. De donkere winter is inmiddels begonnen. Klik hier om het filmpje te bekijken.





vrijdag 3 december 2021

Kleurende beuken: van iele stammen tot woudreuzen

Beukenlaan bij Nunspeet (Gelderland)

Nederland heeft 365.000 hectare bos, waarvan het meeste te vinden is in het oosten van het land. Gelderland is de koploper met bijna 100.000 ha, gevolgd door Noord-Brabant (rond de 75.000 ha). Limburg, Overijssel en Drenthe delen de derde plaats met ieder tussen de 35.000 en 37.000 ha bos. In 'mijn' provincie Zuid-Holland moet ik het doen met ongeveer 10.000 ha (nog niet eens de laagste score trouwens: Zeeland heeft maar ongeveer 4500 ha). Dat is erg jammer voor een bomenliefhebber zoals ik :). Midden november kleurden de beuken erg mooi goudgeel en koperbruin; een rondje door het Zegerslootgebied tijdens een zonnige middag was een mooi uitje om die herfsttinten te bewonderen. Beuken maken ongeveer 5% uit van alle bomen in Nederland. Meer details over de bossen en bomencijfers vind je op de site van Staatsbosbeheer.

Beukenblad

Beukenbossen worden nogal eens beschouwd als soortenarme bossen. Ze zien er vaak monotoon uit, donker, met weinig ondergroei, zoals je ook in het filmpje van deze week kunt zien. Toch blijkt uit onderzoek dat beukenbomen en beukenbossen -zeker de oudere bomen en opstanden met veel (zwaar) dood hout en monumentale bomen- wel veel soorten kunnen herbergen en minstens even soortenrijk kunnen zijn als andere bossen op dezelfde bodem. Een groep onderzoekers (K. Vandekerkhove, M. Vanhellemont, A. Leyman, P. Van de Kerckhove en M. Esprit) heeft dat uitgevogeld. Zij bestudeerden beuken in het Zoniënwoud bij Brussel. Beuken zijn al zo'n 5000 jaar in de Benelux aanwezig en rond het begin van de jaartelling was de beuk een vrij dominante soort in de bossen. Door ingrijpen van de mens veranderde dat: bomen werden gekapt om landbouwgrond te ontginnen of om hakhout te verzamelen. De mens spaarde om die laatste reden eerder de eiken dan de beuken. 

Het Zoniënwoud in 1816
Door: William Mudford, George Cruikshank,
James Rouse, C. C. Hamilton, wikimedia

In het Zoniënwoud golden echter al in de dertiende eeuw strenge voorschriften om overmatige kap te voorkomen. Slechts kleine stukken van 5-10 ha werden eens in de 80-100 jaar gekapt, maar een stuk of 15-20 eiken en beuken op zo'n kapvlakte mochten doorgroeien. In de middeleeuwen werd het woud een jachtreservaat waar kappen verboden was. Vanaf de 19e eeuw werd het bos belangrijk als weekend-uitje voor de rijke Brusselaren. Zij verzetten zich succesvol tegen het kappen van bomen en zo konden zich daar 10.000 beuken ontwikkelen met een doorsnede van meer dan een meter. De grootste beuk in het reservaat heeft een diameter van 159 cm en is meer dan 45 meter hoog. Het Zoniënwoud staat nu op de Unesco werelderfgoedlijst, dus hopelijk wordt er ook in de komende eeuwen goed voor gezorgd. 

Afijn, dit is de korte geschiedenis van het studieobject van bovengenoemde onderzoekers. Zij troffen er een indrukwekkende lijst van meer of minder zeldzame planten en dieren aan: 400 soorten planten, waaronder de zeldzame witte rapunzel en het vogelnestje. Meer dan 1000 paddenstoelen hebben ze er ontdekt, zoals de bloedplaatgordijnzwam en de grote knoflooktaailing. Ook 300 soorten doodhoutkevers (o.a. het vliegend hert) konden aan de lijst worden toegevoegd, evenals vele mossen en korstmossen. Het zijn uiteindelijk de minder in het oog springende soorten die zo'n beukenbos bevolken, waardoor je beter uit je ogen moet kijken eer je de conclusie trekt dat er niks te zien valt :).

Behalve het feit dat het bos lange tijd ongemoeid is gelaten en zich daardoor op een natuurlijke manier kon ontwikkelen zijn er nog andere redenen waarom het bos zoveel soorten en monumentale bomen herbergt. Het klimaat is gunstig: de winters zijn niet streng, er is zelden droogtestress in de zomer en het groeiseizoen is lang. Ook de bodem is zeer geschikt voor beuk. Een dik löss-pakket combineert een goede drainage met een groot waterbergend vermogen. Dat betekent dat deze bodem een grote hoeveelheid water kan vasthouden, zonder dat de zuurstofvoorziening in het gedrang komt. De goede waterbeschikbaarheid in de bodem in combinatie met een gesloten kronendak dat zorgt voor een koel microklimaat, maakt het bos beter bestand tegen droogte en temperatuurextremen in het groeiseizoen. 

Wandelend door het minibosje van het Zegerslootgebied kon ik alleen maar dromen hoe zo'n bos er over honderden jaar uit zou zien als de beuken voldoende ruimte en tijd zouden krijgen om door te groeien. De mooie herfstkleuren waren er niet minder om. Geniet mee in het filmpje door hier te klikken



vrijdag 26 november 2021

Bosrank: de baard van de oude man

De bosrank is jaren geleden per ongeluk in onze tuin beland. Een hovenier had de tuin opnieuw beplant en in een plaats van de bestelde paarse clematis, verschenen er in het voorjaar de crème-witte bloemetjes van de clematis vitalba. 
Illustratie Esser, Peter, 1859- wikimedia

Ik besloot het er maar mee te doen, toen nog niet wetend dat de bosrank een flinke woekeraar is. Ik heb de struik lang geleden gerooid maar er verschijnen nog overal bloeistengels uit de grond. De plant komt van nature voor in ons land langs de grote rivieren en in Zuid-Limburg want ze houdt van kalkrijke grond en een enigszins vochtige standplaats. Maar door aanplanting en verwildering kun je 'm tegenwoordig in grote delen van het land waarnemen. De houtige stengels kunnen polsdik worden en tientallen meters lang. Het is de grootste liaan van de Nederlandse flora. Deels kruipen ze als reuzenslangen over de grond, vaker nog klimmen ze in bomen en hangen soms met een boog van de ene boom naar de andere. De plant is behoorlijk giftig. Toch is het de exclusieve voedselplant van enkele insectensoorten zoals de zeldzame tere zomervlinder en de bruine bosrankspanner. De roodbruine bosrankschorstor maakt gangen in het merg van de stengels en laat daar van zich horen door een snel kloppend geluid. Dat heb ik in mijn tuin nooit opgemerkt!

Ook in het stadpark heeft de bosrank zich genesteld. De pluizige zaden staken mooi af tegen het rode herfstgebladerte toen ik weer eens een 'rondje park' deed. De kleine dopvruchtjes zijn maar 3-4 mm lang, maar ze hebben een gevederde 'staart' (officieel heet dat een geveerde vruchtsnavel) van een centimeter of vier. Die vruchtjes zitten op een kluitje bij elkaar en aangezien de bosrank rijk bloeit zijn de zaadpruikjes ruim aanwezig. In Engeland wordt bosrank ook wel “Old man’s beard” genoemd. Al die stengels met pluisjes, gedrapeerd over een andere boom of struik doen inderdaad denken aan een Sinterklaasbaard :). 

Bosrank wordt in Engeland ook wel 'Old man's beard' (baard van de oude man) genoemd. 

Vogels eten de zaden wel, maar niet van harte. Voedselonderzoek in Roemenië heeft aangetoond dat vogels er, ondanks de grote hoeveelheid beschikbare zaden per plant, maar mondjesmaat van eten. Of dat komt door de giftigheid van de plant, de geringe voedzaamheid van de zaden of het gedoe om het pluis eraf te halen vermeldt het verhaal niet. 
In het filmpje van deze week zie je de 'baard' aan het eind, verder weer veel mooie herfstkleuren en ook de geschubde inktzwammen (waarover ik eerder deze blog schreef) waren weer bovengronds gekomen. 
Klik hier om naar het filmpje te kijken - check altijd even bij het radertje of de resolutie op de hoogste kwaliteit staat (4k). Deze week ook nog een bonusherfstfilmpje van een collega You-Tuber (zie hieronder). 


Onze Nederlandse herfst is kleurrijk, maar in Japan zijn de herfstkleuren van de esdoorns zeer spectaculair. Tomotugu is een Japanse YouTuber van wie ik regelmatig filmpjes bekijk. Geniet mee van de spetterende herfstkleuren aldaar door hier te klikken