zaterdag 27 februari 2021

Kokmeeuwen hebben hun bruine kap al weer op

Kokmeeuwen in zomer-, winter- en overgangskleed
Foto: Richard Crossley, CC BY-SA 3.0, https://commons.wikimedia.org

Kokmeeuwen kun je het hele jaar in Nederland zien, maar misschien valt dat niet iedereen op. Dat komt omdat de bruine kap in de winter verdwijnt en er een vage belijning op het hoofd overblijft die men ook wel vergelijkt met een koptelefoontje. Niet de 'oortjes' die we tegenwoordig dragen met het snoer onder de kin, maar zo eentje met een band over het hoofd. Vanaf februari kun je al meeuwen met een bruine kop zien; die zijn klaar voor het broedseizoen. Ik zag een troepje op het ijs zitten, een deel had nog koptelefoontjes en een paar al de bruine kap. Niko Tinbergen heeft als bekende Nederlands etholoog (=iemand die het gedrag van dieren onderzoekt) de kokmeeuwen bestudeerd om uit de vinden wat de functie van die bruine kap is. Hij ontdekte dat deze een belangrijke rol speelde in het bedreigen van concurrenten. 

Als twee kokmeeuwen ruzie hebben, buigen ze diep voorover, steken de kop met de rode snavel vooruit en tillen de vleugels een beetje op. Ze laten hiermee zien dat ze klaar zijn voor het gevecht. Het viel Tinbergen op dat hij deze houding niet alleen zag als een meeuw in de clinch lag met zijn buren, maar ook als partners elkaar ontmoetten, nadat één van de twee even van de nestplaats was geweest. Hij vermoedde dat dit eerder te maken had met de intuïtieve neiging om iedereen die de kokmeeuw benadert als een bedreiging te zien, want bij partners was dit moment van dreiging maar heel kort. Daarna laten ze met specifiek gedrag zien dat ze het niet zo kwaad menen: de vogels richten zich na het vooroverbuigen plotseling op, maken de nek dik en lang, en draaien met een ruk de kop weg van de partner. Even staan ze zo, en dan zakken ze langzaam terug in een normale houding. Door het wegdraaien van de kop tonen ze niet meer de dreigende donkere kop, maar een neutrale witte nek. Ze hijsen hiermee als het ware de witte vlag: ik geef me over, geen gevaar, geen dreiging meer. Uit de waarnemingen blijkt dat dit gedrag alleen tussen partners plaatsvindt. Naarmate de nestpartners langer bij elkaar zijn, neemt het dreiggedrag trouwens af. Ze zijn dan zo op elkaar ingespeeld dat de dreigreflex blijkbaar niet meer nodig is. 

De kokmeeuwen glibberden flink op het ijs, en waren daarmee de eerste schaatsers van dit winterseizoen. Niet lang daarna viel er een sneeuwbuitje terwijl de zon een gouden licht verspreidde. Dat korte maar felle buitje was sprookjesachtig om te zien. De dikke vlokken bleven liggen op het ijs. Toen de zon wat hoger aan de hemel klom zwierden de eerste echte schaatsers rond; de duttende meerkoeten stoven alle kanten op. Dit was het begin van een weekend schaatsplezier. Bekijk het filmpje door hier te klikken





woensdag 24 februari 2021

Overleven in de kou: van geïsoleerde poten tot een groter hart

Tijdens de flitswinter die precies een week duurde, moesten vogels extra veel moeite doen om in leven te blijven. Voor vogels die hun voedsel in het water vinden, was het kritiek. Kleine vogels zoals ijsvogels redden het dan niet omdat ze weinig reserves hebben. In het park verbleven de eenden en meerkoeten nog in het wakje dat je in de vorige film zag, maar het open water was een stuk kleiner geworden. Ze stonden met hun poten in het ijskoude water en hadden er blijkbaar geen hinder van. Bij mensen vernauwen de bloedvaten zich in delen van het lichaam die sterk afkoelen, bijvoorbeeld vingers en tenen. Op die manier wordt er minder warmte verloren. Het is een overlevingsstrategie van het lichaam: 'beter een teen missen dan helemaal doodgaan' is het idee. 

Het ijswater leek de wilde eenden niet te deren

Vogelpoten zijn beter geïsoleerd dan onze handen en voeten door schubben die keratine bevatten. Bovendien bestaan de poten van onze gevederde vrienden uit pezen, die minder bloedtoevoer nodig hebben dan spieren. Daarnaast hebben vogels een warmtewisselaar in hun lijf, vlak boven de poten. Het bloed dat uit het warme lichaam naar de poten stroomt wordt afgekoeld zodat er minder warmte verloren gaat. Het stroomt daar namelijk langs het koude bloed dat vanuit de poten weer in het lichaam komt. Dat laatste wordt door het uitstromende bloed alvast weer wat opgewarmd voordat het in het vogellijf komt. Iets soortgelijks beschreef ik in een eerdere blog over de ademhaling van vogels. En dan is er nog iets bijzonders te melden: in de winter ligt de terugkerende ader in de kern van de poot, zodat weinig warmte verloren gaat. In de zomer verplaatst deze ader zich echter naar de huid, zodat het bloed juist gemakkelijk overtollige warmte kwijtraakt. Ook weer belangrijk, want vogels kunnen niet zweten en koelen af via poten, snavel en mondholte. 

Ondanks de kou en de sneeuw bungelden de hazelaarkatjes en piepkleine vrouwelijke bloempjes overigens al aan de bomen. Daarover kun je meer lezen in deze blog

Ringmussen zijn te herkennen aan de zwarte wangvlek
Foto: Galina Jacyna - CC BY-SA 3.0, https://commons.wikimedia.org

Tot mijn vreugde hoorde ik op deze winterdag een groepje ringmussen tsjilpen in een boom. Dat het geen huismussen waren zag ik aan de zwarte vlekjes op de wangen, waaraan je zowel de vrouwtjes als  de mannetjes ringmussen herkent. Waar huismussen echt dicht bij mensen leven in een stedelijke omgeving, vind je de ringmus meer in de overgang van stad naar land in een agrarische landschap. Ze voeden zich met zaden en kleine insecten en broeden in holen. Ook de ringmussen wapenen zich tegen de winterkou. Onderzoek naar de stofwisseling en orgaangrootte van deze mooie bruine vogeltjes wees uit dat ringmussen in de winter een grotere lever, hart, spiermaag, dunne darm, endeldarm en spijsverteringskanaal hebben dan in de zomer. Dit beïnvloedt de snelheid van de stofwisseling. Of dat primair is om warm te blijven of dat het ook te maken heeft met een eventueel ander winterdieet kon uit het onderzoek niet worden afgeleid. Een andere onderzoeker keek naar de manier waarop ringmussen de nacht doorbrachten tijdens koude winters. De vogeltjes zoeken dan nestholtes/kastjes op. Ringmussen die een nacht sliepen in een lege nestkast, bespaarden 18% energie vergeleken met de open lucht. Een onafgemaakt nest in de kast bespaarde de vogel al iets meer energie, namelijk 23%. Sliep de ringmus in een nestkast met een compleet (oud) nest, dan verloor hij/zij 36% minder energie. Dat hing vooral samen met de hoeveelheid veertjes die er in zo'n nest zijn verwerkt. Al met al reden om niet alleen mezenkasten op te hangen maar ook aan mussen te denken in de winter.

Bekijk het filmpje door hier te klikken


Dit is de 400ste aflevering van mijn blog! Vind je de blogs leuk om te lezen en ken je mensen die er ook van zouden kunnen genieten, stuur de link dan eens door naar een andere natuurliefhebber. Op de site van mijn blog vind je in de kolom aan de linkerkant trefwoorden van alle onderwerpen waar ik al eens een blog aan gewijd heb, dus daar kun je ook nog eens in neuzen als je recent abonnee of lezer bent geworden. Maar er zijn ook lezers van het eerste uur die nog steeds abonnee zijn. Dank aan jullie voor het trouw lezen en bekijken van mijn blogs!

zaterdag 20 februari 2021

Sneeuw, koperwieken en gewiekste roofvogels

Koperwiek

Al weer twee weken geleden joeg een sneeuwstorm over ons land. We waren op dat moment in Zuid-Limburg waar weinig sneeuw viel en de wind nauwelijks de takken beroerde. Code rood leek daar dan ook wat overdreven, maar maakte reizen naar het noorden onmogelijk. Toen we maandagmiddag terugkeerden naar huis lag in Zuid-Holland een redelijk pak sneeuw en er viel nog een beetje bij. Tijd om verslag te doen van het winterse weer in het park. Tot mijn vreugde zag ik er koperwieken, deze prachtige lijsters met koperkleurige vlekken bij hun vleugels zochten voedsel aan de voet van bomen. Ze komen uit Siberië en brengen bij ons alleen de winter door. Dit was mijn eerste waarneming van dit seizoen. Er scharrelde een groepje van 10-12 vogels rond en ik kreeg ze goed in beeld. Aan het foerageergedrag kun je koperwieken goed onderscheiden. Jac. P. Thijsse heeft dat in 1902 al eens mooi beschreven in het tijdschrift De Levende Natuur: 

"Een lijstertroep is gemakkelijk van een vlucht spreeuwen te onderscheiden, doordat de laatste zich altijd met groote juistheid tegelijk en in dezelfde richting, ja zelfs in hetzelfde vlak bewegen. De lijsters daarentegen blijven wel bij elkaar, maar hebben volstrekt geen eenheid van beweging. Let maar eens op. Een troep koperwieken is bezig in een weiland. Uit de verte kunt ge al zien, dat het koperwieken zijn, niet alleen aan hun grijzen rug en wit met zwart gestippelde buikzijde, maar ook aan de omstandigheid dat ze huppelen en dat de troep over een groote oppervlakte verspreid is. Waar twintig koperwieken ,,grazen", kunnen wel honderd spreeuwen een plaats vinden. Nu komt ge wat al te dichtbij en een der koperwieken meent, dat er gevaar is. Hij steekt zijn kop op, zegt: "sriee" en vliegt dan weg over een stuk of drie van zijn makkers heen. Deze zien omhoog, vinden, dat het ook "sriee" is en ijlen hem na. En dan ontstaat er onder de overigen wat ongerustheid. Sommige kijken op, andere blijven dooreten, af en toe vliegen er een stuk of zes op en dat kan zoo wel meer dan een minuut voortduren. De eerste vluchteling zit al lang ergens in een boom, als de laatste troep pas onderweg gaat en dan mankeert er nog veel aan, dat ze alle dezelfde richting nemen. Het gebeurt heel dikwijls, dat een groot gedeelte in boomen aan de tegenovergestelde zijde van het veld terecht komt. Dan ontstaat er een groote ongerustheid, totdat troep No. 2 zijn vergissing bemerkt en weer heel ordeloos zijn weg naar het gros van 't leger zoekt."

Smelleken
Foto: David St. Louis - Merlin 2, CC BY 2.0, https://commons.wikimedia.org

Koperwieken en andere lijsterachtigen hebben een typische manier van vliegen: ze houden de vleugels eentiende van een seconde tegen hun lijf en maken een korte, golvende vlucht. Florian Bijmold heeft daarbij iets heel opmerkelijks waargenomen. Roofvogels zoals sperwers en smellekens imiteren deze vlucht en vliegen mee met zo'n slordige groep alsof ze lijsters zijn en slaan vervolgens toe om een koperwiek of kramsvogel te pakken. In het tijdschrift De Takkeling beschrijft hij zijn eerste waarneming op dat gebied: 

"Zeer laag over de grond zag ik vanuit mijn ooghoek een smelleken aankomen. De vogel vloog linea recta naar de net opgestegen lijsters. Een paar seconden daarna vloog het smelleken in dezelfde lijn en met ongeveer dezelfde afstand tussen de lijsters mee. Het smelleken maakte dezelfde vleugelslagen als de kramsvogels en de koperwieken. De roofvogel manifesteerde zich als een lijster. Ik had moeite om in die paar seconden voor de uiteindelijke aanval het smelleken te herkennen tussen de bijna even grote lijsters. Het smelleken had zich geïnfiltreerd in de groep en die hadden te laat door dat er een wolf in schaapskleren met hen meevloog. Het smelleken sloeg na een korte versnelling een kramsvogel. De twee vogels ploften samen op de grond. Een schermutseling volgde en het duurde meer dan vijf minuten voordat het smelleken de kramsvogel had gedood.

Later nam hij hetzelfde gedrag bij sperwers waar en ook andere vogelwaarnemers hadden dit specifieke gedrag opgemerkt. Niet alleen imiteerden de sperwers lijstergedrag, maar ze pasten dezelfde truc ook toe bij kieviten, tortels, gaaien en groene spechten. Hoewel ik onlangs een sperwer in het park zag, konden de koperwieken deze dag rustig eten zoeken. Behalve een fietser en een filmer kwam er even niemand op hun pad. Klik hier om het filmpje te bekijken. 



woensdag 17 februari 2021

Boomkruipers, spechten en mensen onderzoeken hout

Het weer is de laatste weken grillig. Toen ik - begin februari - voor deze blog het park in liep, leek het of de lente zowat ging beginnen. Er was weliswaar nachtvorst geweest, maar de vogels hadden duidelijk het voorjaar in hun bol. Toen had ik nog geen een idee dat er een winterweek met strenge vorst ging komen. Ondanks de hinder in het verkeer hebben we daar ook veel lol aan beleefd en heb ik flink wat sneeuwfilmpjes gemaakt. Daarom deze extra editie over begin februari, zodat je zaterdag het eerste sneeuwfilmpje kunt zien. Dat wordt ook raar, want uitgerekend in het weekend wordt het erg warm voor de tijd van het jaar. 

Grote bonte spechten roffelen al vanaf februari

Die dag begin februari zaten grote bonte spechten elkaar achterna in de populieren, een stuk of vijf spechten vlogen van boom naar boom en voor het eerst in dit seizoen klonken om mij heen spechtenroffels. In de hoge bomen was het nog knap lastig om de beestjes in beeld te krijgen; je hoort de roffels wel op een bepaalde plek maar dan zijn de grote bonte spechten toch minder groot dan je zou hopen :). Op een gegeven moment kreeg ik er een in het vizier. Een vrouwtje (zonder rode kopvlek zoals de mannetjes) had een dode tak ontdekt en roffelde er op los. Tussendoor peuterde ze een lekker hapje uit een spleet. Niet alleen de spechten waren druk met het onderzoeken van hout op voedsel en geschikte roffeltakken. Ook boomkruipers waren heel actief en flirterig. Eentje ging vlak voor me op een stam zitten en onderzocht de bemoste plekjes op verscholen insectjes; het roze tongetje flitste snel uit en in de snavel. 

Ook mensen onderzoeken hout; om te kijken of een boom niet ziek is en nog stevig staat of om te beoordelen of een boom al kaprijp is en goede planken zal opleveren. Onlangs las ik over een heel bijzonder onderzoek: aan de hand van DNA kan onderzocht worden waar antieke planken vandaan komen, bijvoorbeeld uit oude gebouwen of scheepswrakken. De regio waar hout van zulke monumenten vandaan komt wordt vanouds in kaart gebracht aan de hand van jaarringonderzoek. Er is een soort database van de ontwikkeling van jaarringen in bomen in bepaalde landen op de verschillende continenten. Voor kleine stukjes hout, bijvoorbeeld in gebruiksvoorwerpen, is die methode minder geschikt omdat de jaarringen daarin moeilijk te onderscheiden zijn. Nu is daar (a)DNA onderzoek bij gekomen (de (a) staat voor ancient = oud). Hierbij wordt gekeken naar de genetische ouders van de bomen.

Sinds de middeleeuwen is hout een belangrijk bouwmateriaal voor de alsmaar groeiende bevolking in Europa. Aanvankelijk bouwde men met hout uit de omgeving, maar als dat op raakte haalde men dat hout uit andere streken. Drijvend in rivieren of per boot werden de stammen aangevoerd, zelfs van andere continenten. Eikenhout was daarbij het meest populair. Onderzoekers hebben met de (a)DNA-methode eens uitgezocht waar hout voor bepaalde oude gebouwen vandaan kwamen: een 17e eeuws houten huis in Denemarken (plaatjes A en B in onderstaand figuur), een 650 jaar oude kerkdeur uit Riga (Letland) (plaatje C) en een 700 jaar oud scheepswrak dat in de Oostzee voor de kust van Noord-Duitsland is gevonden (plaatje D). Op onderstaand plaatje kun je zien waar het hout vermoedelijk vandaan kwam. Het gele blokje is de plek van het houten monument, de groene cirkels geven aan waar het hout vandaan komt en de driehoekjes zijn de genetische voorouders. 

Zo zijn we weer een stapje verder in het ontrafelen van raadsels. Binnenkort gaan de spechten weer op onderzoek uit: nu om een geschikte boom te vinden voor het uithakken van een nest. Dat doen ze ieder jaar opnieuw. Meneer specht hakt het uit en daar heeft-ie drie weken voor nodig. Spechten hebben overigens ook een slaaphol. Wie denkt dat de vogels daar lekker knus op een hoopje gaan liggen heeft het mis: de specht slaapt hangend aan de wand onder het vlieggat. In de winter slaapt de specht meer dan in de zomer, want hij gaat op een vaste tijd voor zonsondergang naar 'bed'. 
Bekijk de lentebodes in de film door hier te klikken




zaterdag 13 februari 2021

Pimpelmeesvrouwtjes doen het ook met de buurman

Op milde dagen zie en hoor je de eerste lentesignalen, al is de winter nog lang niet voorbij. Het zwanenkoppel waarvan je vorig jaar de broedactiviteiten hebt kunnen zien in mijn filmpjes heeft zijn post al weer ingenomen om het broedterritorium veilig te stellen voor de lente. In het park hoorde ik overal zingende pimpelmezen, wiens geluid wel wordt vergeleken met een zilveren belletje. 

Pimpelmees

Twee van die mooie geel/blauwe vogeltjes zaten tegen elkaar op te zingen in verspreid staande lindenbomen. Ook daar was duidelijk sprake van het afbakenen van territoria. En natuurlijk hopen de beide mannetjes ook een vrouwtje aan te trekken en zo hun genen door te geven aan de volgende generatie. Helaas kunnen ze er niet van uit gaan dat uit alle eieren in hun nest daadwerkelijk hun eigen nakomelingen te voorschijnkomen. Vrouwtjespimpelmezen gaan namelijk regelmatig vreemd. Al tientallen jaren was dit fenomeen bekend, maar door DNA fingerprinting kunnen tegenwoordig de ouderschapsrelaties van de vogels haarfijn worden uitgezocht. Alle dieren - dus ook pimpelmezen - willen hun voortplantingssucces zo groot mogelijk maken. Dat levert conflicterende belangen op. Elk paartje wil het beste territorium met genoeg voedsel, de beste nestplaats en zoveel mogelijk nakomelingen van een fitte partner. Naast concurrentie met rivalen heeft dit ook gevolgen voor de strategie van mannetjes en vrouwtjes. Om zoveel mogelijk nakomelingen te verwekken kan een mannetje er meerdere partners op na houden, met de buurvrouw paren in de hoop dat een paar van haar eieren zijn genen bevatten en hij moet zijn partner goed bewaken om te voorkomen dat zij met andere mannetjes paart. Het vrouwtje lijkt hierbij een passieve(re) rol te hebben; men ging er altijd van uit dat ze zich de paringen met de 'buurman' liet welgevallen. Maar uit onderzoek blijkt dat ze in sommige gevallen actief op zoek gaat naar een fitte buurman om mee te paren. De kwaliteit van het beperkte aantal eieren dat ze legt is voor haar van belang. Ze wacht daarbij niet af of een buurman toevallig langskomt maar gaat er zelf op uit om met een aantrekkelijke partner te paren als haar eigen partner de bewaking even laat verslappen. Sommige mannetjes zijn daarbij populairder dan andere. Wat het ene mannetje aantrekkelijker maakt dan andere? 

Illustratie: Jos Zwarts, CC BY-SA 4.0,wikimedia

Hun blauwe kopveertjes! In tegenstelling tot mensen, kunnen pimpelmezen ultraviolet licht waarnemen. De blauwe kruinveertjes van pimpelmannetjes reflecteren veel UV licht. Hoe hoger de reflectie, hoe aantrekkelijker de pimpelman wordt voor de vrouwtjes pimpelmees. Onderzoekers hebben dat vastgesteld door het blauwe 'petje' van pimpelmeesmannen in te smeren met UV-blokkerende zonnebrandcrème. De mannetjes die deze behandeling kregen raakten helemaal uit de gratie bij de vrouwtjes. Ik hoop dus maar dat het pimpelmeesje in de film een goede (UV)uitstraling heeft voor de pimpelmeesdames....  

Klik hier om het filmpje te bekijken.



zaterdag 6 februari 2021

Brandganzen en klimaatverandering

Baltsende brilduiker

Elk jaar wandelen we in de tweede helft van januari een rondje om de Reeuwijkse Plassen. Deze keer op een maandag, zo vroeg mogelijk, om andere wandelaars te ontlopen. Dat laatste lukte niet helemaal, maar het was minder druk dan het op een zondag zou zijn geweest. De Reeuwijkse Plassen zijn vooral in de winter een pleisterplaats voor duizenden watervogels. Zeker als omliggende sloten zijn bevroren kunnen zich hier enorme aantallen vogels ophouden. Zo ook deze dag: enorme aantallen smienten, flink wat knobbelzwanen, een stuk of wat brilduikers (waarvan er eentje zijn mooie baltsgedrag liet zien) en meer ganzen dan we ooit eerder op de Plassen hadden waargenomen. Niet alleen op het water, maar ook op de naastgelegen weilanden zagen we grauwe ganzen, kolganzen (met een witte verenrand bij de snavel) en de prachtige zwart/wit/grijze brandganzen. Die elegante soort is mijn favoriet onder de ganzen. In de winter zijn brandganzen in grote aantallen (rond de 800.000) in Nederland te vinden, we zien ze vaak op Texel en in Zeeland. Een kleine groep van ongeveer 20.000 broedt in ons land, maar de meeste overwinteraars vertrekken naar broedgebieden rond de Barentszzee als de sneeuw daar gesmolten is. 

Illustratie Jos Zwarts CC BY-SA 4.0, wikimedia

Daarmee krijgen ze echter te maken met een probleem: klimaatverandering gaat drie keer sneller in het hoge noorden vergeleken met de rest van de wereld. Het voorjaar begint er steeds eerder, en daardoor kunnen trekvogels uit het zuiden te laat aankomen op de toendra. Ze missen dan de voedselpiek: de meeste insecten of de beste kwaliteit gras, belangrijk voor hun kuikens om snel te kunnen opgroeien. De Nederlandse onderzoeker Thomas Lameris is gepromoveerd op dit onderwerp en deed veel studie naar de brandganzen. In feite moeten de vogels eerder vertrekken uit hun overwinteringsgebieden om een succesvol broedseizoen te hebben. Maar hoe moeten ze weten wanneer ze kunnen vertrekken; ze hebben geen weerapp om te zien of er nog sneeuw ligt in het broedgebied. En ze kunnen ook weer niet te vroeg vertrekken, want voor de lange vlucht naar Siberië moeten ze voldoende opgevet zijn. Uit het onderzoek van Thomas blijkt dat de brandganzen vanaf een bepaald vast moment gaan opvetten. Dat moment wordt bepaald door de daglengte; en die verandert niet mee met het klimaat....

Op een gegeven moment vertrekken de opgevette ganzen richting Duitsland en volgen de kust van Denemarken, Zuid Zweden en vliegen om Finland heen naar de Barendszzee. Op hun trek belanden ze telkens in een gebied waar op dat moment het jonge gras in goede conditie is. Althans, dat was vroeger zo. Nu merken de ganzen steeds vaker dat het beste gras al weer weg is. Op zo'n moment blijven ze korter in de rustgebieden onderweg en vliegen sneller door naar het noorden. Gek genoeg gaan ze daar dan niet meteen broeden, maar zorgen ze eerst dat hun lichaamsconditie weer optimaal wordt door flink te grazen: inhalen wat ze onderweg hebben gemist. Dus een vroeg voorjaar leidt tot minder broedsucces omdat het beste voedsel op is voor de kuikens komen. 

Van brandganzen die in de jaren 90 in Nederland zijn gaan broeden weten we dat ze dat in de loop van die dertig jaar 2 maanden vroeger zijn gaan doen. Daarmee lopen ze echter nog steeds achter de feiten (lees het beste gras) aan. 

Bekijk de vele watervogels in het filmpje door hier te klikken.



zaterdag 30 januari 2021

Berijpte sneeuwbessen

Onze winter laat meer grauwe dagen zien dan winters weer met vorst. Soms is het even een paar uurtjes winter, zoals op 9 januari, toen het park er na een nachtvorst wit bepoederd uitzag. De jonge reiger stond kou te lijden en planten en bomen vertoonden mooie randjes met rijp. Ook de sneeuwbessen zagen er door de ijskristallen mooier uit. 

Sneeuwbessen met een laagje rijp

Sneeuwbessenstruiken heb je vast wel eens gezien, maar misschien niet heel bewust. De soort wordt namelijk vaak aangeplant in plantsoenen omdat deze bodembedekker onkruid onderdrukt en weinig onderhoud vergt. Sneeuwbessen, met hun witte of roze bessen, behoren tot de kamperfoeliefamilie en komen oorspronkelijk uit Noord- en Midden-Amerika. Daar groeien zo'n vijftien verschillende soorten, in heel verschillende landschappen. In het noorden van Canada en Alaska trotseren ze de kou, op de prairies zon en droogte. Maar ze groeien ook in de Rocky Mountains en de subtropen van Texas en Mexico. De soorten die wij hier in Nederland aanplanten zijn geschikt voor veel verschillende grondsoorten, kunnen goed tegen droogte en luchtvervuiling en verdragen schaduw en drupwater van bomen. Keerzijde is dat de sneeuwbes door ondergrondse uitlopers flink kan woekeren. De ronde, iets puntige blaadjes en dunne twijgen geven de plant snel een rommelige aanblik, soms worden ze daarom ook wel in blokvorm gesnoeid. De bloemetjes van de sneeuwbes bloeien tot in september en zijn dan een welkome nectarbron voor insecten. 

Bloeiende sneeuwbes
In de winter vormen de bessen voedsel voor vogels. Wij mensen kunnen de bessen beter links laten liggen want ze zijn licht giftig. De sneeuwbes wordt in het Nederlands ook wel klapbes genoemd. Als je ze kapot trapt knallen de besjes. Misschien heb je ze vroeger ook wel eens gebruikt om ze weg te schieten in een blaaspijp (een stukje elektriciteitsbuis). De in ons land gebruikte variëteiten zijn meestal cultivars (gekweekte kruisingen). De directeur van de Haagse plantsoenendienst maakte in 1935 kruisingen om helder roze besjes te krijgen. Zulke roze besjes zag ik op die berijpte ochtend in het park. Nog steeds wordt er flink gekweekt met deze soort. Let er maar eens op als je langs plantsoenen loopt, want toen ik er aandacht aan ging besteden zag ik ze op veel plaatsen. In het park steeg de zon en de temperaturen kwamen al gauw weer boven het vriespunt. De rijp regende nu uit de bomen. Dat leverde sfeervolle plaatjes op. Klik hier om het filmpje te bekijken.  



zaterdag 23 januari 2021

Verliefde eksters

Ik maakte een rondje langs de polders en het park op de laatste dag van 2020. In Alphen was net een flat opgeblazen met een vuurwerkbom, daarom cirkelde er een politiehelikopter door de lucht, achter een biddend valkje langs. In de polder zag ik na lange tijd de zwanenfamilie nog eens. Zo te zien was het stel nog compleet en de zeven jongen hadden nu een wit verenpak met de laatste grijze veren uit hun eerste maanden. Mussen tsjilpten uitbundig en spreeuwen genoten al zingend van de zon. Een eksterpaartje verstevigde hun band door gezellig naast elkaar in de boom te zitten en een beetje te 'babbelen', af en toe een beetje opgeschrikt door een knalletje van illegaal vuurwerk in de verte. 

Ekster met ei
Bron: Cornelius Nozeman
De Verdieping: Verleden van Nederland, 
wikimedia

Eksters blijven vaak een aantal jaren bij elkaar en bezetten jaarrond een territorium, waar ze voedsel zoeken en broeden. In een eikenboom in het park zie ik al jaren een eksternest. Een paartje herken je aan het feit dat ze geen agressief gedrag naar elkaar vertonen en aan specifieke begroetingsrituelen: de man doet de vleugels omlaag en/of de staart omhoog, soms met 'pluizige' veren waardoor het witte deel meer opvalt. Soms antwoorden de vrouwtjes hierop door te bedelen, dat doen ze zoals in je in de tekening ziet.

Bedelende ekstervrouw (rechts)
Bron: Baeyens, G. (1979)

Eksters die een paarband hebben, vechten niet onderling om voedsel en delen grotere prooien, zoals een muis, pad of ei, met elkaar. Verder willen mannetjes dat vrouwtjes hun veren gladstrijken. De man benadert daarvoor het vrouwtje, zijn veren pluizig uitgezet en met zijn hoofd omlaag. Voor en na zo'n poetssessie zitten de vogels samen te rusten, maken lichamelijk contact en uiten een zacht gebabbel. Ik zag dat de eksters elkaar naderden en samen gingen zitten babbelen, maar aan poetsen kwamen ze niet toe in het drukke park met veel wandelaars. Misschien zie ik dat een volgende keer. Binnenkort zullen ze met z'n tweeën het nest gaan repareren; een eksternest herken je aan het 'dakje' dat er boven zit. Een heel nieuw nest bouwen kost zo'n veertig dagen inspanning van beide seksen. De bodem van het nest is gemaakt met een laagje klei en daarop zit een nestkom van fijn gevlochten plantenwortels. Het dakje beschermt de jongen tegen kraaien en roofvogels. De relatief kleine eieren zijn iets meer dan 3 cm lang en variabel van kleur en patroon: vaak lichtblauwgroen met olijfbruine of grijze spikkels en vlekken. Bekijk de eksters en andere vogels in het filmpje door hier te klikken



zaterdag 16 januari 2021

Knusse staartmeesjes

Staartmees
Tekening: Jos Zwarts, wikimedia
Op een zonnig moment tussen de eindeloze regenbuien door waren er allerlei kleine vogels in het stadsparkje te ontdekken. De kale bomen staken af tegen een dreigende lucht en al snel hoorde ik het levendige gepiep van een kluitje staartmezen. Deze pluizige bolletjes in de kleuren zwart, wit en roze, met een kenmerkende lange staart, zitten zelden lang op één plek. Toch lukte het om er eentje op de film te krijgen. Staartmeesjes leven van insectjes die ze verzamelen op bomen, ze halen daarbij acrobatische toeren uit en balanceren aan de smalste twijgjes. In deze tijd van het jaar, als er weinig insectenvoedsel is, kun je ze ook in je tuin zien, want ze lusten dan graag zaden van de voederplank of vetbollen. Ze zoeken hun eten in familiegroepjes en met hun hoge piepjes houden ze contact met elkaar. Als er eentje naar een volgende boom vertrekt dan weet je dat de andere meesjes één voor één zullen volgen. En als een broer of zus nog niet uitgegeten is, wachten ze allemaal op de achterblijver. Vogelringers merkten op dat als ze één staartmees van de familie vingen om te ringen, dat de anderen in de buurt bleven om op de geringde vogel te wachten. Staartmezen zijn trouwens geen familie van de koolmees en pimpelmees maar vormen een aparte vogelfamilie. Verderop in het park hoorde ik nog hoger gepiep en daar was een groepje goudhaantjes voedsel aan het zoeken. Deze vogeltjes zijn nog kleiner en nog beweeglijker dan de staartmezen. Een half uur filmen leverde een paar bruikbare shotjes op. Waar staartmezen iets meer dan 8 gram wegen, tonen de goudhaantjes niet meer dan 4 tot 7 gram op de weegschaal. 


Goudhaantje
Tekening: Jos Zwarts, wikimedia

In de winter hebben alle vogels moeite om hun lichaamstemperatuur op 41 graden te houden, en dat geldt eens te meer voor kleine vogels. Om dan te overleven moeten ze de hele dag eten. De goudhaan moet per dag 2-4 gram eten, ongeveer de helft van het lichaamsgewicht, de staartmezen peuzelen één derde van hun lichaamsgewicht bij elkaar. 's Nachts gaan de staartmezen en goudhaantjes in de spaarstand: ze laten hun lichaamstemperatuur 5 graden zakken, zetten hun veren bol en slapen knus bij elkaar op een beschutte plek. Soms zoeken de twee vogelsoorten daarbij elkaars gezelschap op. Samen sterk denken deze lichtgewichten blijkbaar. Daarbij worden ze soms vergezeld door nog meer klein grut: boomkruipers (die ik ook in beeld kreeg bij het filmen), boomklevers en winterkoningen. De staartmezen zitten vaak zo dicht bij elkaar dat het één grote bol lijkt, waaruit alleen de staarten steken. Niet alleen overleven in de kou vergt veel energie. Straks, als de lente weer aanbreekt, verliest een winterkoning met de hele dag zingen een kwart van zijn gewicht. Maar voorlopig moeten ze nog even de winter doorkomen.....

Klik hier om het filmpje te bekijken. 



zaterdag 9 januari 2021

Kuifeenden laten zich de kaas van het brood eten

Kuifeenden kunnen overdag soezen omdat ze noodgedwongen 's nachts eten

De titel van deze blog moet natuurlijk niet te letterlijk worden genomen, maar feit is dat kuifeenden 's nachts zijn gaan eten omdat andere vogels hun voedsel stelen. Dat wordt kleptoparasitisme genoemd. De markante zwart/witte mannetjes en de mokkabruin/zwarte vrouwtjes van de kuifeenden zien we vooral in de winter. Dan verblijven er meer dan 200.000 kuifeenden in ons land. Ongeveer 10% hiervan broedt hier, vooral in het westen en noorden van Nederland. Op welke momenten vogels foerageren (eten zoeken) is vaak afhankelijk van de omstandigheden, bijvoorbeeld op welke tijdstippen zich prooien aandienen of de getijden. Kuifeenden eten voornamelijk driehoeksmosseltjes (zoetwaterschelpen); eten dat dag en nacht beschikbaar is. Toch viel het onderzoekers op dat kuifeenden vooral 's nachts eten, terwijl ze niet echt goed 'nachtzicht' hebben. 


Driehoeksmossel
Bron: wikimedia

Met behulp van radarwaarneming zagen ze dat de eendjes een half uur na zonsondergang de rustgebieden verlieten om ver uit de kust te gaan foerageren en pas tegen zonsopkomst weer terugkwamen op hun stek. Ook de toppereend en de tafeleend eten voornamelijk 's nachts, terwijl een andere duikeend, de brilduiker, juist weer overdag zijn kostje bij elkaar scharrelt. De onderzoekers besloten eens in deze kwestie 'te duiken' en ze sloegen aan het observeren en tellen. Driehoeksmossels worden aan de bodem opgedoken maar pas doorgeslikt als het eendje weer op het water dobbert. Dat is het moment dat de dieven toeslaan. Maar eerst kijken we eens hoe vaak de duikeenden en meerkoeten succesvol zijn bij het opdiepen van voedsel. De overdag foeragerende brilduikers kwamen het vaakst van de drie onderzochte soorten boven water zonder prooi: bij 95% van de pogingen hadden ze geen eten in hun snavel. 189 keer hadden ze een prooi, maar die werd in ruim 60% van de gevallen (118 keer) afgepakt door kokmeeuwen, stormmeeuwen en meerkoeten. De 's nachts foeragerende kuifeenden brachten in 54% van hun duiken mossels mee naar boven. Hiervan werd één derde gestolen, vooral door meerkoeten. Daarnaast lieten de eenden in ongeveer 7% van de situaties hun prooien vallen als ze achterna gezeten werden door meerkoeten. Meerkoeten waren vrij succesvol en brachten in 86% van de gevallen eten mee naar boven. 11% van de door de meerkoeten opgedoken mossels werd gestolen, meestal door meeuwen maar ook door collega-meerkoeten. Eén keer pikte een kuifeend de mosseltjes af van de koet. Maar per saldo was het dus andersom. Uit het onderzoek bleek dat maar liefst 30% van alle meerkoetenvoedsel was gestolen! 

In het filmpje van deze week zie je de kuifeenden rustig dobberen, ik weet nu hoe het komt dat ik ze nooit duikend in beeld krijg. En die door het beeld zwemmende meerkoet bekijk ik nu ook met andere ogen :). Klik hier om het filmpje te bekijken.