Voor ons huis was een meerkoet 'n tweede nest aan het bouwen: bladeren werden vervlochten met rietstengels op een groot platform. Als stampend maakte de vogel er een kuiltje in. Het eerdere broedsel had blijkbaar één kuiken opgeleverd, daar zwom de andere ouder mee rond. De waterhoentjes hadden maar liefst vier jongen te voeden. De kleintjes dribbelden bedelend over de bladeren van de gele plomp. Ook de waterlelie stond op het punt om te gaan bloeien, daarop streek een juffer neer om even op te warmen in de zon. Het lijkt zo gewoon, maar om als plant in het water te groeien zijn bijzondere aanpassingen nodig. Planten op het land nemen mineralen en water op door middel van hun wortels. Huidmondjes aan de onderkant van de bladeren zorgen voor de uitwisseling van gassen (kooldioxide en zuurstof) uit de lucht. Onder water ligt dat allemaal wat ingewikkelder, want in het water zijn er minder gassen beschikbaar. Planten zoals de gele plomp en de waterlelie hebben daarom flinke luchtkanalen in hun stengels. De waterlelie heeft vier grote luchtkanalen, de gele plomp heeft een groot aantal kleinere. Je zou kunnen zeggen dat ze een soort ‘snorkel’ hebben om hun wortelstokken van voldoende zuurstof te voorzien. Aan het uiteinde van die snorkel zitten de bladeren.
Waterhoenjong op het blad van gele plomp
Door luchtblaasjes blijven die drijven op het wateroppervlak. Anders dan bij de landplanten zitten de huidmondjes bij deze bladeren aan de bovenkant, zodat ze niet verstopt raken met water. Om die reden hebben de meeste drijfbladeren ook een glanzend waslaagje: als er water op komt, glijdt het er snel weer vanaf. Het waslaagje helpt ook om de sterkere zonnestraling op het water te weerstaan. De stengels van waterplanten zijn slap. Zo kunnen ze zich aanpassen aan wisselingen in het waterpeil en blijven de bladeren netjes drijven. Aan de gele plomp komen na verloop van tijd mooie groene zaaddozen. Ze vergaan langzaam waarna de zaden ergens op de bodem van de sloot een nieuwe plant vormen. Bij de waterlelie verdwijnt de bloem na de bloei onder water, en vormt daar een zaaddoos. Daar zien we in het algemeen weinig van. Als ze nog niet bloeien kun je aan de vorm van de bladeren zien om welke plant het gaat: de waterleliebladeren zijn ronder en die van de gele plomp ovaler.
Bekijk de planten en het jonge grut in het filmpje door hier te klikken.
Nu de voorjaarsdrukte in de natuur voorbij is, ga ik de frequentie van mijn blogs weer terugbrengen naar één keer per week. Dus mijn volgende blog kun je volgende week zaterdag lezen.
Soms ga ik op pad met mijn camera en lijkt er ogenschijnlijk weinig te gebeuren in de natuur. Dan denk ik: vandaag kom ik met lege handen thuis. Maar dat gebeurt eigenlijk nooit. Ook deze ochtend had ik geluk. In het achterste, wat 'wildere' deel van het park hoorde ik gepiep opklinken uit vogelkeeltjes. Ik tuurde tussen de bladeren door en zag op een tak drie jonge winterkoninkjes die zaten te bedelen om voedsel. De inderhaast opgestelde camera registreerde het niet helemaal scherp door de drukke voorgrond, maar ik heb het shot toch maar in de film opgenomen. Het was mijn eerste waarneming van winterkoningkleintjes. Twee verdwenen snel in de ondergroei, maar de grootste durfal bleef nog even zitten terwijl er achter mij gefietst en gewandeld werd (met hond en al). Dat vogeltje kreeg ik wel scherp in beeld. De winterkoning heeft veel familieleden in de subtropische delen van Amerika, die bekend zijn om hun prachtige zang. Dat onze winterkoning er ook heel wat van kan, heb je in een eerder filmpje uit het park gezien. Hij produceert een groot volume, voor een vogel die het gewicht van twee A4-tjes heeft. Ik had meerdere winterkoningen in het park gehoord en minstens één heeft er dus een nestje gebouwd en nakomelingen voortgebracht. Dat betekent dat er meerdere nestjes in het park te vinden zijn, want een winterkoning neemt geen genoegen met één nest. Mannetjes en vrouwtjes bouwen meerdere nesten, niet alleen dat ene, waarin ze uiteindelijk hun eieren zullen leggen. De nesten, die niet voor het grootbrengen van de jongen dienen, worden speelnesten genoemd. Ze zijn niet zo goed en zorgvuldig bekleed als het 'echte' nest.
Foto: Sonja Kübelbeck,
CC BY-SA 3.0, wikimedia
Een winterkoningnest is in verhouding tot zijn bewoners verwonderlijk groot. Het is kogelrond met een ingang opzij, meer een hol dus. Het is gemaakt van mos en bladeren en is daardoor heel moeilijk te ontdekken in een natuurlijke omgeving. Het is een ingenieus weefsel van takjes en dorre blaadjes, mossen en korstmossen. Die bestanddelen zijn daarbij zo kunstig en stevig samengevoegd, dat het er uitziet alsof ze aan elkaar zitten vastgelijmd. De vederlichte vogeltjes moeten ontelbare keren wegvliegen en met een halmpje of blaadje in de snavel weer terugkomen om dit kunstwerkje te voltooien. Een winterkoningnest kun je zowel in boomkruinen vinden als ergens beneden op de grond, maar ook in holen in de grond, in gaten in bomen of muren, in rotsspleten, onder daken van huizen, in struikgewas of in hagen en houtstapels. En de broednesten zijn daarbij van binnen ook nog heel mooi en zacht met witte veertjes bekleed! Jonkies keren nog lange tijd naar zo'n nest terug om er te slapen of te schuilen bij slecht weer, tot ver in de winter. In heel koude winters gaan de ouders er ook nog schuilen. Toch heb ik de kleine winterkoninkjes er niet meer gezien in de buurt. Ik heb dus gewoon geluk gehad en volop genoten van die paar ogenblikken dat ik ze kon bekijken. Inmiddels was de zon hoger geklommen, ze scheen prachtig door de bladeren. Op open plekjes zoemden insecten op de bloemen van braam en kornoelje. Hommels hadden de stuifmeelkorfjes op hun schenen behoorlijk gevuld en torsten heel wat extra gewicht mee. Dat kan oplopen tot één derde van hun lichaamsgewicht. Bekijk het allemaal in het filmpje van deze week door hier te klikken.
Een beetje cryptische titel deze keer om de komst van de jonge zwaantjes aan te kondigen. Als kind werd je vast wel eens het verhaal van het lelijke jonge eendje voorgelezen, geschreven door Hans Christian Andersen. Uit een vreemd ei in een eendennest wordt een grijs eendje geboren dat er anders uitziet dan de rest. Het beestje wordt hiermee flink geplaagd en buitengesloten. Aan het eind van de zomer besluit het eendje alleen verder te gaan en na de winter ziet hij prachtige witte zwanen. Bang dat hij weer uitgescholden zal worden, buigt het eendje zijn kop en ziet in het water dat hij er net zo prachtig uitziet als de grote witte vogels. Het lelijke eendje is uitgegroeid tot één van de sierlijkste dieren. Helaas komt de achterliggende moraal nog maar al te vaak voor in onze maatschappij. Maar wat heeft dit nu met Polen te maken, zul je denken? Nou, in Polen werden zwanen gekweekt voor hun dons. Die zwaantjes zijn wit bij de geboorte en blijven wit. 'Onze' gewone knobbelzwaan krijgt grijze jonkies, die vervolgens naar bruin verkleuren en tenslotte hun witte verenkleed krijgen. Beide kleurvormen zijn bij de verwildering vermengd geraakt, waardoor je in één nest soms verschillende kleuren zwaantjes kunt zien. Lekker multiculti! De witte Poolse zwanen hebben roze poten, onze knobbelzwanen hebben een zwart/grijs onderstel.
Bekijk de witte en grijze zwaantjes uit het nest aan de rand van de polder door hier te klikken. Ze verblijven veilig onder moeders vleugels.
Daklis
Afbeelding: Johann Georg Sturm
(Painter: Jacob Sturm)
wikimedia
Tegen de tijd dat de vogelzang begint te verstommen omdat de vogels in alle stilte hun nageslacht groot brengen, komen meer en meer planten in bloei. Dan verleg ik de focus van het vliegende naar het stilstaande spul. Voor de waarnemer is het feitelijk andersom: om vogels te spotten kun je het beste stilstaan, maar om verschillende planten te zien moet je lopen :). De gele lissen langs de waterkant stonden in bloei, altijd een momentje om te genieten van de schoonheid van deze zwavelgele bloem. De lissenfamilie is groot (tussen de 1500 en 2000 soorten wereldwijd), maar alleen de gele lis komt van oorsprong in ons land voor. Toch ben je waarschijnlijk wel bekend met de exotische familieleden van de gele lis: de krokus, de iris, gladiolen, de vroeger veel verkochte snijbloem freesia en als je tuiniert ken je wellicht de crocosmia/montbretia. Een aparte iris die vroeger in verwilderde vorm op Limburgse daken groeide is de daklis. Ik had er nog nooit van gehoord, dus daar heb ik een plaatje van wikimedia bij gezocht.
De leden van deze plantenfamilie overwinteren met behulp van een knol of wortelstok die in het voorjaar weer uitloopt. De bloem van zo'n gele lis zit nogal ingewikkeld in elkaar. De drie buitenste gele bladeren (kroonbladeren) zijn behoorlijk groot en zijn voorzien van een bruingekleurd honingmerk. Dat is een soort gemarkeerde landingsbaan voor de insecten die ze wijst waar de nectar te vinden is. Die is bij de gele lis diep weggestopt in de plant; alleen insecten met een zuigsnuit van meer dan een centimeter kunnen erbij, meestal hommels. Veel planten maken gebruik van ultraviolet licht om het honingmerk extra te accentueren, maar dat kunnen wij mensen niet zien.
De drie binnenste kroonbladeren staan omhoog en zijn smaller. De bloem is afhankelijk van kruisbestuiving. Om te zorgen dat dat gebeurt kent de bloem een mannelijke en vrouwelijke fase. In de eerste fase zijn de doorgangen in de bloem vrij breed: de hommels en andere bestuivers kunnen bij de nectar en nemen stuifmeel mee zonder daarbij de stempel (het vrouwelijke deel van de bloem) aan te raken. In de tweede fase vernauwt de buis zich. Hommels met stuifmeel van andere bloemen wurmen zich door de smalle buis en laten daarbij wel stuifmeel achter op de kleverige stempel. Snel daarna verwelken de bloemen en vormen zich glanzende groene zaaddozen die veel met kurk omlijste zaden dragen. Als de doos openbarst drijven de zaden weg naar een nieuwe plek om te kiemen. Als het kurkdeel vergaan is, zakken ze naar de bodem. Bekijk de gele lis, te samen met de broedende zwaan, opgroeiende meerkoeten en andere bloemen in het filmpje door hier te klikken. Aan het einde zie je trouwens nog parende bloesemboktorren, die vaak op hondsrozen zitten.
De een houdt van een strakke grasmat; een golfveld of een biljartlaken zonder 'onkruid'. De ander ziet graag wat bloemetjes tussen het gras, met zoemende bijtjes, hommels en zweefvliegen. Het zal je niet verbazen dat ik tot die laatste categorie behoor :). En dan heb ik het nog maar over een tuintje van het formaat postzegel. De gouden regel is: variatie in beplanting leidt tot de komst van meer insecten en die leiden tot vogels die hun maag kunnen vullen met zaden of insecten (of beide). In de praktijk zijn grote delen van ons land in gebruik voor voedselproductie: direct, bijvoorbeeld een graanakker voor het maken van broodmeel of indirect een weiland waar koeien grazen, waarvan we de melk of het vlees consumeren. Boeren moeten dat zo efficiënt mogelijk doen, omdat ze vaak matig betaald worden voor hun producten. Dus worden de weilanden beplant met eiwitrijk raaigras dat flink bemest wordt zodat het snel groeit en dichte zoden vormt waardoor andere planten geen kans meer krijgen om te groeien. Het grondleven verandert ook: in zo'n groene woestijn zitten minder en kleinere ongewervelden in de bodem dan in gevarieerd bloemrijk grasland. In plaats van grote sprinkhanen, rupsen en kevers vind je tussen het raaigras kleine bladluizen en vliegjes.Vogels moeten dus harder werken om aan dezelfde portie eten te komen. Er zitten ook nog wel regenwormen in de grond, maar daar kunnen ze pas bij als er gemaaid is.
Fazanthen met kuikens
En de kleine snaveltjes van pasgeboren jongen reiken niet diep genoeg om daar überhaupt bij te kunnen. Door de snelle groei van het bemeste raaigras wordt er eerder gemaaid, waardoor de jonge vogels vaak nog niet kunnen vliegen als de machines langskomen, met alle gevolgen van dien. Kunnen we dit de boeren kwalijk nemen? In principe niet, als wij liever goedkoop eten, dan moeten ze wel kiezen voor efficiëntie op de vierkante meter. Gelukkig zijn er ook boeren die op een andere manier werken en wat meer geld voor hun producten vragen. Voor akkervogels maakt dat veel verschil. Hoe meer plantensoorten het grasland telt, hoe meer microstructuur er is door al die variaties in bladeren en stengels. Wat voor ons microstructuur is, is voor kleine dieren macrostructuur! Vergelijk het met een mens die door een woestijn of een bos loopt. Die structuurvariatie biedt op elk moment keuze tussen koele of juist warme plekjes, droge of juist vochtige, donkere of lichte enzovoort. Klein reliëf zorgt ook voor goede verstopplekjes, zelfs voor de meest opvallend gekleurde vogels zoals de zwart/witte scholekster. Meer soorten betekent ook meer waard- of nectarplanten voor meer soorten ongewervelden. Voor die plekjes zijn vogels meer en meer aangewezen op natuurgebieden. We namen onlangs een kijkje in de Bovenlanden bij Nieuwkoop waar dat soort bloemenweiden naast het agrarische gebied liggen. Tussen de kruiden slopen jonge tureluurs, grutto's en kieviten rond. Helaas kreeg ik ze niet op de film omdat de gaten in het kijkscherm erg klein waren en op zeer onhandige hoogte waren aangebracht. Dus ik moest het doen met verrekijkerwaarnemingen.
Maaischema's zijn afhankelijk van het doel van het gebied Bron: Olivier Dochy, Natuur Oriolus
Langs het pad naar het kijkscherm kreeg ik wel een fazanthen met kuikens voor de lens, maar zij verdwenen snel in de hoge begroeiing. Ik vroeg me af òf en wanneer het gras in zo'n gebied gemaaid wordt. Dat blijkt af te hangen van het doel van zo'n gebied en is nog een hele puzzel. De agrariër zal, zoals gezegd, mikken op snelle groei en frequent maaien. Maar een natuurbeheerder maait op verschillende tijdstippen. Eind juni als het te doen is om botanische rijkdom (dat wil zeggen zo veel mogelijk verschillende planten). Wil hij veel jagende vogels op zijn terrein dat wacht hij tot het einde van juli, als de kruiden afsterven en zaad vormen dat gegeten wordt door kleine vogels. De natuurbeheerder die juist veel akkervogels wil aantrekken maait eerst vroeg in het seizoen (april) en verlengt zo het bloeiseizoen van de planten. Maar ook daarbij zit hij met allerlei dilemma's. Soorten als Patrijs, Kwartel, Fazant en Grauwe Gors starten pas eind april met de nestbouw. Ze houden van een wat ruigere vegetatie om het nest te verstoppen onder horsten (pollen) oud gras. Door het maaien is dat er niet meer. Maar op het moment van de tweede maaibeurt (eind juli) worden er dan tenminste geen nesten weggemaaid.
In de buurt zag ik nog een ingezaaide berm met typische akkerplanten die vroeger heel algemeen waren, maar die je tegenwoordig minder ziet. Ze wemelden van het leven en waren het levende bewijs van bovenstaand verhaal. Bekijk het in de film door hier te klikken.
Na vele weken onafgebroken zon was er midden mei ineens een dipje in temperatuur. Dat had als voordeel dat de lucht nu eens niet strak blauw was, maar dat er mooie cumuluswolken aan de hemel verschenen. Ze zien er uit als grote wattenbollen en kunnen allerlei vormen aannemen. Liggend in het gras of vanuit een luie stoel kun je je fantasie op de vrije loop laten en vogels, vliegtuigen en olifanten in de vorm van de wolken zien. Daar is zelfs een officiële naam voor: pareidolie. Daar spreken we van als iemand iets herkenbaars ziet in een willekeurige waarneming. Afijn, terug naar de wolken. Een cumuluswolk kan wel een kubieke kilometer (1 km3) groot zijn. Dus één km breed, lang én hoog. Waterdamp die opstijgt koelt af en condenseert tot kleine waterdruppels. Er zitten meer dan 1 biljoen van die druppeltjes in een kubieke meter wolk. Alle waterdruppeltjes samen in zo'n cumuluswolk wegen ongeveer een miljoen kilogram. Erg fijn dus dat ze dankzij hun kleine individuele gewicht blijven zweven, want dat wil je niet op je kop krijgen :). Als de druppels groeien dan valt niet de hele wolk uit de lucht maar de losse druppels in de vorm van regen. Tegen die tijd is de wolk ook behoorlijk donker van kleur geworden; grote druppels in regenwolken weerkaatsen bijna al het zonlicht dat op de wolk schijnt, waardoor de zonnestralen niet meer door de wolk dringen. Die dag in mei begon met leuke witte wolkjes aan de hemel. De zon scheen er nog vrolijk tussendoor dus de temperatuur was aangenaam. De futen waren aan het broeden, net als de zwaan. De twee guitige eendjes uit deel 13 waren flink gegroeid. Alleen aan de vleugeltjes kon je nog zien dat ze niet lang geleden uit het ei waren gekomen. Aan het eind van de dag stond er een sterke, ijzig koude wind en boven de molen bij het park pakten donkere wolken zich samen. Zon en wolken streden om voorrang en toen deed zich een schouwspel voor dat ik niet graag had willen missen. Het leek alsof ik een blik in de eeuwigheid kreeg. Totaal verkleumd maar heel tevreden kwam ik thuis nadat de zon achter de horizon was gezakt. Beleef het mee in het filmpje door hier te klikken.
Het observeren van diergedrag vind ik één van de leukste dingen om te doen. In het plasje aan de rand van de polder wordt het steeds drukker, naast de broedende zwanen en één of twee meerkoetpaartjes heeft nu ook een stel futen er hun territorium gekozen. En dat allemaal in een klein stukje water. Burenruzies zijn daarom aan de orde van de dag. In de dampende mist kon ik soms nauwelijks zien wat er gebeurde, maar de meerkoet maakte zich druk over de futen en haalde naar ze uit. Na enig geharrewar keerde de rust terug. De futen bouwden aan hun nest van wier en takjes. De keuze voor de plek van zo'n nest wordt met wederzijdse instemming bepaald. Vaak neemt één van het stel het voortouw en doet een voorstel door plat op het water te gaan liggen met de hals gestrekt vooruit en de snavel wijzend in de richting van de potentiële nestplaats. De andere fuut 'antwoordt' hier op door wier op te duiken en dit op de betreffende plek te laten vallen. Kopschudden hoort ook bij dit ritueel en het plukje wier wordt vaak door de andere partner weer opgepakt om de bouwintentie te bevestigen. Het bouwen van een nest kan tussen de twee en acht dagen in beslag nemen. Als het platform klaar is en beide futen kan dragen, wordt door de meest gemotiveerde fuut (m/v) begonnen met uitnodigen tot de paring. Dit gebeurt door middel van de invitatiehouding en/of de bestijghouding.
Bestijghouding om te partner te verleiden tot paring
Bij de invitatiehouding ligt de fuut met de nek gestrekt en de kraag platgedrukt op het platform. Bij een bestijghouding rijst de fuut juist op van het nest met het lichaam voorover gebogen. De kop is naar het platform gericht, terwijl de kraag is gespreid. In deze boogpositie wordt enige malen snel met de vleugels getrild, waardoor soms het wit op de binnenvleugel te zien is. Hiermee wil de fuut de andere partij naar het nest lokken en deze houding wordt dan ook aangenomen als de partner het nest nadert. Dat kun je - ondanks de mistflarden - in het filmpje goed zien. De reactie van de uitgenodigde fuut kan variëren van onverschilligheid tot het daadwerkelijke bestijgen. De partnerfuut had echter nog geen interesse en ging onverstoord verder met bouwen. Wanneer de paring te lang uitblijft laten de futen het nest vaak in de steek. Rond de tijd dat mijn maag begon te knorren voor een ontbijt was alles rustig op het plasje. Zowel de futen als de meerkoeten en zwanen lagen te soezen in de steeds hoger rijzende zon. Wat later op de dag was ik wederom getuige van een botsing tussen meerkoeten en een van de futen. Een meerkoetgezin zwom het territorium van de fuut binnen. De fuut voerde een torpedo-aanval uit. Dat is een schijnaanval waarbij de dreigende fuut onder water verdwijnt en de ander dreigt te torpederen. In plaats van naar de opponent toe te zwemmen komt hij op ongeveer dezelfde plaats weer boven. De meerkoeten vielen aan en namen het zekere voor het onzekere want deze vorm van dreigen kan gemakkelijk overgaan in een werkelijke aanval onder water. En een klein meerkoetje maakt weinig kans tegen zo'n vlijmscherpe dolk-snavel. De fuut wilde op zijn of haar beurt niet vluchten voor de koeten en nam de kathouding aan. Hierbij worden de vleugels vrijwel loodrecht op het lichaam gespreid. De kop met ingetrokken nek wordt laag boven het water gehouden en alle veren worden opgezet. Al met al een prachtig schouwspel dat je kunt meebeleven in het filmpje door hier te klikken.
Jonge beukenbladeren hebben haartjes langs de randen die later verdwijnen
Deze keer een parkfilmpje dat is gemaakt in de avonduren. De laagstaande zon belichtte de meerkoetkuikens uit het nest dat je hebt zien bouwen in deel 5. Hun gele nekhaartjes leken op een gouden boa terwijl vader ze op sleeptouw nam voor een voederronde. Als hij dook was de sloot voor de kleintjes een golfslagbad. Ik vervolgde mijn ronde door het park, waar de beukenbladeren uitgekomen waren. Die boom is er laat bij. Jonge beukenblaadjes hebben haartjes langs de randen die verdwijnen als het blad volgroeid is. Het zonlicht verlichtte ook een meidoorn in volle bloei en de zaadtrosjes van de esdoorn die als lampjes in de bomen hingen. Behalve voor zuurstof, dat eigenlijk een restproduct is van de fotosynthese die bomen en andere planten gebruiken voor hun voedselvoorziening, zijn bomen ook nuttig voor het afvangen van fijnstof uit onze omgeving.
Naaldbomen vangen meer fijnstof op dan loofbomen
Dat doen alle planten, maar door hun hoogte en omvang vangen bomen twee tot zestien keer zoveel fijnstof op als lage beplanting. Hoewel je misschien anders zou verwachten, zijn naaldbomen zoals fijnspar, grove en zwarte den of taxus effectiever daarin dan loofbomen omdat naaldbomen een groter totaal bladoppervlak hebben. De fijne naaldstructuur draagt ook bij aan dat efficiënte vangnet. En ze blijven natuurlijk het hele jaar groen, waardoor ze ook in de winter hun werk kunnen doen. Toch zijn er ook een drietal loofbomen die meer dan gemiddeld fijnstof opvangen: de gewone esdoorn, vogelkers en de zachte berk. Dat komt door hun harige bladoppervlak dat het fijnstof vasthoudt. Opvallend is dat bomen die in Nederland veel langs wegen worden aangeplant: de eik, populier en de es maar matig geschikt zijn voor het opvangen van fijnstof. Toch iets om over na te denken bij de groenaanplant. Behalve het soort boom is er nog een andere factor die een rol speelt bij de hoeveelheid fijnstof die bomen verwerken: de manier waarop de bomen en ander groen gegroepeerd zijn. Dat heeft te maken met luchtstromen die zorgen voor gelijkmatige vermenging van fijnstof met lucht en de manier waarop de wind over de bladeren kan stromen. TNO en Universiteit Wageningen hebben daar modellen op los gelaten. Het meest effectief is een lijnbeplanting (bijvoorbeeld een bomensingel) met ondergroei als die op zo'n 100-150 meter van de vervuilingsbron (bijvoorbeeld een weg) staat. Als de bomensingel direct langs de weg is aangeplant is het fijnstof onvoldoende vermengd met gewone lucht om goed opgenomen te worden door de bladeren. Dus zo'n groen lint langs de snelweg ziet er wel mooi uit, maar het helpt minder om fijnstof op te vangen. In feite zou zo'n singel beter dicht bij de woonwijk kunnen staan die last heeft van het fijnstof van die weg. Daar is het effect het grootst. Over de totale effecten van bomen in relatie tot fijnstof zijn niet zo veel studies bekend. In de West
Midlands, een gebied van 900 km2
in het midden van Groot-Brittannië, is eind jaren ’90
een onderzoek gedaan naar de invloed van groen op de luchtkwaliteit in het gebied. De studie laat zien dat een
verdubbeling van het aantal bomen in het gebied het aantal sterfgevallen door fijnstof kan
verminderen met maximaal 400 per jaar. Afijn een zwaar verhaal misschien deze keer, maar toch keek ik weer met andere ogen naar de bomen. En aan het eind van het parkje scheen de zon op magische wijze door het gebladerte waardoor het landschap een feeërieke sfeer kreeg. Ik maakte een paar prachtige opnamen en bedacht: bomen zijn toch ook vooral heel mooi. Bekijk dit alles in het filmpje door hier te klikken.
Mijn eerste blog van dit jaar was gewijd aan de vogel van 2020: de wilde eend. Ik meldde toen dat wilde eenden flink in aantal afnemen. Met het aantal uitgekomen eieren en volwassen eenden gaat het goed, maar ergens in de kuikenfase lijkt het flink mis te gaan. Inmiddels zijn we bijna halverwege het jaar van de wilde eend en heb ik met eigen ogen kunnen zien dat een sliert jonge eendjes per dag korter wordt. In en om het park heb ik drie moedereenden gezien. Twee daarvan hadden al snel nog maar twee van de zeven jongen over. Gelukkig zag ik een derde moeder met pas uitgekomen kroost - ook zeven stuks - rondzwemmen. Waardoor de eendenkuikens 'verdwenen' zag ik niet. Misschien waren het eksters of kauwtjes, misschien een reiger of kwam het gevaar van onder het wateroppervlak. Sovon vogelonderzoek is een zogenaamd citizen science project gestart, waarbij de hulp van 'gewone' mensen wordt ingeroepen om bij te dragen aan het wetenschappelijke onderzoek naar de kuikenfase. Het onderzoek bestaat uit twee onderdelen. Allereerst is er een kuikenstudie. Hiervoor wordt aan mensen gevraagd om zo'n eendengezinnetje (toompje) te bekijken en het aantal kuikens te tellen. Om de gegevens door te geven kun je de kuikenteller app downloaden. Verder wil Sovon via vogeltellers inzicht krijgen in de man/vrouwverhoudingen van wilde eenden, want er lijken meer mannetjes (woerden) te zijn dan vrouwtjes in ons land. Onderzoekers denken dat vrouwtjes gevoeliger zijn voor sterfte tijdens het broeden (ze kunnen dan gepakt worden door een vos bijvoorbeeld), mannetjes broeden niet en lopen daardoor minder gevaar. Ook vermoeden zij dat vrouwtjeseenden meer geschoten worden. Vrouwtjes overwinteren daarnaast zuidelijker dan mannetjes, wat ook weer extra risico's met zich meebrengt tijdens de trek. Uiteindelijk wil Sovon met deze en andere gegevens een populatiemodel bouwen om beter te begrijpen wat er aan de hand is.
Toompje wilde eenden
Intussen kun je in mijn filmpje genieten van twee wilde eendjes die al in de 'puberfase' zitten, ze stoeien met elkaar en apen het gedrag van mams na. Intussen blijft moeder alert op haar kroost. Vrouwtjes van wilde eenden lijken een saai bruin verenkleed te hebben. Niets is echter minder waar. Ze is gehuld in een verenkleed met goede schutkleuren (belangrijk als ze op het nest zit te broeden), maar de detailopname van haar staart laat zien hoeveel kleurschakeringen er zijn en hoe mooi de tekening van de verschillende soorten veren is. Geniet van de eendjes in de film en hopelijk tel je mee als je een toompje wilde eenden ziet. Klik hier om het filmpje te bekijken.
Met Hemelvaart zijn we gaan 'dauwtrappen' bij de Reeuwijkse Plassen. In de Reeuwijkse Hout parelden de waterdruppels op de alom tegenwoordige grassen en mist steeg op uit de sloten. Overal om ons heen klonk vogelzang. Toen we wat meer in het open moerasgebied kwamen, hoorden we vooral de rietvogels: rietzanger, kleine karekiet en in een boomtop kraste de grasmus zijn lied. Bij ons tripje naar de Wijde Aa lukte het niet om de kleine karekieten in beeld te krijgen, maar op deze dag had ik geluk. In de wat bredere rietkragen lieten ze zich makkelijker spotten. Op twee plaatsen langs de plassen zong koekoeken. Die wilden aan hun vrouwtjes laten weten dat er hier genoeg karekietennestjes zijn om een ei in te leggen. De kleine karekiet is een belangrijke waardvogel voor deze broedparasiet. Koekoekvrouwtjes die in een karekietnestje ter wereld zijn gekomen zullen op hun beurt een ei in zo'n nestje leggen.
Eieren van koekoek (groot) en kleine karekiet
Bron: By Chiswick Chap - Own work, wikimedia
Hiervoor wacht het vrouwtje tot de karekiet enkele eieren heeft gelegd. Op het moment dat de karekieten even niet bij het nestje zijn (ze beginnen pas met broeden als het legsel compleet is), daalt ze neer op het nest, legt bliksemsnel een ei en eet één karekiet-ei op, zodat het aantal eieren in het nestje niet verandert. Het koekoeksei is iets groter dan dat van de karekiet maar lijkt er verder qua kleur en tekening veel op. Toch is het de vraag hoe het komt dat de karekieten een vreemd ei in hun nestje tolereren. Dat is het gevolg van een lange wedloop. Al meer dan een eeuw geleden werd vastgesteld dat slecht lijkende eieren door de karekieten werden afgestoten. Koekoeken die minder goed nagebootste eieren leggen sterven op die manier uit. Dat afstoten gebeurt op twee manieren: het vreemde ei wordt uit het nest gegooid, of het hele nest wordt verlaten. In dat laatste geval ontmantelen ze het nest om het op korte afstand weer op te bouwen òf ze bouwen een tweede nest bovenop het eerste. Het oude legsel wordt gewoonweg bedolven onder de bodem van het nieuwe. Door in hun territorium te blijven, en in het laatste geval dus op de exacte locatie, hopen de karekieten waarschijnlijk dat de koekoek blijft denken dat dit nestje al 'voorzien' is van een koekoeksei.
Koekoek (man)
Hoewel het lekker makkelijk lijkt om je kroost te laten opvoeden door anderen, hebben koekoekvrouwtjes heus niet altijd succes. Uit Engels onderzoek blijkt dat in ongeveer 5% van de karekietennestjes een koekoeksei wordt gelegd. Een aantal karekietnestjes is gewoonweg onvoldoende bereikbaar voor de koekoek. Want om in de gaten te houden wanneer een nestje voldoende eieren heeft om er een eigen ei in te leggen, moet de koekoek gebruik maken van een uitkijkpost, bijv. een hoge boom. Van de karekietnesten binnen een straal van 5 meter rond zo'n uitkijkpost 'ontvangt' één op de vijf een koekoeksei. Tussen de 5 en 10 meter is dat nog maar één op de tien en verder dan 20 meter van de boom wordt er maar in één op de honderd nesten een koekoeksei gelegd. De kleine karekiet kan dus het beste broeden in uitgestrekte rietvelden zonder bomen, daar is de kans op een cadeautje van de koekoek het kleinst. En als de koekoek er in slaagt om een ei te dumpen in zo'n nestje, is er altijd nog de kans dat de karekieten het door hebben en zich ontdoen van het ei. Bekijk en beluister veel verschillende vogels (onder andere ook een krooneend en Indische gans met kleintjes) en hun uitbundige zang in de film door hier te klikken.