woensdag 30 april 2025

Komkommerspin buiten de komkommertijd

Af en toe loop ik met mijn telefoon door de tuin om met behulp van de ObsIdentify app vast te stellen wat voor klein spul er zoal in mijn tuin vliegt, zit en kruipt. Dat is niet altijd even makkelijk, zeker niet als het om vlugge rakkers gaat. Maar een spinnetje in een web blijft geduldig zitten als je het in focus probeert te krijgen.

Dat was bij onderstaande spin nog niet zo makkelijk, want het beestje is maar een paar millimeter groot. Mannetjes meten 4 millimeter en de vrouwtjes zijn anderhalf keer zo lang :), namelijk 6 millimeter. Ondanks het kleine formaat viel het beestje mij op door het helder groengele achterlijf. Daar dankt de spin zijn naam aan: komkommerspin. Die kleur hebben ze overigens niet altijd. De pas uit het ei gekropen spinnetjes hebben een lichte kleur. Nog niet geslachtsrijpe spinnen hebben in de herfst een rode of bruine kleur, waardoor ze tijdens de bladverkleuring in de herfst een goede camouflage hebben. Pas in het voorjaar krijgen ze dan de groene kleur. Het spinnetje op de foto heeft dus al een winter overleefd. 

Komkommerspin

Ik las de beschrijving van de spin in de app en zag dat volwassen dieren aan het eind van het achterlijf over de spinklieren een rode vlek hebben. Dat kun je op bovenstaande foto al een beetje zien, maar ik besloot mij nogmaals in allerlei bochten te wringen om dat beter in beeld te krijgen. Intussen moest ik zorgen dat ik het 10 cm grote webje niet kapot maakte. Dat is belangrijk voor hun maaltijdvoorziening, want zoals alle spinnen is ook de komkommerspin een vleeseter. En dat vlees, in de vorm van kleine insectjes, vangen ze met hun web.

Volwassen komkommerspinnetjes hebben een rode vlek rond de spintepel

Er zijn twee soorten komkommerspinnen, de gewone en de tweelingkomkommerspin. Met het blote oog kun je het verschil niet zien, daar komt microscopisch onderzoek aan de geslachtsorganen bij kijken. In België is er in 2011 een heel uitgebreid spinnenonderzoek gedaan. Vier jaar lang werden daar tuinen en ander groen van de Antwerpse Singel onderzocht op de aanwezigheid van spinnen. Uit dat onderzoek kwam naar voren dat 41% van alle gewone komkommerspinnen werd aangetroffen in private stadstuinen en geen enkele in de Antwerpse wegbermen. Van de tweelingkomkommerspin werd er geen enkel exemplaar in een stadstuin gevonden, terwijl 35% in wegbermen werd aangetroffen. Je zou wellicht kunnen aannemen dat ik dus een gewone komkommerspin heb gefotografeerd. Maar ik steek mijn hand er niet voor in het vuur!

Tijdens het Belgische onderzoek werden op de Antwerpse Singel maar liefst 249 spinnensoorten aangetroffen. Honderd daarvan kwamen (ook) in de tuinen voor. Hoe diverser en minder aangeharkt de tuin was, hoe meer spinnen er konden leven. In de rijkste tuin vonden de onderzoekers 118 spinnen van 25 soorten. Grappig is ook dat men vaststelde dat er in het voorjaar meer spinnen in de tuinen te vinden waren dan in het najaar. De meeste mensen denken bij spinnen aan de herfst, omdat de spinnen dan groter en daarmee beter zichtbaar zijn. Intussen zijn dus gedurende de zomer heel wat spinnen verorberd onder het motto 'eten en gegeten worden'. 

Kruisspin
In het najaar zijn spinnen zichtbaarder maar in de lente zijn er meer


donderdag 24 april 2025

Zijn er meer pinksterbloemen dit jaar?

Onlangs zijn we langs de Linge gaan fietsen om te genieten van de fruitbloesem. De perenbomen bloeiden uitbundig. De appelbomen waren nog gehuld in de roze/witte knoppen.

Perenbloesem langs de Linge

We reden naar Beesd met onze fietsen achterop de auto en al op de A12 van Bodegraven naar Utrecht viel het me op. Op sommige plaatsen in de weilanden lag een teer paars waasje over het groen. Het was voor het eerst in jaren dat ik pinksterbloemen in dergelijke aantallen zag, in de normaal als biljartlakens ogende weilanden van het Groene Hart. Mijn hart maakte een sprongetje, want pinksterbloemen zijn verbonden aan de mooiste jeugdherinneringen. Ik groeide op in een nieuwbouwwijk met erom heen wat braakliggende veldjes en daarachter begonnen graanvelden. Die waren toen nog voorzien van korenbloemen, klaprozen en ganzenbloemen. Er stonden meidoornheggen en de paadjes waren onverhard. Eén plekje was heel speciaal: een klein kersenboomgaardje met hoge meidoornheggen er om heen; zo hoog dat het bijna geheimzinnig donker was in het boomgaardje. De kers bloeide uitbundig en de meidoornbloemen roken sterk. Het gras groeide tot aan mijn kinderkuitjes en stond letterlijk propvol met pinksterbloemen. Ik kon plukken wat ik wilde, de voorraad raakte nooit op :). Er kwam nooit iemand, ik betwijfel zelfs of de kersen ooit opgehaald werden, dus het was helemaal 'van mij'. Later ging het boomgaardje op aan de huizenbouw, maar ik weet de plek nog precies. 


Mooie herinneringen aan pinksterbloemen

In de afgelopen decennia zag ik altijd wel pinksterbloemen maar nooit meer in die aantallen. En nu lijken ze terug van weg geweest. Ik heb in diverse bronnen gezocht om te kijken of mijn eigen observaties kloppen met een landelijke trend, maar daar kon ik niks over vinden. Op de verspreidingskaart van waarneming kon ik alleen zien dat ze overal in Nederland te vinden zijn, maar niet in welke aantallen (en of die toenemen). Pinksterbloemen houden niet van zwaar bemest land; dat is de reden dat ze minder te zien zijn in onze weilanden. 

De ijle pastelkleurige bloemen laten hun hoofdjes hangen als het regent, niet omdat ze dan somber zijn :), maar om hun stuifmeel te beschermen. Zodra het droog wordt bloeien ze weer op. In het Duits heten ze Wiesen-Schaumkraut. Die naam hebben ze te danken aan het veelvuldig voorkomen van schuimbeestjes (larven van een cicade die plantensap opzuigt en hiermee bellen blaast om zich te verstoppen) op de plant. De Engelsen noemen de pinksterbloem Cuckooflower omdat die vaak tegelijk met het arriveren van de koekoek in bloei komt. Toen men het 'spuug' van het schuimbeestje nog niet kon duiden, noemde men dat in Nederland wel koekoeksspuug, omdat dit schuim te zien was als men de koekoek voor het eerst hoorde.

Pinksterbloem

De bloemsteel groeit vanuit een bladrozet. Die overleeft wanneer er gemaaid wordt, zodat de plant niet verloren gaat. In principe kan de pinksterbloem ook in je gazon groeien, maar als je te vaak maait komt er nooit een bloem aan. Oranjetipjes zijn vlinders die waarschijnlijk nog meer dan ik houden van dit plantje. Hun rupsen lusten namelijk niet veel anders. De Latijnse naam van dit vlindertje luidt Anthocharis cardamines naar de Latijnse naam van de pinksterbloem (Cardamine pratensis). Het mannetje is wit met oranje vleugelpunten, bij het vrouwtje ontbreken die. Maar het groenige vlekkenpatroon aan de onderkant van de vleugels (van man en vrouw overigens) verraadt dat het niet om een koolwitje maar om een oranjetipje gaat.

Oranjetipje op pinksterbloem
Foto: Gllawm - Own work, CC BY-SA 4.0, Wikimedia

Het vrouwtje legt één eitje per pinksterbloem, want de rups eet letterlijk het hele plantje op incl. eventuele eitjes van concurrenten. Maar de vrouwtjes schijnen te kunnen ruiken of er al een eitje is gelegd op de plant, dus dit zullen ze alleen doen als ze wanhopig zijn omdat er te weinig pinksterbloemen groeien. Nog een reden om te zorgen voor veeeeeel meer pinksterbloemen!

dinsdag 15 april 2025

Verdwijnende paardenbloemen

Welke paardenbloem zou dit zijn?

Tijdens deze zonnige aprildagen ploppen de gele paardenbloemen in veel bermen en grasveldjes op. Lees even deze blog voordat je met een mesje aan de gang gaat om je gazon te ontdoen van deze vrolijke bloeiers, want misschien kijk je er dan met andere ogen naar!

Hoewel je misschien denkt dat er maar één soort paardenbloem is, is niets minder waar. In Nederland komen naar schatting al meer dan 1000 soorten voor. Een  bloeiend weiland kan al meer dan 60 soorten bevatten, een gewone tuin meer dan 25 soorten. Er is een hele variatie in kleur van de steel, vorm van het blad, de vorm van de lintbloemetjes, een behaarde steel of niet, de vorm van de omwindsel bladen en ga zo maar door. Bekijk alle kenmerken hier. De verschillende paardenbloemen zijn niet heel makkelijk te onderscheiden, dat is echt werk voor specialisten. Karst Meijer en Erik van den Ham hebben meer dan 40 jaar studie gedaan naar de paardenbloem en traden daarmee in de voetsporen van professor Van Soest (1898-1983). Prof. J.L.van Soest was de eerste Nederlander die echt serieus een studie maakte van de Nederlandse paardenbloemen. Van Soest was geen professioneel botanicus, maar werkzaam als elektrotechnisch ingenieur en later als directeur aan het Physisch Laboratorium van de toenmalige PTT  in Den Haag. In zijn vrije tijd waren paardenbloemen echter zijn lust en zijn leven. Hij maakte de eerste moderne indeling van de Nederlandse paardenbloemen en een determinatietabel. Inmiddels zijn er door zijn opvolgers uitgebreide determineersleutels gemaakt en verschijnt er aan het eind van de maand een veldgids die volledig is gewijd aan paardenbloemen. Hiervoor is jaren veldstudie gedaan en een flink herbarium aangelegd. Kijk maar eens rond op hun website.

Paardenbloemenveldje in 2004

Helaas komt de paardenbloem steeds minder voor en zijn de vele soorten grotendeels verdwenen en/of nooit vastgesteld. De eerder genoemde 60 soorten per weiland zijn verleden tijd. Als je geluk hebt staan er nog enkele soorten. De paardenbloemen zijn verdreven naar onze bermen, tuinen en parken, maar staan te trappelen om weer terug te keren naar hun oorspronkelijk areaal. Als de insecten in het vroege voorjaar weer tot leven komen,  vinden ze de bloeiende paardenbloemen als waardevolle voedselbron. De achteruitgang van weidevogels is ook duidelijk te koppelen aan de verdwijning van de paardenbloemen uit de weidegebieden. Want juist als de kuikens uit hun eieren waren gekropen, vonden ze op snavelhoogte hun voedsel op de bloeiende paardenbloemen.

Ik heb een klein empirisch onderzoekje gedaan. Ik herinnerde mij dat ik in 2004 (tijdens mijn gidsencursus) een foto van een paardenbloemenveldje had gemaakt in het Weteringpark (zie boven). Onlangs heb ik hetzelfde veldje nog eens gefotografeerd (toevallig rond dezelfde datum als in 2004), met onderstaand resultaat.

Geen paardenbloemenveldje meer in 2025

Achter een boom vond ik nog welgeteld één rozet met vier bloeiende paardenbloemen.

Laatste paardenbloemen van het veldje (2025)

Om paardenbloemen de aandacht te geven die ze verdienen is de laatste zondag van april (27 april dit jaar) uitgeroepen tot de Internationale Dag van de Paardenbloem. Struin je die dag niet over de rommelmarkt maar door je wijk of in de natuur, plaats dan een foto van een paardenbloem op je sociale mediakanalen om deze soort in het zonnetje te zetten. Wist je dat je ook culinair kunt genieten van de paardenbloem, in de vorm van sla, siroop, kappertjes van de bloemknoppen en meer? Klik hier voor tips. Oogst de bladeren en bloemen vooral in je tuin waar geen honden of katten hun behoefte doen :(.

Paardenbloem met dagpauwoog
Dit is een andere soort paardenbloem dan die
op de foto bovenaan mijn blog

woensdag 9 april 2025

Nationale bijentelling met gratis bij-les en bijengidsje

Het woord 'gratis' is een prima marketingmiddel. Het werkt ook op Marktplaats waar de tekst "gratis ophalen" meteen voor talloze reacties zorgt. Ik ben eens benieuwd of het woord 'gratis' in de titel van deze blog ook extra lezers aantrekt :):). Maar goed, aantallen alleen zijn niet interessant, het gaat erom of je de juiste lezers aantrekt. 

Vandaag wil ik jullie aandacht vragen voor de nationale bijentelling die plaatsvindt van 10-14 april 2025. De komende dagen wordt het goed insectenweer: zonnig en lekkere temperaturen. Het is dus geen straf om lekker in je tuin zittend goed rond te kijken naar het zoemende spul. Voor de volgende week is regen voorspeld, dus nu nog even genieten. 

Hommels zijn ook bijen
Dit zijn twee weidehommels op een kluitje.
Ze hebben twee gele strepen en een roestbruin kontje

Nu zeg je misschien: ik weet niet zo veel van bijen. Nou daar komt de gratis spoedcursus in beeld! Om te beginnen kun je een gratis bijengidsje downloaden met 16 veel voorkomende soorten. Kijk hiervoor de op de site van de nationale bijentelling.

Download het gratis bijengidsje!

Bij het tellen van bijen moet je oppassen dat je deze niet verwart met zweefvliegen. Ook dat staat in het gidsje uitgelegd:



Kun je nu zien of er op onderstaande foto een zweefvlieg of een bij staat? Het antwoord vind je onderaan de blog, maar waarschijnlijk kun je het zelf al oplossen. Top!

Zweefvlieg of bij?

Op de site van IVN staat verder nog een gratis online cursus waarin je binnen 30 minuten veel leert over bijen. Klik hier om naar de cursus te gaan. 

Ik heb vandaag al een half uurtje in mijn tuin gekeken en ik zag een aardhommel, akkerhommel en, voor mij nieuw in mijn tuin, de gewone sachembij (nummer 7 in de toptien van de telling van vorig jaar). 

Gewone sachembij

Gewone sachembijen zijn pluizig en compact en 14 tot16 mm groot. Ze lijken een beetje op kleine hommeltjes. Ze zijn bruin of zwart behaard en hebben een lange tong. Gewone sachembijen zijn snelle vliegers, die ook als een helikopter stil kunnen staan in de lucht. Daardoor zijn sachembijen makkelijk te onderscheiden van hommels: die kunnen dat niet. Ze zijn te zien van maart tot en met begin juni. 

Ik denk dat de bij in mijn tuin een vrouwtje was, want mannetjes hebben een gele tekening op hun kop en langere haren op de poten. Daar danken ze hun naam aan: ‘Sachem’ is een benaming voor een indianenopperhoofd dat kleding met lange franjes eraan draagt. De sachembijtjes houden van vroeg bloeiende planten zoals smeerwortel, gevlekt longkruid, hondsdraf en dovenetels. In mijn tuin had ze zich tegoed gedaan aan longkruid voor ze even uitrustte op een tulpenblad. 


Heel bijzonder is dat vrouwelijke sachembijtjes twee verschillende geursporen achterlaten op de planten die ze bezoekt: de ene geur is voor bloemen die vaak worden bezocht, de andere is voor bloemen waar ze maar een paar keer per dag terugkomt om te kijken of er alweer nieuwe nectar beschikbaar is. Ik ben benieuwd hoe ze mijn plantjes 'gelabeld' heeft. 

De vrouwtjes verzamelen stuifmeel tussen de lange haren aan de achterpoten. Ze gaan op een bloem zitten en wrijven het stuifmeel met de vier voorste poten tussen de haren aan de  achterpoten. Zo neemt ze het stuifmeel mee naar het nest. Deze bijen nestelen vaak met tientallen of honderden bij elkaar, al maken ze ieder voor zich een nest. Een geschikte nestplek wordt soms jarenlang lang gebruikt door elk jaar een nieuwe generatie van sachembijen.

Veel succes met speuren naar bijen in je tuin of omgeving! Denk ook aan het gebruik van waarnemingsapps als hulpmiddel. 

Antwoord:
Op de foto 'zweefvlieg of bij' zie je een zweefvlieg: 1 paar vleugels en korte antennes. De soort is een blinde bij.

dinsdag 1 april 2025

Zonnige lentedagen met vogelzang en sleedoornbloemetjes

Afgelopen zaterdag was een windstille ochtend; een prima mogelijkheid om vogelzang vast te leggen zonder nare ruis in de microfoon. Over vogelzang schreef ik al enkele blogs. En in het filmpje van deze week kun je zien èn horen welke vogels ik in het park tegenkwam. Niet alleen de vogels lieten zich van hun beste kant zien, de sleedoorn showde haar ragfijne witte bloemetjes tussen het prille lentegroen. 

Sleedoorn

Een vlinder die verbonden is aan deze struik is de prachtige sleedoornpage. De vlinder legt de eitjes in de oksels van takken op de grens van oud en jong hout, waar de eitjes overwinteren. De eitjes zijn wit en plat en hebben een geribbeld patroon. In het voorjaar komen de eitjes uit en vreten de rupsjes de knoppen van binnenuit, later peuzelen ze van het blad. De rupsen verpoppen eind juni of begin juli op de grond onder afgevallen bladeren. Mieren begraven de poppen in oppervlakkige holletjes. Door de verborgen leefwijze van de sleedoornpage zie je de vlinders helaas niet vaak. Meestal gaan enthousiaste tellers er in februari op uit om op de kale takken naar eitjes te speuren en zo in kaart te brengen waar de vlinder voorkomt.

Sleedoornpage (v) is klaar om een ei te leggen
Foto: Charles J. Sharp - Own work, from Sharp Photography,
CC BY-SA 4.0, Wikimedia


Sleedoornpage ei
Foto Gilles San Martin - Flickr: Thecla betulae egg,
CC BY-SA 2.0, Wikimedia


In navolging van de sleedoornpage zou je verwachten dat de meidoornuil (een nachtvlinder) haar eitjes op de meidoorn legt. Maar dat is lang niet altijd het geval. De meidoornuil is vaak te vinden op sleedoorn (en berk) om haar nageslacht veilig te stellen. De eitjes van deze soort worden dan ook vaak door sleedoornpagetellers gevonden. De eitjes verschillen van de sleedoornpage: ze zijn hoger en lopen bovenaan wat taps toe. Ook het patroon is anders, met langgerekte groeven.

De eitjes van de meidoornuil overwinteren en komen rond deze tijd (eind maart/begin april) uit. De jonge rupsjes eten van het jonge blad en zijn ook overdag actief. Oudere rupsen rusten overdag stijf tegen takken aangedrukt en zijn dan opvallend goed gecamoufleerd, zij scharrelen 's nachts hun maaltje bij elkaar. Na vier tot zes weken zijn de rupsen volgroeid en maken ze een cocon in de strooisellaag. Dan gebeurt er iets bijzonders; of eigenlijk eerst een tijdje niks: de verpopping vindt pas na zes tot acht weken plaats. Tot die tijd blijven ze als rups in de cocon zitten. Dit zie je bij meer vlindersoorten, vooral soorten die in het voorjaar rups zijn en een vliegtijd hebben in het najaar. Vermoedelijk is dit een strategie om in geval van ongunstige omstandigheden nog enigszins mobiel te zijn. Een pop kan zich immers niet verplaatsen en een rups wel. Om deze theorie te testen zijn er experimenten gedaan. Poppen werden in zaagsel gelegd en dit werd vervolgens flink nat gemaakt en omgewoeld. Op zo'n moment kwamen de rupsen uit de cocon en maakten op een andere plek een nieuwe cocon. 

Meidoornuil
Foto Ben Sale from Stevenage, UK - [2245]
CC BY 2.0, Wikimedia 

Om de vlinders te zien moet je dus wachten tot het najaar, de top van de vliegtijd ligt in de eerste helft van oktober. Maar komende tijd kun je wel speuren naar de rupsen van deze soort. Dat is geen makkie, want zo te zien springen ze niet in het oog.

Rups van de meidoornuil
Foto: Harald Süpfle, CC BY-SA 3.0, Wikimedia

Je kunt natuurlijk ook gewoon genieten van de mooie sleedoornbloemen en hopen op een vlinder in het najaar!

Sleedoornbloemen

Vergeet niet het filmpje te bekijken met de link bovenaan deze blog ;). 

vrijdag 28 maart 2025

Bloemen produceren zoetere nectar als ze bijen horen zoemen

Op de site van New Scientist kun je allerlei wetenschappelijk nieuws lezen in voor de leek toegankelijke taal. Af en toe stil ik daar mijn honger voor interessante weetjes uit de natuur. Al een tijdje geleden had ik een artikel opgeslagen om er eens een blog aan te wijden. Vandaag is het er dan van gekomen, misschien omdat ik van de week weer bijtjes door mijn tuin zag zoemen. En zittend op een terras rustte deze honingbij even uit op mijn tafel. Misschien was ze vermoeid van het tillen van zoveel stuifmeel :).

Honingbij met gevulde stuifmeelkorfjes rust even uit op een terrastafel

Afijn, het artikel dus. Dat ging over het feit dat bloemen zoetere nectar aanmaken als bijen dichterbij komen. Wetenschappers van de universiteit van Tel-Aviv hebben dit onderzocht met teunisbloemen. Ze stelden deze planten bloot aan verschillende geluiden zoals gezoem van bijen en synthetische ruis. De suikerconcentratie in de nectar steeg gemiddeld met 20 procent binnen drie minuten nadat de bloemen waren blootgesteld aan de bijengeluiden of kunstmatig geluid van een vergelijkbare frequentie. Bij bloemen die geen geluid te horen hadden gekregen, of geluiden van hogere frequentie, trad geen verandering op in het suikergehalte. 

Teunisbloem

Voor bijen is extra suikerrijke nectar zeer interessant: met minder moeite krijgen ze meer energie binnen, zodat ze meer tijd overhouden om voedsel te verzamelen. Maar ook de plant bespaart energie door het suikerniveau pas te verhogen als bestuivers in aantocht zijn. Ook vermindert dit het risico dat de nectar verpest wordt door microben of wordt gestolen door mieren. Bijen zullen langer bij de plant blijven om zo veel mogelijk rijke nectar te eten en vervolgens zullen ze meer planten van dezelfde soort bezoeken omdat ze weten dat daar een beloning wacht. Hierdoor is de kans op succesvolle bestuiving groter. Een win-win situatie dus. Hoe de planten het geluid van bijen oppikken, is niet bekend. Wel ontdekten de onderzoekers met behulp van gevoelige laserinstrumenten dat teunisbloemen vibreren als er opnamen van bijen- of mottengeluiden voor ze afgespeeld worden.

De onderzoekers denken dat bloemen geluidsdruk ontvangen op een vergelijkbare manier als oren. Bloemen waarvan blaadjes geplukt werden, vibreerden daarna minder tijdens het afspelen van geluidsfragmenten. Dat duidt erop dat blaadjes mogelijk een rol spelen in het ontvangen of versterken van geluiden van bestuivers.

Uit eerder onderzoek is gebleken dat sommige planten de trillingen kunnen horen van rupsen die hun blaadjes opeten en daarop reageren door gif- of bitterstoffen aan te maken die de kleine vreetmachines verjagen. Sommige bloemen kunnen hun stuifmeel alleen op een efficiënte manier afgeven als bijen ze laten vibreren op een specifieke frequentie. Deze techniek heet zoembestuiving. Van tomatenplanten weet ik dat ze met de hand getrild (door er met een vinger tegen aan te tikken) moeten worden als ze in een kas zonder insecten staan.

Ik weet niet of het onderzoek onder de teunisbloem ook geldt voor andere planten, maar ik kijk van de zomer met een andere blik naar een bloemenweide. Niet alleen kleine potjes maar ook plantjes hebben grote oren :). 



woensdag 26 maart 2025

De heerlijke zang van de boomleeuwerik

Leeuweriken hebben een speciaal plekje in mijn hart. Misschien is de kiem daarvoor gelegd tijdens de vele familiewandelingen door de Limburgse natuur in mijn jeugd. De veldleeuwerik was in de jaren 70 een van de meest voorkomende broedvogels en zijn juichende lied maakte van elke wandeling een feestje. Het mannetje steeg tot grote hoogte en jubelde daar lange tijd, om plotseling de daling in te zetten en te landen vlak voor zijn (gewenste) vrouwtje. Over de veldleeuwerik schreef ik eerder in deze twee blogs

Biotoop van de boomleeuwerik

Een dag of tien geleden bezochten we de Amsterdamse Waterleidingduinen om te genieten van de zang van de boomleeuwerik. Ook een deuntje om helemaal lyrisch van te worden en voor mij echt het begin van de lente. Het is nu de tijd dat de boomleeuweriken terugkeren uit hun overwinteringsgebieden in Zuid-West Europa. Kleine aantallen blijven overigens wel eens de hele winter 'plakken' in de duinen langs onze westkust. Typische kenmerken van de vogel zijn de zeer korte staart zonder witte randen en de lichte wenkbrauwstreep die tot in de nek doorloopt. Op vleugelrand zie je een opvallende donkerbruine en witte vlek. De borst en keelzijden zijn gevlekt (jonge vogels hebben een sterker vlekkenpatroon). De pootjes zijn vleeskleurig. De kans dat je een boomleeuwerik zo goed kunt bekijken als op de foto is niet erg groot, want vaak vliegen ze hoog in de lucht en soms zitten ze juist behoorlijk verscholen. Maar in deze tijd kun je ze ook in boomtoppen zien en dan valt vooral de lichte wenkbrauwstreep op.

Boomleeuwerik
Foto: Ján Svetlík - Flickr, CC BY-SA 2.0, wikimedia

Te midden van allerlei negatief (natuur)nieuws valt er over de boomleeuwerik iets goeds te melden: het aantal broedgevallen van deze vogel neemt toe en is in 15 jaar verdubbeld. Zo'n 6000-7000 broedparen maken hun nestje in ons land. Helaas kom je ze niet op elke straathoek tegen. De broedgebieden van de boomleeuwerik zijn te vinden op de hogere zandgronden (Utrechtse Heuvelrug, Veluwe en Oost- en Zuid- Nederland) en de duingebieden. Ze hebben een voorkeur voor schrale, leemarme zandgronden met hier en daar bomen. Hun nestje maken ze op de grond. Meestal zijn er twee legsels. De jongen van het eerste legsel blijven vaak in de buurt bij het tweede legsel, waardoor in het najaar groepjes ontstaan van ongeveer tien vogels.

Bron: SOVON Vogelonderzoek

Wij wandelden vanuit ingang De Zilk in de Waterleidingduinen en al op de parkeerplaats konden we de zingende leeuweriken horen. Hun gedrag tijdens de zang laat zien of de boomleeuwerik al een partner heeft of niet. Ongepaarde mannen zingen in grote cirkels hoog in de lucht. Mannetjes die al een vrouwtje hebben verleid zingen in een boomtop, eventueel afgewisseld met een korte lage rondvlucht. Is er een tweede vogel in de buurt die zich stil houdt en niet wordt verjaagd, dan heb je een vrouwtje in de kijker.  
En dan de zang, dat is natuurlijk moeilijk uit te leggen. Luister daarom maar even naar het geluid bij dit filmpje dat ik eerder maakte op het Kootwijkerzand. Het mooiste is natuurlijk om 'm zelf te horen: bekijk op waarneming waar de boomleeuwerik in jouw omgeving is gezien (filter alleen nog even op je provincie).

Wij wandelden een rondje door de "Nederlandse savanne" en werden vrijwel continue begeleid door zingende boomleeuweriken. Zittend in het zonnetje aten we ons brood met deze achtergrondmuziek en we konden ons geen beter plekje voorstellen! 


Voor nieuwe abonnees: leuk dat je je hebt geabonneerd op mijn blog! Als je in de mail van follow.it op een link in mijn blogje klikt, zie je na enkele seconden een groen kadertje met 'go to article', zo kom je op mijn site en kun je alle links makkelijk aanklikken. Ben je op zoek naar natuurinfo? In de balk links kun je onder 'labels' op trefwoord zoeken in alle blogs die ik eerder schreef. De feitelijke informatie over planten en dieren is altijd gebaseerd op gerenommeerde natuursites, zoals Vogelbescherming, SOVON Vogelonderzoek, Zoogdiervereniging, RAVON (reptielen en amfibieën), NatureToday,  wetenschappelijke artikelen die ik vind op Google Scholar en boeken die ik zelf heb aangeschaft. Een rijke bron van informatie!

woensdag 19 maart 2025

Een parade van stinsenplantjes geeft kleur aan de lente

Voorzichtig beginnen bomen en struiken uit te lopen. Sleedoorns zijn in een witte waas van bloemetjes gehuld en dotjes gele bloemetjes sieren de kornoelje en katjes van wilgen. Struiken als vlier en meidoorn beginnen hun bladeren te ontplooien; het ijle groen schemert door de takken.

Bladeren van de meidoorn ontluiken in de lentezon

Voor de echte kleur in de natuur moeten we op dit moment nog genoegen nemen met een trucje dat mensen uithalen om in het vroege voorjaar te genieten van prachtig bloeiend spul. Al in de negentiende eeuw werden er sierplanten (veelal bolgewassen) uit zuidelijke streken ingevoerd om landgoederen, boerderijhoven en pastorietuinen te verfraaien. Het woord stinsenplant komt van het Friese woord stins, dat (versterkt) stenen huis betekent. Vaak lag bij zo'n adellijke woning ook een landgoed waar de geïmporteerde bolletjes werden geplant. In Friesland is het specifiek bij stinsen voorkomen van plantensoorten voor het eerst beschreven. Het woord stinsenplant is waarschijnlijk voor het eerst gebruikt door de heemkundige Jacob Botke in 1932. 

Veel van die tuinplanten zijn verwilderd en komen elk jaar in grote(re) getalen op. Ook worden ze nog steeds regelmatig in tuinen of parken aangeplant.

De meeste sneeuwklokjes zijn nu uitgebloeid

Afgelopen week ben ik in het Alphense Bospark en de heemtuin in Leiderdorp op zoek gegaan naar deze mooie bloeiers. Ik vond meer soorten dan ik in deze blog kan laten zien, dus het wordt een selectie. Op Wikipedia vind je een lijstje van alle soorten die tot de stinsenplanten gerekend worden

Ik begin met twee krokussen: de bonte krokus en de boerenkrokus. 

Bonte krokus

De bonte krokus is een bolgewas uit de lissenfamilie. De wilde plant komt oorspronkelijk uit de gebergten van Midden- en Zuid-Europa en groeit daar op subalpiene hooiweiden. Het blad heeft een lengtestreep in een wittige kleur. Veel tuinkrokussen zijn voortgekomen uit de bonte krokus door veredeling en kruising. 

Boerenkrokus

Ook de boerenkrokus groeit van nature niet op polderpeil. Deze plant is te vinden op kalkrijke grond tussen 1000 en 1500 meter hoogte in Zuid-Hongarije, Kroatië, Bosnië, Servië en Bulgarije. Ik vond slechts twee exemplaren van deze ijle beauty maar op Wikimedia kwam ik onderstaande bloemenzee tegen. Voor de lezers uit het noorden van het land: de Epemastate in IJsbrechtum schijnt befaamd te zijn om de grote hoeveelheden boerenkrokussen in deze tijd van het jaar. 

Boerenkrokussen in grote aantallen
Foto: Loz (L. B. Tettenborn) - Eigen werk, CC BY-SA 3.0, Wikimedia

Ook de bosanemoon is hier in het westen dungezaaid, grote kans dat dit te maken heeft met het gebrek aan bos :(. Hier heb ik een tip voor lezers in het zuiden: het Savelsbos heeft prachtige (gele en witte) bosanemonen. Ik heb al weer heimwee als ik er aan denk. Feitelijk is de bosanemoon in Limburg geen stinsenplant omdat-ie er van nature voorkomt. In zowel het Bospark als de heemtuin vond ik slechts hier en daar een polletje van de plant, in de laagveengebieden komen ze alleen voor als de mens ze heeft aangeplant. Daar is het dus wel een stinsenplant. Bosanemonen behoren tot de ranonkelfamilie.

Bosanemoon

Stinsenplantjes komen uit verschillende plantenfamilies. Waar de krokussen dus bij de lissenfamilie horen en de bosanemonen familie zijn van de ranonkels komt de vingerhelmbloem uit de papaverfamilie.

Vingerhelmbloem (roze) met Oosterse sterhyacint (blauw)

De plant komt voor van Frankrijk en Italië tot in Noord-Rusland. Nederland is de enige plek in Noordwest-Europa waar de plant de kust bereikt. Je vindt ze vooral in de Zeeuwse en Hollandse duinen en lokaal op sommige plaatsen in Limburg, Gelderland, Utrecht en Overijssel. Rivieren zoals de Utrechtse Vecht, Maas en IJssel lijken een rol te spelen bij de verspreiding ervan. Op veel andere plaatsen, zeker in Groningen en Friesland, is het een echte stinsenplant. De naam van de plant komt van de handvormig ingesneden schutblaadjes van de bloemen.

Handvormig ingesneden schutblaadjes
Foto: Bernd Haynold - Eigen werk, CC BY 2.5, Wikimedia

De vingerhelmbloem lijkt op en is verwant aan de holwortel, die dus ook lid is van de papaverfamilie. De bladeren van die plant zien er anders uit en de holwortel mist de handvormige schutblaadjes. De naam is ontleend aan de holle wortelknol.

Holwortel

Holwortel groeit graag in vochtige, voedselrijke loofbossen met leem- of kleiachtige grond en aan beschaduwde slootkanten. In Nederland is holwortel een schoolvoorbeeld van een stinsenplant. De grond van de parkbossen waar holwortel voorkomt, is in het verleden verrijkt met van elders aangevoerd materiaal zoals bosgrond, mest en schelpengruis. Dit leverde een kunstmatig bodemsubstraat op dat de natuurlijke standplaats van holwortel benadert. Holwortel komt oorspronkelijk voor in Midden-, Oost- en Zuid-Europa. In Oost-Nederland is de plant misschien oorspronkelijk inheems.

In de Leiderdorpse heemtuin waren de wilde narcisjes niet te missen: er stonden honderden van de lichtgele bloemen met een diepgele 'trompet'. De wilde narcis komt voor in West-Europa, van Groot-Brittannië en Nederland tot in Midden-Spanje, oostelijk tot in Beieren en Italië. 

De plant komt in zeer beperkte mate in het wild voor in het Limburgse heuvelland. Zie je 'm op een andere plek in Nederland dan is het een stinsenplant.

Wilde narcisjes

Van stinsenplanten kan ik niet gauw genoeg krijgen. 'Overdaad schaadt hier niet': de grote groepen dragen bij aan het vrolijke lentegevoel dat deze plantjes oproepen. Het wordt mooi weer de komende dagen. Wil je ook op pad om stinsenplanten te zien? Voer dan op waarneming.nl in het zoekvenster een van bovenstaande soorten in en selecteer je provincie. Dan zie je waar jij terecht kunt voor deze lentebodes.

Woon je in Alphen aan den Rijn of omgeving, dan kun je 30 maart gratis met IVN mee op stinsenplantenexcursie. Klik hier voor de gegevens om je aan te melden. 

dinsdag 11 maart 2025

Schelpen zoeken: Noorse hartschelp, Zaagje en Otterschelp

De zee bij Rockanje

Een strandwandeling is altijd heerlijk, maar op een zonnige, nagenoeg windstille dag is het een extra mooie beleving. Natuurlijk speur ik naar schelpen in het zand. Waar het strand in Noordwijk vol ligt met halfgeknotte strandschelpen en Amerikaanse zwaardschedes, vond ik bij Rockanje toch ook wat andere soorten.

De Noorse hartschelp bijvoorbeeld, is vrij zeldzaam op het strand, behalve in Zeeland en op de Wadden waar ze iets vaker te vinden zijn. 

De Noorse hartschelp (midden) is familie van de kokkel

Ze hebben een gladde, driehoekige schelp die wel 7,5 cm hoog kan worden. De 20 tot 30 ribbels zijn zeer oppervlakkig en soms alleen als tekening aanwezig (bij jongere exemplaren). Noorse hartschelpen leven in de Noordzee en in meer zuidelijke wateren tot de Kaapverdische Eilanden. Levende Noorse hartschelpen zijn lichtgeel bij de top met oranjerode vlekken en een bruingroene schijn, vooral aan de randen. Oudere aangespoelde kleppen zijn meestal grijs of bruin. Dit zijn vaak fossiele exemplaren, die stammen uit de Eemtijd. Ze zijn ongeveer 100.000 jaar oud. 'Verse' Noorse hartschelpen spoelen alleen aan na een flinke storm, zoals de storm Floriane in januari van dit jaar.  

Noorse hartschelp (boven)

De Noorse hartschelpen zitten ingegraven tot 100 meter diepte. Bijzonder is dat de schelp een mechanisme heeft om te springen: als een Noorse hartschelp snel weg wil komen is het net een onderwater-kangoeroe. Hij kan grote sprongen op de zeebodem maken door gecontroleerd water uit te persen. De dieren filteren fytoplankton en organische voedseldeeltjes uit het bodemwater. De dieren hebben zowel mannelijke als vrouwelijke geslachtsorganen en produceren dus zowel zaad- als eicellen. Daarmee zijn ze een van de weinige tweeslachtige soorten binnen de familie van Europese kokkels, hartschelpen en doopvontschelpen (Cardiidae). Ze planten zich voort in het voorjaar en de zomer en leven ongeveer 3-5 jaar.

Verder speurend kwam ik ook een zaagje tegen. Deze soort is op alle Nederlandse stranden te vinden, maar is ook bepaald geen alledaagse vondst. Zaagjes hebben dunne, gladde schelpen met een gekartelde onderrand. Daar komt de naam vandaan :). Ik vind de kleur en fijne tekening van deze schelpjes erg mooi. Deze soort heeft een korte sifon (voor ademhaling en voedselopname), dus ze leven dicht bij de oppervlakte onder het zand. Door de stroming wordt de soort daardoor makkelijk losgewoeld. Met een grote, gespierde voet kunnen ze zich dan echter weer binnen enkele seconden ingraven.

Zaagje (midden)

Op zoek naar informatie over het zaagje kwam ik op NatureToday informatie tegen over de Landelijke Schelpenteldag op 22 maart 2025. Dan is er bijzondere aandacht voor het zaagje. Op die dag wordt geïnventariseerd hoe de verhouding is van aangespoelde linker- en rechterkleppen van het zaagje op Nederlandse stranden. Je zou verwachten dat je langs het hele strand linker- en rechterkleppen van schelpen in vergelijkbare hoeveelheden zou kunnen vinden, maar uit een eerdere inventarisatie van de Vlaamse schelpenteldag blijkt dat je op het ene strand vooral linkerkleppen vindt, en op een ander strandvak de rechterkleppen meer voorkomen. 

Ik ben eens benieuwd wat dit onderzoek gaat opleveren. En vooral zou ik willen weten (zoals altijd :)) waarom dit zo is. Maar ja, waaromvragen over de natuur zijn niet altijd goed te beantwoorden. 

Een andere dunne schelp die ik tijdens de wandeling aantrof is de otterschelp; de zeldzaamste om te vinden van de drie. De soort komt langs de Midden- en Zuid-Europese kusten voor tot in Zuid-Afrika. Sinds 2003 worden de schelpen wat vaker in Nederland gevonden. De otterschelp is een zogenaamde 'klimaatopschuiver': een oorspronkelijk meer zuidelijke soort, die mede door de opwarming van het zeewater nu ook in ons land voorkomt. 

Otterschelp (midden)

De otterschelp spoelt meestal in de winter en het voorjaar aan. De schelp kan tot twaalf centimeter breed worden, is wit gekleurd en met een schilferig bruingroen laagje (dat is er bij de schelp op bovenstaande foto al van af gesleten). Bij leven zitten deze schelpdieren tot dertig meter diepte, ingegraven in modderige bodems. Natuurlijk was ik benieuwd hoe deze schelp aan zijn naam komt. Dat is volgens NatureToday waarschijnlijk te wijten aan een foutje. Linnaeus gaf twee gelijkende schelpen de namen arenaria en lutraria. Dat eerste komt van het woord zand, en het tweede van otter. Maar waarschijnlijk is er per ongeluk een 'r' te veel ingeslopen: lutaria, zonder r dus, betekent namelijk slijk of modder. Dat is waar deze schelp leeft. Naast otterschelp gebruiken we in Nederland ook wel als andere naam: ovale slijkschelp. 

We bleven nog even genieten van de zonsondergang op het inmiddels stille strand. Het was een prachtige wandeling!

woensdag 5 maart 2025

De lente barst los!

Na een lange en zeer sombere winter hebben we nu echt heerlijk voorjaarsweer: zonnig en weinig wind. En 's ochtends een beetje rijp en mist voor de sfeer :). Rondstruinend in het Kromme Aargebied merkte ik dat de zon al behoorlijk krachtig is. Dat hebben de vogels ook door en ze zijn razendsnel aan het baltsen, paren en nestelen. In krap twee uur zag ik een hele parade aan lenteverschijnselen. Langs het veenriviertje zaten twee blauwe reigers op hun nest. Blauwe reigers zijn koloniebroeders, maar de kolonie hier moet nog groeien. Ik zag maar twee nesten. Of het tweede nest ook bezet is kon ik niet ontdekken. In de Kromme Aar vormden twee futen al een paar. Een derde fuut probeerde naderbij te komen, maar dat stond het stelletje niet toe. Een van de fuutjes bracht een takje naar het nest in aanbouw en nodigde de andere partij uit tot paring door de bestijghouding aan te nemen. Toen dat niet werkte probeerde de fuut nog de invitatiehouding (plat op het nest liggend). Maar ook die vlieger ging niet op. Meer over het paringsritueel van de futen kun je lezen in deze blog.

Fuut neemt de bestijghouding aan om de partner naar het nest te lokken

Twee wilde eenden zaten knus tegen elkaar aan in de zon. Hun verenkleed is nu op zijn mooist. Aan de verschillende snavelkleuren kun je man en vrouw altijd van elkaar onderscheiden, ook als de mannetjes in de rui zijn en in dit zogenaamde eclipskleed veel op vrouwtjes lijken. De mannen hebben een geel/groene snavel en de snavel van de vrouwtjes is oranje met bruine vlekken. 

Even verderop werd het gekrijs van halsbandparkieten steeds luider. Ik zag een paartje kroelen en uiteindelijk ook paren. De paring is een van de weinige momenten van de parkieten die ik nog niet eerder in beeld had. Bekijk dit filmpje van ongeveer 10 minuten dat ik maakte over het leven van de halsbandparkieten als je wilt zien hoe ze gedurende de vier seizoenen leven. Ze broeden in holen en zullen daarbij graag gebruik maken van de dode bomen in het heempark.

Halsbandparkieten klaar voor de paring

De hoge wilgen langs de Kromme Aar worden niet alleen gewaardeerd door de nestelende blauwe reigers en parende parkieten. Een duo aalscholvers had hier ook domicilie gekozen. Ze hadden net gevist en nu lieten ze hun verenpak drogen in de lentezon. Aalscholvers kunnen diep duiken omdat hun veren minder vettig zijn dan die van andere watervogels. Omdat ze het waterafstotende vetlaagje missen moeten ze met hun vleugels gespreid de veren laten drogen na het zwemmen. Nu ik het filmde viel me op dat de vleugels behoorlijk zijn; hun spanwijdte is 130-160 centimeter!

Aalscholver droogt zijn veren na het vissen

In het drassige gebied naast het riviertje huizen momenteel drie kwakken, waaronder een juveniel. Ik was al eens eerder gaan kijken, maar toen verscholen ze zich tussen de takken van de in het water staande wilgen. Nu zat er een te zonnen op een dwarsliggende boomstam. Nog altijd een eind weg, maar toch kon ik hem redelijk filmen. In 2017 zat er ook al eens een kwak in het gebied; die trok toen kijkers uit de verre omtrek. Ik schreef er deze blog over.

Verder kwam ik nog een ooievaar tegen die zijn nestplaats al had ingenomen, een buizerd die even op zijn gemak in een boom zat en ik hoorde tal van kleine zangvogels die hun lentelied lieten horen. Een roodborst keek nieuwsgierig over een takje wat die rare snuiter allemaal met haar camera aan het doen was. Dat zie je in het filmpje van deze week door hier te klikken