In het vroege voorjaar (maart) drijven dikke klodders kikkerdril op het wateroppervlak van onze vijver. Die dril is afkomstig van de bruine kikker. Het water is nog vrij koud maar de zon kan de dril met de zwarte eitjes snel opwarmen. Bruine kikkers zijn bruinig van kleur en altijd te herkennen aan de bruine vlek naast het oog. De herkenning van groene kikkers is echter niet zo simpel. Groene kikkers paren later in het jaar en hun dril met tweekleurige (zwart/wit)eitjes verdwijnt onder water, dat inmiddels wat meer op temperatuur is gekomen. De dril is minder zichtbaar voor predatoren die wel een hapje lusten. Om vrouwtjes te interesseren kwaken de mannetjes die daarvoor speciale kwaakblazen hebben. Ze willen niet voor elkaar onder doen dus als er eentje begint, hoor je vaak een heel koor. Bruine kikkers brengen niet meer dan een zacht gesnor voort, dus als je die in de vijver hebt krijg je geen burenruzie over geluidsoverlast :). In het park bij ons huis zag ik op een morgen groene kikkers, die nog af en toe een kwaak-concert gaven. Dan is de vraag: welke soort groene kikker is dat? Dat is dus moeilijk vast te stellen, want je hebt poelkikkers, meerkikkers en bastaarden van die twee. Die laatsten lijken soms wat meer op de ene ouder en soms wat meer op de andere en kunnen behoorlijk variabel zijn. De meerkikker leeft vooral in het westen van Nederland, de poelkikker meer in het oosten. En de bastaard? Die komt overal in ons land voor.
Stichting Ravon heeft er een herkenningskaart van gemaakt, maar ze geven aan dat de verschillen in het veld nauwelijks waar te nemen zijn. Ik probeerde toch een poging te wagen: er zaten donkere vlekjes in de iris (of was het 'iris is vrij donker'??) en de kwaakblazen waren volgens mij lichtgrijs. Ik heb 'm niet uit het water gehaald (daarvoor waren ze ook te schuw want ze lieten zich moeizaam benaderen) en bovendien zijn kikkers beschermd bij de wet, dus ik kon niet naar de onderkant van hun buik ('grijs gemarmerd' ?) kijken, maar door het water heen leek het wel zo. Al met al denk ik dat het bastaardkikkers waren. Maar zoals Ravon adviseert hou ik het maar op 'groene kikker (soort onbepaald)'. Verder zag ik nog jonge kauwtjes in het park die achter hun ouders aan hipten, maar ook al zelf op zoek naar voedsel gingen. Helaas kwamen ze daarbij ook plastic troep tegen, dat ze gelukkig niet doorslikten. Bekijk het in het filmpje door hier te klikken.
Zwarte stern, Cephas / CC BY-SA (https://creativecommons.org/licenses/by-sa/3.0)
Ergens eind van de vorige eeuw kocht ik het boek 'De wereld van de zwarte stern' uitgegeven door het wereldnatuurfonds (inmiddels te koop als 'drie boeken voor een tientje' :)). Ik las over deze sierlijke zwarte vogel die in de winter totaal wit is en na een maand of vier à vijf broeden en jongen groot brengen in onze streken naar het midden en zuiden van Afrika vertrekt om daar de winter door te brengen. De aantallen in ons land zijn in de loop van de jaren behoorlijk afgenomen en op dit moment zijn er nog maar zo'n 1400 broedparen in Nederland. Elk jaar nam ik me voor om eens op zoek te gaan naar deze mooie vogel, maar het kwam er nooit van. Ook dit jaar waren we al weer aan de late kant toen we eind juli naar de Krimpenerwaard gingen voor de zwarte sternwandeling van het Zuid-Hollands landschap. Het was een winderige dag in het open veld, zon en wolken wisselden elkaar af. Veel volwassen vogels gaan in juli naar het zuiden en hebben hun zwarte verenkleed dan gedeeltelijk geruid. De jonge vogels vertrekken in augustus en blijven hun hele eerste jaar in Afrika omdat ze dan nog niet broeden. Het zou er om hangen of we de sterns nog konden spotten. Op een hek hoorden we het vrolijke gekwetter van jonge boerenzwaluwen die klaar zaten om gevoerd te worden. Ze namen hun gemak er van en lieten zich de zorg van de oudervogels lekker aanleunen. Al snel zagen we sloten vol krabbenscheer, een oeroude plant. Het is de vertegenwoordiger van een plantengeslacht waarvan de oudste fossielen uit het Eoceen (vijftig miljoen jaar geleden!) stammen. Krabbenscheer is voor de zwarte stern een belangrijke plant omdat zij er hun nesten op bouwen. De stekelige blader-rozetten priemden in groten getale boven het water uit.
Krabbenscheer vormt grote velden
Voor de zwarte stern heeft deze plant de absolute voorkeur voor het maken van een nestje boven waterleliebladen en nestvlotjes die tegenwoordig geplaatst worden door natuurbeschermers omdat krabbenscheer zeldzaam wordt. De zwarte stern wil een drijvend nest, waar predatoren moeilijk bij kunnen. 'n Krabbenscheerplant weegt ongeveer 1 kilo en heeft luchtkamers om te blijven drijven. Het draagvermogen is ongeveer drie ons. Een volwassen vogel weegt 70 gram en de (meestal) drie kleintjes wegen bij de geboorte minder dan tien gram. Maar met maaltjes van kleine visjes, libellen en andere insecten loopt dat gewicht al snel op. Op een gegeven moment zijn ze zelfs zwaarder dan hun ouders, tot het babyvet wordt omgezet in vliegspieren. Dus zo'n krabbenscheerplant kan één gezinnetje net aan, mede omdat de ouders nooit tegelijk op het nest aanwezig zijn. Zwarte sterns keren elk jaar op dezelfde plek terug om te broeden en dat is met krabbenscheer nog niet zo makkelijk. De plant is een pioniersoort voor verlanding en na tien jaar kan die niet meer groeien op dezelfde plek. Behalve dit nadeel heeft de plant veel voordelen: de plant neemt veel zuurstof op in de luchtkamers, het water rond de plant is daarom zuurstofarm en bovendien donker door de dichte matten krabbenscheer.
Er groeien weinig andere planten in de buurt bij de krabbenscheer, dus roofvissen kunnen zich niet verschuilen en het is te donker om op zicht te jagen op de sternkuikens. Bloedzuigers vormen een andere bedreiging voor de jonge vogels, men vermoedt dat de giftige bladeren van de plant ze op een afstand houden. De stekelige punten houden aanvallen uit de lucht tegen, want geen kraai, kiekendief of meeuw wil het risico lopen zijn ogen of vleugels te beschadigen aan de scherpe randen.
Ter hoogte van de Berkenwoudse boezem kregen we de eerste zwarte sterns in beeld. Sierlijk vlogen ze boven het water op zoek naar voedsel. Helaas vlogen ze te snel weg om de camera erbij te pakken. Dat lukte een stukje verderop wel, waar de sterntjes boven een zandplaat vlogen en jongen (wit met zwart verenkleed) voerden. Maar met maximale zoom en maximale wind zijn dat niet echt goede beelden geworden. Behalve de boerenzwaluwtjes zagen we onderweg nog meer mooie dingen, dus bekijk het op je gemak in het filmpje door hier te klikken.
Een wandeling door het Limburgse heuvelland is altijd een traktatie, al werkte het weer niet helemaal mee op de maandagochtend dat we over de Kunderberg liepen. De zon liet zich af en toe zien, er vielen wat spatjes regen en het waaide flink. De Kunderberg staat bekend om zijn zeldzame bloemensoorten die goed gedijen op de kalkgraslanden zoals wilde majoraan, duifkruid, knikkende distel en het voor mij nog onbekende esparcette. Dat is een mooie roze vlinderbloemige, die een beetje lijkt op lupine. Maar de esparcette is kleiner dan lupine en de bloemetjes zijn subtiel gestreept. De soort is aangeplant als veevoer en vanuit de akkers verwilderd. Het waaide te hard om veel vlinders te zien, maar hier en daar viel er een enkel exemplaar te ontdekken. In de luwte van een bosrand warmde een boomblauwtje van de tweede generatie zich op. Aan de bovenkant zijn de mannetjes en de vrouwtjes van het boomblauwtje effen lichtblauw, de mannen hebben een brede zwarte vleugelrand. De onderkant is zilvergrijs met zwarte stipjes. De eitjes worden gelegd bij bloemknoppen. Hierdoor moet de eerste generatie van de boomblauwtjes, die in het voorjaar vliegt, andere waardplanten kiezen dan de zomergeneratie. De meeste planten hebben immers maar een korte bloeiperiode. In het voorjaar zetten ze de eitjes bijvoorbeeld af op hulst. In de zomer gebruiken ze klimop, vlinderstruik en de paarse kattenstaart. Boven het plateau jubelde een veldleeuwerik hoog in de lucht; een geluid dat ik associeer met mijn Limburgse jeugd, toen deze vogels zo gewoon waren dat je ze 's zomers altijd kon horen.
Veldleeuwerik Foto: wikimedia, By Diliff - Own work, CC BY-SA 3.0
Om vrouwtjes te imponeren stijgen de mannetjes tot wel 100 meter hoogte in de lucht om daar hun vrolijke lied te kwelen. Er schijnt een veldleeuwerik te zijn geweest die maar liefst 56 minuten in de lucht bleef zingen voor hij neerdaalde aan de voeten van zijn begeerde vrouwtje. Of zijn avances effect hebben gehad vermeldt het verhaal niet :). Van de 750.000 broedparen uit mijn jeugd zijn er nog maar 35.000 over, zo'n 5% vergeleken met de jaren zeventig. Verlies van leefgebied is hiervan de grootste oorzaak. We daalden door een holle weg af richting Heerlen en kwamen bij een gebied met akkerbouw, waar de veldleeuweriken nog steeds te horen waren boven de gerstvelden. De wolkenlucht begon er dreigender uit te zien, met de glooiende groene en goudkleurige akkers eronder was het wel een prachtig gezicht. We konden ons brood nog oppeuzelen in de zon, maar die ging daarna al snel schuil achter de wolken. We zaten net in de auto toen de eerste spetters van een flinke regenbui afketsten op de voorruit. Loop de wandeling met ons mee in het filmpje door hier te klikken.
Na alle frisse kleuren van het voorjaar begint de natuur er al weer een beetje verfomfaaid uit te zien: de bladeren worden aangevreten en zijn bestoft geraakt. Zaden worden gevormd en er zijn al bladeren die rood of bruin verkleuren. Datzelfde proces is ook in mijn tuin te zien. Maar op een typische Nederlandse zomerdag, rond de twintig graden en afwisselend bewolkt en zonnig, nam ik toch de camera ter hand. Ik besloot te focussen op structuren en het gefilterde licht dat door de bladeren scheen. Dat laatste hoort voor mij helemaal bij de zomer. Ik zette de knop op mijn camera op zwart/wit. Hiermee camoufleerde ik het verval, want als je de dorre bruine kleuren niet ziet, worden zelfs de gaten in een rabarberblad fotogeniek. Het luchtverkeer vanuit Schiphol was nog steeds niet op het oude niveau en ik genoot van de stilte en het nu hoorbare gezoem van de insecten. Een muntvlindertje verdween in een bloemkelk en leek als een mier de bloem aan de andere kant te verlaten :). Dat geeft wel aan hoe klein dit vlindertje is, niet meer dan één tot anderhalve centimeter. Deze soort wordt dan ook gerekend tot de microvlinders. Het is een nachtvlinder, maar dan een dagactieve. In een eerdere blog heb ik al eens uitgelegd hoe dat zit met dag- en nachtvlinders.
Muntvlinder
Afijn, dat muntvlindertje moet je even wat beter bekijken, want met zijn paars/oranje mantel ziet-ie er fraai uit. Je kunt hem in grote delen van het land zien, behalve op de droge zandgronden. In tuinen komen ze veel voor en tijdens de tuinvlindertelling worden ze dan ook vaak gezien. Zoals de naam al doet vermoeden, is er een link met munt, en dan vooral watermunt. Dat is de waardplant van de rupsen. Die groeit in onze vijver, dus de aanwezigheid van dit insect kan geen verrassing zijn. Maar de rupsen kunnen ook toe met andere planten zoals citroenmelisse, oregano en kattenkruid. Muntvlinders leven in twee generaties. De zomergeneratie kun je nu zien, die vliegt van juli tot oktober. De ontwikkeling van ei tot vlinder gaat bij deze generatie razendsnel: twee weken als rups en één week als pop en dan is de vlinder klaar om uit te vliegen. De eitjes die deze generatie legt, zorgen voor de nieuwe lichting in het voorjaar. De rupsen overwinteren in een samengevouwen bladeromhulsel. In april verpoppen ze en deze voorjaarsgeneratie kun je tot juni zien. Droom even weg bij het relaxte zomerfilmpje door hier te klikken.
Prachtige wolkenluchten torenden hoog boven de polder uit
Op een mooie zomeravond - na een werkdag waarop we ons weer eens acht uur blind hadden gestaard op het thuiswerkcomputerscherm - besloten we er nog even op uit te gaan. De zonsondergang zou wel eens een mooie kunnen worden, dus besloten we voor een wandelingetje langs de Wijde Aa, met goed uitzicht naar alle windstreken. Het pad tussen de parkeerplaats en de Wijde Aa werd opnieuw geasfalteerd maar we mochten er nog even langs glippen. Prachtige wolkenluchten torenden hoog boven de polder uit en naarmate de zon lager stond, kleurden ze meer en meer roze. Kieviten streken neer in het pas gemaaide gras en we ontwaarden nog een paar andere vogels: het bleken zowaar kemphaantjes te zijn! Boven ons stond een torenvalkje biddend in de lucht. Tegen de wind in speurde de vogel naar een prooi. Dat bidden heeft niks te maken met het opzeggen van een gebedje, maar is waarschijnlijk een verkeerde vertaling van het Engelse woord preying dat 'een prooi zoeken' betekent. Dat klinkt weliswaar hetzelfde als 'praying' (dat bidden betekent), maar is toch wel wat anders. Op een gegeven moment dook de valk omlaag: er was een muis verschalkt. Dat is het favoriete voedsel van de torenvalk. Daar is jaren onderzoek naar gedaan. Zo stuitte ik op een artikel van Rob Bijlsma in het blad Takkeling in 2012. De introductie van het artikel kwam nogal als een schok in onze huidige beleving. "Als je een eeuw geleden wilde weten wat een roofvogel at, haalde je het geweer uit de gangkast. Aan de hand van de inhoud van magen en kroppen uit de geschoten roofvogels waren prooilijsten samen te stellen die een accuraat beeld schetsten van wat roofvogels zoal op hun menu hadden staan....Ruim een eeuw geleden waren de bevindingen van Dr. Georg Rörig (1903,1907,1910) een belangrijke doorbraak in de kennis van roofvogels als onderdeel van een ecosysteem. Zijn roofvogels waren overwegend in Noord- en Midden-Duitsland bij elkaar geknald, waaronder 1237 Buizerds, ‘maar’ (zijn eigen aanhalingstekens) 180 Haviken en 516 Torenvalken. In de magen van Torenvalken vond hij 3 spitsmuizen, 642 muizen, 1 rat, 1 jonge haas, 20 vogels, 9 zandhagedissen, 1 hazelworm, 125 insecten en 1 spin."
Biddende torenvalk
Anno 2020 is het niet meer voor te stellen dat roofvogels neergeschoten worden voor onderzoek. Sinds de grote neergang in aantallen aan het eind van de vorige eeuw (voornamelijk te wijten aan het pesticidengebruik dat zich opstapelt in het lichaam van toppredatoren), zijn we blij dat er weer wat meer roofvogels rondvliegen. Gelukkig ging men rond de dertiger jaren van de vorige eeuw al over op een andere manier van onderzoek: men bekeek prooiresten en braakballen. Ook daar keek men niet op eentje meer of minder: "Nog wat later ging Otto Uttendörfer (1939, 1952) van start met het uitpluizen van braakballen en het verzamelen van geplukte prooien. Uttendörfer en zijn medewerkers waren vrijwilligers, die al in 1939 konden bogen op een prooicollectie van 255.314 gewervelde dieren, vastgesteld bij 21 soorten roofvogels en uilen." Torenvalken eten vooral muizen en daar blijven weinig prooiresten van achter in het veld. Daarom leunt het voedselonderzoek bij deze soort sterk op de braakballen. En dat heeft ook zo zijn nadelen. "Roofvogels hebben een sterk maagsap. Iedereen die wel eens braakballen van een Torenvalk heeft uitgeplozen, weet dat zoiets een tamelijk teleurstellende bezigheid is. Je moet echt heel goed kijken en zoeken, en dan nog zal hooguit 38% van de prooien via pluizen en op het oog identificeren van resten aan het licht komen. Bij andere experimenten bleek dat van muizen slechts ruim 16%, en van vogels ruim 8% van de aangevoerde prooien in braakballen werd teruggevonden. En dan heb ik het nog niet over de insecten (en andere ongewervelden) gehad; hoe die in vredesnaam te kwantificeren? Niet voor niets volstaan veel torenvalkonderzoekers bij hun prooianalyses met de vermelding dat er veel/weinig insecten in de braakballen werden gevonden. Zelf telde ik koppen, halsschilden en elytra (kevers), legboren, furficula (de ‘tangen’ aan het achterlijf van oorwormen), vleugels (sprinkhanen) en andere herkenbare unieke delen van insectenskeletten. Maar of die insecten door de valken gevangen waren, of via een prooi waren meegekomen, staat er natuurlijk niet bij. Het blijft dus behelpen."
Afijn, na zo'n dertig jaar tellen in Drenthe en veertig jaar onderzoeken op de Veluwe kan de conclusie getrokken worden dat de muis het hoofdvoedsel is van de torenvalk. De rest van de prooien is 'klein bier', zoals je in onderstaande tabel kunt aflezen.
Voedsel van torenvalken, Bron: Rob G. Bijlsma, de Takkeling (2012)
Als je goed kijkt zie je dat de valk in het filmpje een typische prooi gevangen heeft: een muis die je heel even in de snavel ziet tussen het lange gras. Toen de zon onder was, liepen we terug naar de parkeerplaats, waar we met moeite de auto konden bevrijden tussen alle asfalteermachines die inmiddels waren aangerukt :). Bekijk het filmpje door hier te klikken.
Aan de rand van de sloot voor ons huis staat een zoete kersenboom. Bij het ochtendgloren hoor ik al het harde krijsen van de halsbandparkieten die gretig de kleine kersen opeten. Bomen en struiken met eetbare vruchten zijn niet alleen bij dieren in trek, maar ook bij mensen zo lang als de mensheid bestaat. Eerst waren alleen de wilde autochtone vruchtsoorten voorhanden, maar door handel en kweken kwamen soorten met grotere vruchten op de markt. Vanaf de nieuwe steentijd werden vruchtbomen aangeplant bij de boerderij en werden op die manier onderdeel van ons cultuurlandschap. Soorten die door mensen in cultuur zijn gebracht zijn onder andere sleedoorn, pruim, zoete en zure kers, appel en peer, hazelnoot en mispel. Maar voor die tijd moesten we het doen met wat de natuur ons bood. Onze oorspronkelijke natuurlijke bossen waren arm aan eetbare vruchten. Vóór de komst van de eerste landbouwers was het vooral de hazelaar die als ondergroei van de eikenbossen groeide en de noten daarvan waren erg populair vanwege hun smaak en voedingswaarde. Eikels werden ook wel gegeten (in gepofte vorm) maar vermoedelijk meer als noodrantsoen. In de bosranden stonden de sleedoorns met een wat wrange, maar na een vorstperiode eetbare vrucht. De zure pruimpjes werden toen wellicht meer gewaardeerd dan nu omdat de mensen minder gewend waren aan suiker. Ook werden de vruchten van de wilde lijsterbes, bramen, vogelkers, gewone vlier, rode en blauwe bosbes en de schijnvruchten van meidoorns en rozen verzameld. Mogelijk werden zelfs de zaden van grove den en linden gegeten. In de nieuwe steentijd, (zo'n 5000 jaar geleden), bereikt de beuk met eetbare zaden onze noordelijke streken. De migratie ervan werd waarschijnlijk een handje geholpen door de mens. Ook de wilde appel en wilde peer dateren vermoedelijk uit deze periode.
Zoete kers of boskriek
Van nog latere datum zijn de zoete kers, die ook wel boskriek wordt genoemd, de kroospruim en kerspruim die door de Romeinen werden geïntroduceerd. Die brachten bij hun veroveringen van Noord-Europa ook soorten als de walnoot, mispel en tamme kastanje naar onze streken. De zoete kers komt in ons land van nature voor in het zuid-oostelijke deel. Vooral in Limburg zie ik ze vaak in bossen en langs holle wegen, waar de grond bezaaid is met de pitten en paarsige vlekken van het vruchtvlees. Vogels, maar ook dassen kunnen zich flink tegoed doen aan het fruit. Hoewel de zoete kers de basis is voor onze kersenteelt, is het belang daarvan afgenomen omdat de zoete kers niet als laagstam te kweken is. En de tijd dat mensen de boomgaard in gingen op lange ladders om de kersen te plukken is al lang voorbij. Het is te arbeidsintensief en daarmee te duur. Vogels hebben daar geen last van, ze strijken neer op een tak en kunnen smullen van de kersen. Toch zul je in het filmpje zien dat ze soms nog wel wat capriolen uit moeten halen om bij de zoete vruchten te komen. Het kauwtje neemt daarom genoegen met de kersen die op de grond zijn gevallen. Een jonge ekster gaat nogal onhandig te werk, ik vind het moment dat-ie een blaadje optilt om te kijken of er een kers onder groeit wel grappig. Bekijk hoe de halsbandparkieten zich te goed doen aan het fruit. Er zijn dit jaar weer een flink aantal jonkies van deze groene exoten geboren. Je herkent ze aan de 'babyogen' (donker) en kleinere snavel. Niet alleen de kersen zijn rijp, maar ook andere zaden en vruchten zijn al (bijna) zover. Klik hier om het filmpje te bekijken.
Een jaar of twintig geleden timmerde ik zelf een mussenkast; drie nestkastjes aan elkaar omdat mussen koloniebroeders zijn en graag elkaars gezelschap opzoeken.
Zal ik de sprong wagen?
Het goede nieuws is dat ik een heel degelijk bouwwerkje heb opgeleverd want het is nog steeds in goede staat. Het slechte nieuws is dat er nooit mussen in hebben gebroed. Toch is het middelste van de drie nestkastjes vrijwel elk jaar bezet: door een koolmezenpaartje. Jaar na jaar zien we de bouwactiviteiten van het nest. Het in ons gazon rijkelijk aanwezige mos wordt daar dankbaar voor gebruikt. De sierappelboom is in gebruik als uitkijkpunt en aanvliegroute naar de noordelijke ingang van de nestkast. Dan blijft het een tijdje stil, het broedende vrouwtje krijgt gedurende de twee weken dat ze op de eieren zit af en toe een hapje aangereikt van manlief. Op een dag horen we hele zachte piepjes: de kleintjes zijn uit het ei gekropen. Ze wegen maar twee gram. Nu breekt er voor vader en moeder een drukke periode aan, want als het goed is moeten de vogeltjes nu één gram per dag gaan groeien tot ze ongeveer 17-18 gram wegen. Rupsjes en ander dierlijk voedsel wordt aangesleept. De kleine vogeltjes worden een kleine drie weken gevoerd. Op het hoogtepunt - als de jonkies flink gegroeid zijn - zijn daarvoor wel 600 voedselvluchten per dag nodig. Ik ben er blij mee, want er wordt in onze tuin dan flink aan plaagbestrijding gedaan :). Elk jaar hoop ik getuige te zijn van het uitvliegen van de jonge meesjes. Eén keer zag ik twee kleintjes op de pergola zitten, maar het moment suprême had ik gemist. Vorig jaar heb ik hele middagen met de camera in de aanslag in de tuin gezeten, maar toen kozen de mezen het moment uit dat wij naar de supermarkt waren. Toen we terugkwamen klonk er geen gepiep meer uit vogelkeeltjes en was het nestje leeg. Thuiswerken ten tijde van de lockdown heeft dan toch nog een voordeel opgeleverd. Omdat we de hele dag thuis waren en de keukendeur door het mooie weer openstond konden we de verrichtingen in en om het nestje volgen. Als het tijd wordt om uit te vliegen, stoppen de ouders namelijk met voeren en maken ze lokgeluidjes om de kids aan te sporen om uit het overvolle nestkastje te komen. Uiteindelijk ging er toch nog heel wat tijd overheen eer de eerste mees de sprong waagde.
De jonge koolmees, net uit de kast
Ik had de moed al bijna opgegeven en de camera in de keuken gezet toen het toch nog leek te gaan gebeuren. Na vele verkenningsacties waarbij de koolmees vanuit het nestkastje met zijn jonge koppie parmantig de wereld in keek, vloog de vogel uit. Hij moest nog wel wennen aan het felle buitenlicht en even bijkomen van de sprong in het diepe terwijl hij op de leuning van de tuinstoel zat. Hij verplaatste zich naar de rozenstruik waar hem nog een maaltje werd gevoerd. De volgende dag was het hele nestje leeg, alle vogels waren succesvol uitgevlogen. Je kunt het hele proces zien in het filmpje door hier te klikken.
In een onopvallend hoekje langs de straat stonden wat klaprozen in bloei. Het was nog vroeg en dauw parelde op de bladeren en het vurige rood van de bloemen. Als kind had ik al een zwak voor klaprozen en als de knop enigszins open was gebarsten. 'hielp' ik de bloemen door het groene omhulsel te verwijderen. Ik weet niet of ik de klaprozen daar een plezier mee deed, maar ik keek gefascineerd naar de dunne, kreukelige bloemblaadjes die allengs strakker en groter werden. Onderzoekers Van der Kooi en Stavenga van Rijksuniversiteit Groningen hebben onderzoek gedaan naar klaprozen en vonden uit dat de bloemblaadjes maar uit drie lagen cellen bestaan. Superdun dus! Alleen de twee buitenste cellen hebben kleurpigmenten dus het is een wonder dat zo'n dun laagje voor een enorme kleurexplosie kan zorgen. Klaprozen hebben enorm veel pigment opeengepakt in die buitenste cellen en die zijn ook nog eens bijzonder van vorm. Casper van der Kooi legt het zo uit: "De gepigmenteerde cellen hebben een aparte vorm, met heel veel instulpingen waardoor ze er als een soort puzzelstukjes uitzien. Ze vormen zo een groot aantal met lucht gevulde holtes tussen de cellen, die zorgen voor reflectie van licht op de grens tussen cel en lucht". Dus een combinatie van veel pigment en verstrooiing van licht zorgt voor die krachtige kleuren. De donkere vlek die je bij sommige soorten in het midden van de bloem ziet, is niet zwart maar een grote opeenhoping van rode kleurstoffen. De klaproos heeft nog meer geheimen.
Europese klaprozen reflecteren UV-licht
om bestuivers aan te trekken
De plant komt oorspronkelijk uit het Midden-Oosten. Daar wordt de bloem bestoven door kevers, die prima rood kunnen zien en de klaproos dus makkelijk kunnen vinden. In Europa zijn het echter vooral bijen en hommels die voor de bestuiving zorgen. En die insecten kunnen geen rood zien. Toen het verspreidingsgebied van de klaprozen opschoof naar Europa moest er dus iets gebeuren om bestuivers aan te trekken. De Europese klaprozen hebben zich aangepast door ultraviolet licht te reflecteren, want dat kunnen bijen en hommels wel zien (mensen niet overigens). De klaprozen uit het Midden-Oosten hebben die aanpassing niet; zij reflecteren geen UV-licht. Bekijk de klaprozen met nieuwe ogen in het filmpje door hier te klikken.
Voor ons huis was een meerkoet 'n tweede nest aan het bouwen: bladeren werden vervlochten met rietstengels op een groot platform. Als stampend maakte de vogel er een kuiltje in. Het eerdere broedsel had blijkbaar één kuiken opgeleverd, daar zwom de andere ouder mee rond. De waterhoentjes hadden maar liefst vier jongen te voeden. De kleintjes dribbelden bedelend over de bladeren van de gele plomp. Ook de waterlelie stond op het punt om te gaan bloeien, daarop streek een juffer neer om even op te warmen in de zon. Het lijkt zo gewoon, maar om als plant in het water te groeien zijn bijzondere aanpassingen nodig. Planten op het land nemen mineralen en water op door middel van hun wortels. Huidmondjes aan de onderkant van de bladeren zorgen voor de uitwisseling van gassen (kooldioxide en zuurstof) uit de lucht. Onder water ligt dat allemaal wat ingewikkelder, want in het water zijn er minder gassen beschikbaar. Planten zoals de gele plomp en de waterlelie hebben daarom flinke luchtkanalen in hun stengels. De waterlelie heeft vier grote luchtkanalen, de gele plomp heeft een groot aantal kleinere. Je zou kunnen zeggen dat ze een soort ‘snorkel’ hebben om hun wortelstokken van voldoende zuurstof te voorzien. Aan het uiteinde van die snorkel zitten de bladeren.
Waterhoenjong op het blad van gele plomp
Door luchtblaasjes blijven die drijven op het wateroppervlak. Anders dan bij de landplanten zitten de huidmondjes bij deze bladeren aan de bovenkant, zodat ze niet verstopt raken met water. Om die reden hebben de meeste drijfbladeren ook een glanzend waslaagje: als er water op komt, glijdt het er snel weer vanaf. Het waslaagje helpt ook om de sterkere zonnestraling op het water te weerstaan. De stengels van waterplanten zijn slap. Zo kunnen ze zich aanpassen aan wisselingen in het waterpeil en blijven de bladeren netjes drijven. Aan de gele plomp komen na verloop van tijd mooie groene zaaddozen. Ze vergaan langzaam waarna de zaden ergens op de bodem van de sloot een nieuwe plant vormen. Bij de waterlelie verdwijnt de bloem na de bloei onder water, en vormt daar een zaaddoos. Daar zien we in het algemeen weinig van. Als ze nog niet bloeien kun je aan de vorm van de bladeren zien om welke plant het gaat: de waterleliebladeren zijn ronder en die van de gele plomp ovaler.
Bekijk de planten en het jonge grut in het filmpje door hier te klikken.
Nu de voorjaarsdrukte in de natuur voorbij is, ga ik de frequentie van mijn blogs weer terugbrengen naar één keer per week. Dus mijn volgende blog kun je volgende week zaterdag lezen.
Soms ga ik op pad met mijn camera en lijkt er ogenschijnlijk weinig te gebeuren in de natuur. Dan denk ik: vandaag kom ik met lege handen thuis. Maar dat gebeurt eigenlijk nooit. Ook deze ochtend had ik geluk. In het achterste, wat 'wildere' deel van het park hoorde ik gepiep opklinken uit vogelkeeltjes. Ik tuurde tussen de bladeren door en zag op een tak drie jonge winterkoninkjes die zaten te bedelen om voedsel. De inderhaast opgestelde camera registreerde het niet helemaal scherp door de drukke voorgrond, maar ik heb het shot toch maar in de film opgenomen. Het was mijn eerste waarneming van winterkoningkleintjes. Twee verdwenen snel in de ondergroei, maar de grootste durfal bleef nog even zitten terwijl er achter mij gefietst en gewandeld werd (met hond en al). Dat vogeltje kreeg ik wel scherp in beeld. De winterkoning heeft veel familieleden in de subtropische delen van Amerika, die bekend zijn om hun prachtige zang. Dat onze winterkoning er ook heel wat van kan, heb je in een eerder filmpje uit het park gezien. Hij produceert een groot volume, voor een vogel die het gewicht van twee A4-tjes heeft. Ik had meerdere winterkoningen in het park gehoord en minstens één heeft er dus een nestje gebouwd en nakomelingen voortgebracht. Dat betekent dat er meerdere nestjes in het park te vinden zijn, want een winterkoning neemt geen genoegen met één nest. Mannetjes en vrouwtjes bouwen meerdere nesten, niet alleen dat ene, waarin ze uiteindelijk hun eieren zullen leggen. De nesten, die niet voor het grootbrengen van de jongen dienen, worden speelnesten genoemd. Ze zijn niet zo goed en zorgvuldig bekleed als het 'echte' nest.
Foto: Sonja Kübelbeck,
CC BY-SA 3.0, wikimedia
Een winterkoningnest is in verhouding tot zijn bewoners verwonderlijk groot. Het is kogelrond met een ingang opzij, meer een hol dus. Het is gemaakt van mos en bladeren en is daardoor heel moeilijk te ontdekken in een natuurlijke omgeving. Het is een ingenieus weefsel van takjes en dorre blaadjes, mossen en korstmossen. Die bestanddelen zijn daarbij zo kunstig en stevig samengevoegd, dat het er uitziet alsof ze aan elkaar zitten vastgelijmd. De vederlichte vogeltjes moeten ontelbare keren wegvliegen en met een halmpje of blaadje in de snavel weer terugkomen om dit kunstwerkje te voltooien. Een winterkoningnest kun je zowel in boomkruinen vinden als ergens beneden op de grond, maar ook in holen in de grond, in gaten in bomen of muren, in rotsspleten, onder daken van huizen, in struikgewas of in hagen en houtstapels. En de broednesten zijn daarbij van binnen ook nog heel mooi en zacht met witte veertjes bekleed! Jonkies keren nog lange tijd naar zo'n nest terug om er te slapen of te schuilen bij slecht weer, tot ver in de winter. In heel koude winters gaan de ouders er ook nog schuilen. Toch heb ik de kleine winterkoninkjes er niet meer gezien in de buurt. Ik heb dus gewoon geluk gehad en volop genoten van die paar ogenblikken dat ik ze kon bekijken. Inmiddels was de zon hoger geklommen, ze scheen prachtig door de bladeren. Op open plekjes zoemden insecten op de bloemen van braam en kornoelje. Hommels hadden de stuifmeelkorfjes op hun schenen behoorlijk gevuld en torsten heel wat extra gewicht mee. Dat kan oplopen tot één derde van hun lichaamsgewicht. Bekijk het allemaal in het filmpje van deze week door hier te klikken.