zaterdag 5 december 2020

Een kleurrijke vogel zonder veel kleur

Vorige week eindigde mijn blog met een raadsel. Na een heel verhaal over pigmenten en structurele kleuren gaf ik aan dat deze blog zou gaan over een kleurrijke vogel zonder veel kleur. Wel hier is-ie dan:

Foto: Joefrei - Own work, CC BY-SA 3.0, wikimedia

Ik zou willen dat ik deze foto zo had kunnen maken, maar ik ben blij dat het Joefrei wel gelukt is. Zo zie je de blauwe kleur van het verenpak heel mooi. Inmiddels weet je dat deze vogel niet echt zo blauw is (er zitten geen blauwe pigmenten in zijn verenkleed), maar wij zien de blauwe kleur doordat licht van de korte blauwe golflengte weerkaatst wordt door structuren in de veren. In feite is het een optische illusie, maar wel een hele mooie. 

Ik liep het park in om te filmen toen een man mij aansprak: 'Ik heb hier een paar dagen geleden een ijsvogel gezien'. Dat is altijd een bijzondere waarneming natuurlijk. Het is denk ik wel twintig jaar geleden dat ik in dit parkje een ijsvogel spotte. Dat was in een strenge winter, toen bijna alle water dichtgevroren was en er bij een duiker nog een beetje water open was. Ik vroeg aan de man waar hij de vogel had gezien en hoopte dat ik op één van mijn struintochtjes de mazzel zou hebben om 'm ook te bekijken. Er waren genoeg andere vogels actief in het park. Een ekster schudde zijn verenpak uit en ging op zoek naar een hapje. Halsbandparkieten aten schors van de pas gesnoeide treurwilg. Ik legde de wilde eenden vast die nu in vaste koppeltjes rondzwemmen. Ik ontdekte zelfs een stelletje nieuwkomers: twee krakeendjes. Wat mijn eigen waarnemingen betreft een nieuwe soort in het park. Ik stond nog even te dralen bij twee waterhoentjes toen ik vanuit mijn ooghoek een blauwe flits opmerkte. De ijsvogel kwam aanvliegen en tussen een wirwar van takken op het eilandje in de vijver ging zij zitten (helaas voor de filmerij: in de schaduw). De verschillen tussen mannen en vrouwen ijsvogel zijn niet groot. Alleen aan de kleur van de snavel is het geslacht te herkennen. De ijsvogel op bovenstaande foto is een mannetje: zijn snavel is zwart. Het ijsvogeltje in de film heeft een oranje ondersnavel en is daarmee te identificeren als een vrouwtje. Aan de oranje poten is te zien dat het om een volwassen vogel gaat. Juveniele ijsvogels hebben zwarte pootjes en een witte snavelpunt. Ik hoop dat deze vogel hier zijn domicilie kiest en wellicht in het voorjaar ergens een nestje maakt. Het kan echter ook een wintergast zijn, die net uit Polen is aangekomen. 

Vorige week liet ik het woord biomimicry vallen: technologie gebaseerd op inzichten uit de natuur. Ook de ijsvogel heeft techneuten geïnspireerd: de vorm van de snavel is namelijk flink gestroomlijnd. Als een ijsvogel pijlsnel en geruisloos het water induikt spat het water nauwelijks op. Een Japanse ingenieur heeft bij het maken van een verbeterd ontwerp voor een supersnelle trein gebruik gemaakt van die inzichten rond de dolkvormige ijsvogel-snavel. De trein rijdt nu nog sneller, is energiezuiniger en veroorzaakt minder luchtdrukproblemen. Overigens is de ene ijsvogel-snavel de andere niet. Britse wetenschappers maakten vorig jaar 3D modellen van de snavels van liefst 31 soorten ijsvogels en onderwierpen die aan allerlei tests. De meest hydrodynamische snavel behoort toe aan de Groen-bruine ijsvogel – de Chloroceryle inda, bewoner van het Amazonegebied. 

Bekijk de ijsvogel en andere vogels in het park in dit filmpje waarin ook de bladeren van eik en beuk gaan kleuren. Een teken dat de herfst overgaat in de winter. Klik hier om het filmpje te bekijken.



zaterdag 28 november 2020

Leren van de natuur om giftige verfstoffen te vermijden

De herfst is bij uitstek het jaargetijde van de kleur. Waar we in het voorjaar blij zijn met het frisse groen en het geel, wit en roze van bloeiende bloemen is het najaar veel uitbundiger qua kleur. In het park zag ik hoe de Amerikaanse es en de smalbladige es van rozerood naar oranje en geel verkleurden. Hoe kleuren ontstaan fascineert mij enorm. Al tijdens mijn natuurgidsenopleiding (bijna twintig jaar geleden) ben ik in dat onderwerp gedoken en hield ik er een presentatie over. Ook onderzoekers blijven met het onderwerp bezig en ontdekken nog steeds nieuwe dingen. Daarover later meer. Kleuren ontstaan door lichtbreking en door pigmenten. 

Carotenoïden in de natuur

De voornaamste functie van pigmenten in planten is de fotosynthese, die groen pigment gebruikt, genaamd chlorofyl, samen met andere rode en gele pigmenten die planten helpen om zo veel mogelijk licht te vangen. Chlorofyl absorbeert geel en blauw licht terwijl het groen reflecteert. Omdat chlorofyl veel voorkomt in planten, hebben planten een groene kleur. Een andere functie van pigment in planten is het aantrekken van insecten tot bloemen om de bestuiving te bevorderen. Carotenoïden (zoals de oranje kleur van worteltjes) komen het meest voor in de natuur; meer dan 600 soorten. Eén daarvan is lycopeen, dat tomaten hun mooie rode kleur geeft. Luteïne behoort ook tot deze groep, het is een geel pigment dat in fruit en groente voorkomt, bijvoorbeeld in bananenschillen. Daarnaast zijn er nog 250 soorten anthocyanen. Ze hebben een paarsrode kleur, denk hierbij aan rode kool. Hoe sterk een kleur overkomt, hangt van de concentratie van de pigmenten af. Natuurlijke pigmenten werden vroeger gebruikt als verfstoffen. Dat was een bewerkelijk proces en niet altijd even kleurvast over langere tijd. Inmiddels worden de meeste verfstoffen chemisch samengesteld (en niet altijd even milieuvriendelijk).  

Chlorofyl of chartreuse?

De meest heldere kleuren in de natuur, zoals felblauw, worden niet door pigmenten gecreëerd, maar door lichtverstrooiing. Dat noemen we structurele kleuren, omdat ze ontstaan door lichtweerkaatsing op hele kleine onregelmatige structuren, bijvoorbeeld in veren of door stofdeeltjes in de lucht. Dat lukt het best bij kleuren met een korte golflengte zoals blauw en groen en minder of helemaal niet bij kleuren met een lange golflengte zoals rood, geel en oranje. Onderzoekers willen nu gaan bekijken of het mogelijk is de structurele kleuren te gaan gebruiken in de verfindustrie. Ze willen dus verf gaan maken zonder giftige (chemische) pigmenten maar met kleine structuren die zorgen voor kleuren door lichtbreking. Hiermee zouden zelfs metallickleuren gemaakt kunnen worden. Maar.... geen roodtinten dus. Misschien moeten ze daarvoor andere structuren creëren of een combinatie maken van structuren en pigmenten. De natuur als inspiratie voor technologie wordt biomimicry genoemd. Dit is er een mooi voorbeeld van. Ik ben benieuwd op welke termijn we dit soort verf op onze muren kunnen aanbrengen. Intussen genieten we van de kleuren die de natuur ons te bieden heeft. En daar heeft de mens dan weer allerlei mooie namen voor verzonnen. Ik heb de beelden van het filmpje van deze week gemonteerd op de tekst van muzieknummers over kleur, gemaakt door Monk Turner. Geel, goud en zilver zijn wel bekend. Fuchsia is een rozerode kleur, zo ver kwam ik met wat tuinkennis ook nog wel. Chartreuse zei me niks, dus ik moest dat opzoeken en kwam erachter dat dit een soort limoengroen is. En bistre is grijsbruin. Geniet van het filmpje en de kleuren door hier te klikken


Volgende week gaat mijn blog over één van onze kleurrijkste vogeltjes, dat eigenlijk weinig kleur heeft. Misschien kun je op basis van bovenstaande tekst al raden welk vogeltje ik bedoel? 

zaterdag 21 november 2020

De 'Nederlandse' grauwe gans heeft gemengd bloed

Ganzensoorten zijn niet altijd makkelijk
te onderscheiden:
boven links: kolgans, rechts: grauwe gans
onder links: kleine rietgans, rechts: taigarietgans
Bron: Thorburn, Archibald - biodiversitylibrary.org

In de loop van oktober en november komen vele ganzensoorten naar Nederland om te overwinteren, mid winter bereiken de aantallen een maximum van 2,3 miljoen dieren. Net na zonsopgang zag ik vanuit het park ganzen in groepjes overvliegen. Kolganzen (met een witte 'kol' boven de snavel) en de in grijs/zwarte tinten gehulde brandgans zijn in de winter het talrijkst. Een andere veel voorkomende gans is de grauwe gans. Deze vogel werd al in 1895 als broedvogel gespot in ons land. Het zijn forse ganzen met een flinke snavel. Daarmee kunnen ze de wortelstokken van riet en knollen van zeebies eten. In de loop van de twintigste eeuw werden steeds meer moerassen drooggelegd, waardoor er minder leefgebied overbleef. Tegelijkertijd werden de grauwe ganzen meer bejaagd. Rond 1935 broedden nog maar enkele paartjes in Nederland en men vermoedde op een gegeven moment dat de soort in ons land als broedvogel was uitgestorven. Op verschillende plaatsen werden in de jaren dertig tot zeventig van de vorige eeuw kleine populaties grauwe ganzen uitgezet die zich succesvol over Nederland hebben verspreid. Op onderstaand kaartje kun je zien hoe dat is verlopen.

Kolonisatielijnen grauwe gans, bron: Lensink et al 2013

Omdat de uitgezette ganzen uit allerlei landen kwamen is er weinig Nederlands bloed overgebleven. Alleen de ganzen die zich vanuit Flevoland hebben verspreid hebben mogelijk nog "origineel" Nederlands grauw ganzenbloed. Alle andere kernen zijn kunstmatig uitgezet en die ganzen kwamen uit alle windstreken. De in Friesland uitgezette vogels kwamen uit Denemarken en die in zuid-west Nederland behoren tot een oostelijke ondersoort. De Texelse kern betreft juist weer een westelijke ondersoort. De Deense vogels kruisten met de oostelijken en zo kwam er weer een variant bij. Al met al vormen die sober gekleurde ganzen dus toch een 'bonte' verzameling. Vooral het ontstaan van de Oostvaardersplassen hebben de getalsontwikkeling van de grauwe ganzen een enorme boost gegeven en van daaruit hebben de ganzen zich verder over het land uitgebreid. Zo'n 110.000 paren broeden inmiddels in de natte gebieden van Nederland. In de winter komen daar nog een half miljoen wintergasten bij en evenveel grauwe ganzen vliegen in de trektijd over ons land naar andere overwinteringsoorden. Dus kijk af en toe omhoog als je gakkende ganzen hoort in de lucht. Grote kans dat het grauwe zijn. Naast de vliegende ganzen zie je in het filmpje van deze week fraaie herfstkleuren op een rustige najaarsdag. De opkomende zon gaf de bladeren een extra mooie gloed. Klik hier om het filmpje te bekijken. 



zaterdag 14 november 2020

Giftige paddenstoelen als slakkenvoer

Oktober was stormachtig en er viel hier in de randstad 150 mm regen, de helft meer dan het jaargemiddelde van de laatste decennia in deze maand. In vrijwel alle delen van het land viel overigens meer regen dan normaal; hoeveel regen er in een gemiddelde oktobermaand valt verschilt nogal per regio. In het westen regent het meer dan in het binnenland. Afijn, veel regen dus, en ik had verwacht dat ik zou struikelen over de paddenstoelen, maar in het park viel dat nogal tegen. 

Op een zeer winderige dag, waarbij de bladeren en takken je zowat om de oren vlogen, vond ik dan toch een paar soorten. Een naaktslak deed zich tegoed aan zwavelkopjes die op een dode boomstronk groeiden. Zwavelkopjes vallen onder de categorie 'opruimers' in paddenstoelenland. Ze breken houtcellen af en maken er stoffen van die andere organismen kunnen opnemen. Deze soort is voor mensen zeer giftig, maar voor de naaktslak leek het gif niks uit te maken. Ik las op internet een hele discussie over de eetbaarheid van naaktslakken. Om te beginnen is het niet echt een delicatesse; omdat ze geen huisje hebben om zich te beschermen is hun huid taai en dik. Het is beetje of je op rubber kauwt. Daarnaast moet je dus oppassen dat je geen gif binnenkrijgt dat de naaktslakken hebben gegeten. Bijvoorbeeld in de vorm van zo'n zwavelkopje of slakkenkorrels. Degenen die toch naaktslakken wilden eten, werd aangeraden er op tijd een aantal te vangen en deze op een dieet te plaatsen van onschuldig (=niet giftig) groen. Na een dag of tien zou het veilig zijn om ze te eten. Daar zul je je kiezen goed voor op elkaar moet zetten! Ik denk er niet over om het te proberen.... 

Deze slak werkte het giftige voedsel in slakkentempo naar binnen. Slakken hebben daarvoor een rasptong, de zogenaamde radula, waarmee het eten afschraapt wordt en die als een rupsband werkt. De slokdarm heeft de functie van 'stofzuiger' en zo komt het eten in de darmen. In de darmen zitten kauwplaatjes (zoals onze kiezen) die het voedsel verder vermalen. Dat voedsel vinden slakken trouwens niet door te kijken maar door te voelen of te ruiken met hun onderste (korte) tentakels. Hun ogen zitten op steeltjes, kunnen onafhankelijk van elkaar bewegen en groeien weer aan als ze er eentje kwijtraken. Meer dan licht en donker kunnen ze er niet mee waarnemen.

Over de anatomie van slakken zijn trouwens wel meer merkwaardige zaken te vertellen. De penis en de anus (waar de poep uitkomt) zitten vlak bij het hoofd omdat ze buiten het slakkenhuis moeten vallen. Voor naaktslakken maakt dat niet uit zou je zeggen. Maar de naaktslakken hadden ooit een huisje (inmiddels een zacht schild of kalkknobbel) en hun bouw is daarom vergelijkbaar gebleven. Iets achter de kop zie je vaak een groot gat, dat is normaal want het is het ademhalingsorgaan van de slak. Slakken hebben één long. In Nederland komen 25 soorten naaktslakken voor. De grote wegslak die je in de film ziet, is een veel voorkomende soort. In de tijd dat ik veel groenten in mijn tuin heb staan noem ik ze wel scheer-je-weg-slak. Maar ze luisteren nooit! Denk niet dat het filmpje van deze week één slijmboel is. Geniet vooral van de blaadjes die swingen in de wind en de paddenstoelen. Klik hier om het filmpje te bekijken. 



zaterdag 7 november 2020

Deze grondspecht is een miereneter

Miezerige regendagen hebben we de laatste weken genoeg gehad. Op zo'n dag heb ik een rondje in het park gemaakt, al was het maar om te laten zien dat het daar ook niet altijd zonnig is :). Dat leidde tot verstilde herfstbeelden en parelsnoeren van regendruppels aan de spinnenwebben. Daarnaast had de dag nog een andere verrassing in petto: ik kreeg (eindelijk!) de groene specht in het vizier. De hele zomer en herfst had-ie mij 'uitgelachen' met zijn hinnikende geluid, maar zich laten zien? Ho maar! 

Groene specht - man (met rode snor)
Foto: Dean Eades - taken in the uk, CC BY-SA 4.0

Terwijl de regen gestaag neersijpelde zag ik de vrouwtjesspecht (haar 'snor' is zwart, bij mannetjes is die rood met een zwart randje) voedsel zoeken. Deze flinke spechten, met een spanwijdte van een halve meter, voeden zich met mieren en hun larven, die ze zoeken in kort gras met losse bovengrond, want daar zijn de nesten te vinden. In de winter graven ze tunnels in de sneeuw om bij hun voedsel te komen. In tegenstelling tot andere spechten heeft de groene specht een minder harde snavel, maar wel een extra lange tong van 10 centimeter. Dit spechtengereedschap is kleverig (hiervoor heeft de specht extra grote speekselklieren) en de punt is verhoornd en plat met kleine weerhaakjes. Met de tong boort hij gaten van enkele centimeters diep om de prooien te bemachtigen. De inhoud van de mieren wordt verteerd, maar de pantsertjes poept hij weer uit. 

Een poepje van een groene specht
lijkt op een sigarettenpeuk

Die uitwerpselen zien er uit als sigarettenpeukjes: de mierenhuidjes lijken net tabak en de het poepje is wit omhuld. De groene specht heeft een gele stuit (dat zie je in het filmpje als hij even opvliegt) en een rode kop. Hij begeeft zich niet zo vaak op boomstammen als de andere spechten, maar in de film zie je haar toch even tegen de stam aan zitten. Op zo'n moment wijzen twee tenen naar boven en twee naar beneden voor een goede grip. De stevige staartveren zorgen voor het evenwicht. Met zijn zwakkere snavel roffelt de specht nauwelijks en kan deze vogel ook minder goed een nestholte uithakken. Hij neemt daarom genoegen met een tweedehands woning. Als het echt niet anders kan, hakt hij zelf een holte uit, maar dan kiest hij vermolmd hout, dat makkelijk te bewerken is. Dat is mannenwerk en daar doet de vogel twee tot vier weken over. Hij is er dan ook zuinig op, een nestholte kan wel tien jaar dienst doen. Volgende maand, in december, begint overigens de balts van deze spechtensoort al. In januari en februari neemt het baltsgedrag toe, maar het duurt nog tot april eer de eieren worden gelegd. Intussen gaat ie lachend de winter door. Dus hoor je deze vogel, dan weet je dat hij de lente al een beetje in zijn kop heeft. Een mooie gedachte, zo aan het begin van de winter.....Bekijk het filmpje door hier te klikken




zaterdag 31 oktober 2020

Een voedzaam (beuken)nootje

Beukenbladeren, bloemen en zaden
By Brandt, Wilhelm; Gürke, M.; Köhler, F. E.; Pabst, G.;
Schellenberg, G.; Vogtherr, Max. -

https://www.biodiversitylibrary.org/pageimage/303628, wikimedia
Midden oktober zag ik steeds meer herfstsignalen in het park; een boompje bezweek bijna onder het gewicht van de sierappeltjes en bladeren begonnen te verkleuren. Gek genoeg niet overal; ik zag een beuk met gele bladeren en een aantal die nog erg groen waren. De beuken in het park zijn nog niet erg groot, dat komt omdat ze langzaam groeien. Ze worden meestal rond de 150 jaar, met uitschieters tot het dubbele, en pas vanaf hun 50ste maken ze zaden. Ook daarvoor nemen ze de tijd, ze bloei(d)en maar eens in de vijf tot acht jaar. De 'd' staat tussen haakjes omdat daar de laatste jaren verandering in is gekomen. Van 2013 tot 2019 leverden de beuken elk jaar bloemen en nootjes. Warmte had daarop meer invloed dan droogte: hoe warmer de winter en zomer, hoe meer beukennootjes er aan de takken bungelden. In het park zag ik nu alleen nog de lege napjes liggen. Er was geen beukennootje meer te bekennen. Die nootjes barsten van de eiwitten, koolhydraten, vetten en verschillende mineralen en zijn daarom populair bij veel dieren. Ongeveer één derde van het voedsel van wilde zwijnen bestaat uit beukennootjes. Een mannetjeszwijn weegt ergens tussen de 60 en 180 kilo en een beukennootje weegt tegenwoordig een schamele twee gram.  Overigens is dat ruim het dubbele vergeleken met de negentiger jaren van de vorige eeuw. Dit wordt allemaal uitgezocht door het Nederlands Instituut voor Ecologie, dat elk jaar een heuse beukennotenindex bepaalt. Al ruim 35 jaar lang worden beukennoten op het Nationaal Park de Hoge Veluwe verzameld om de oogst van beukennoten te bepalen. Hierbij worden elk jaar eenmalig in oktober ongeveer 30 bomen bezocht waar in vier vierkantjes van 25 bij 25 centimeter alle beukennoten worden opgeraapt om mee naar het lab te nemen. Het totale gewicht van de volle (bevruchte) noten bepaalt de beukennotenindex. Het instituut heeft ook uitgevogeld dat koolmezen het beter doen in een goed beukennotenjaar. Hiervoor houden ze al sinds 1955 de 'burgerlijke stand' bij van koolmezen. In vier gebieden in Nederland kijken de onderzoekers welk vogeltje wanneer waar wordt geboren, hoe zwaar hij is bij het uitvliegen en wie de ouders, broers en zussen zijn. En er blijkt dus een verband te zijn tussen goede beukennotenjaren en goede mezenjaren. 

Ook de eekhoorn leeft op van beukennootjes: ze brengen in een jaar met veel nootjes een extra nestje groot. Muizen zijn verzot op deze zaden en de boommarter profiteert op zijn/haar beurt weer van het grote muizenaanbod; hun broedsucces is in zulke jaren groter. Vorig jaar viel er 1 miljoen kilo beukennootjes uit de bomen op de Veluwe, dat zijn er zo'n 500 miljoen stuks :). En dan zijn er nog veel meer beukenbomen verspreid over Nederland. Klein maar fijn, dat lijkt me op deze voedselbron dus wel van toepassing. Overigens zijn de nootjes voor mensen ook eetbaar, maar eet ze liever niet rauw of in grote hoeveelheden. Er zit een zweempje blauwzuur in. Dat gif verdwijnt overigens bij het roosteren. Je kunt het filmpje van deze week bekijken door hier te klikken



zaterdag 24 oktober 2020

Wilde eenden in eclipskleed

Wilde eenden (v.l.n.r.): vrouw, man in eclipskleed en man in zomerkleed

Het is al weer een paar weken geleden dat ik het park in liep en een grote groep wilde eenden zag samenscholen. Het leek wel of alle eenden uit het park zich hier ophielden, want de andere sloten en de vijver waren leeg. Zo op het oog leken het voornamelijk vrouwtjes, maar dat is schijn. In de rui-tijd, in de tweede helft van september, dragen de mannetjes hun eclipskleed om niet te veel op te vallen. Ze raken tijdens de rui namelijk in één keer hun slagpennen kwijt zodat ze niet kunnen vliegen en zo'n mooie glanzende groene kop trekt alleen maar vijanden aan. Bij de eenden die voor het eerst naar hun mannelijke kleed ruien, zie je nog veertjes van het jeugdkleed (kijk maar op de foto), dat erg op dat van de vrouwtjes lijkt. Een goed herkenningspunt is altijd de snavel: bij de mannen groengeel en bij de vrouwtjes oranje met zwart. Dat verandert niet. 

Ondanks dat de mannen nog niet op hun paasbest gekleed waren, was hier toch al sprake van een huwelijksmarkt. Zoals op de kermis kwamen de mannen en vrouwen bijeen om te flaneren en elkaar de maat te nemen. Onder de mannen braken kleine vechtpartijen uit en de eerste stelletjes werden gevormd. Die trokken samen op en namen een drankje (slokje water) en een hapje (ze schepten algen uit het water).  

Bij nadere beschouwing viel me nog iets op: het merendeel van de eenden was mannelijk. Op basis van de filmbeelden heb ik eens  geteld en kwam uit op 4 vrouwtjes tegen 37 mannetjes. Die verhouding ligt wel erg scheef en dat zou betekenen dat de in het park geboren eenden vrijwel allemaal mannetjes waren (of alleen de mannetjes de eerste maanden overleefd hebben). Sovon gaf in het begin van het jaar van de wilde eend al aan (zie mijn eerste blog van dit jaar) dat de man/vrouw verhoudingen scheef liggen. De Nederlandse telresultaten over de eerste helft van 2020 komen uit op een verhouding van 60/40 man versus vrouw. Dat is nog iets anders dan 90/10. Ook een week later, toen de mannelijke koppies al beter op kleur waren (en de hormonen meer begonnen op te spelen), zwommen rond ieder vrouwtje een stuk of vier à vijf mannetjes. Afijn, ik blijf het in de gaten houden, in dit jaar van de wilde eend.

In het filmpje zie je natuurlijk volop de wilde eenden. Maar langs het water was het ook een drukte van belang: wespen en vlinders hadden een limonadebar ontdekt. Uit een boomwond stroomde sap, het was zo zoet dat ik het kon ruiken. Vers uitgevlogen atalanta's en wespen likten het borrelende sap op. Ook ander vliegend spul maakte gretig gebruik van de zoete lekkernij. Het viel me trouwens op hoe goed de schutkleur van opgeklapte atalantavleugels is; er is bijna geen verschil te zien met de schors. Klik hier om het filmpje te bekijken. 



zaterdag 17 oktober 2020

De innige relatie tussen waterzuring en de grote vuurvlinder

Waterzuring

Regendruppels parelden op de bladeren van riet en gele lis, die morgen in het park. De hoog opgeschoten stengels van de waterzuring boden een handig frame voor de webben van kruisspinnen. Ze glansden mooi in het ochtendlicht. De waterzuring had inmiddels zaden gemaakt, waarvan de binnenste bloemdekbladen vergroeid zijn met het nootje. Dat geeft ze die aparte driehoekige vorm. De bladeren van waterzuring zijn het grootst van alle zuringplanten, tot wel één meter hoog. Ze bevatten veel vitamine C en werden vroeger in alle natte delen van ons land om die reden geoogst. Nu toonden de bladeren tekenen van verval, maar de gele en roestbruine plekjes zagen er artistiek uit in het tegenlicht. Waterzuring leeft in of langs de rand van water, zoals de naam al doet vermoeden, met een worstelstok verankerd in de bodem. Een bijzondere vlinder heeft zijn lot verbonden aan deze plant. De alleen in Nederland voorkomende (en in 1915 pas ontdekte) grote vuurvlinder (Lycaena dispar batava) legt zijn eitjes op waterzuring omdat de rupsen alleen deze plant lusten. Het is de zogenaamde waardplant van deze rupsen. Waterzuring komt in ons land overal voor waar maar een beetje water te vinden is, dus je zou verwachten dat de grote vuurvlinder ons overal 'om de oren vliegt'. Niets is echter minder waar. Een grote vuurvlinder is behoorlijk kieskeurig op haar leefgebied en heeft behalve waterzuring ook uitgestrekte en soortenrijke rietvelden nodig met nectarplanten, bij voorkeur koninginnenkruid en kattenstaart. Hoewel die nectarplanten niet zeldzaam zijn, vinden we de vuurvlinder nog maar op enkele plaatsen: de Weerribben en Rottige Meente in het noorden van ons land. Eerder kwam de vlinder ook bij het Friese Brandemeer voor, maar in december 2017 werd de populatie grote vuurvlinders daar met naar schatting bijna 90 % verminderd door een beheerfout. Door het veel te rigoureus schonen van sloten zijn mogelijk alle in de oeverzone overwinterende rupsen van deze beschermde vlinder weg geschraapt. 

Kijk voor foto's van de Nederlandse
vuurvlinder op de site van de Vlinderstichting

In juli en augustus legt de vuurvlinder eitjes op waterzuringblad, die na een week uitkomen. De groene rupsjes gaan in september in rust, verkleuren naar bruinrood en krijgen haren. Ze zijn dan pas 4 mm groot en heel moeilijk te vinden. Eind april, als de waterzuring begint te groeien, komen ze te voorschijn; hun schutkleur is weer veranderd in groen. Ze vreten zich door de enorme zuringbladeren heen en als ze 2,5 centimeter zijn, verpoppen ze. Hoe we de grote vuurvlinder voor uitsterven kunnen behoeden is nog steeds niet helder in kaart gebracht. Er hebben onderzoeken plaatsgevonden naar waterpeilbeheer en maaibeheer. Ook wordt er modelmatig gekeken welke leefgebieden in de omgeving geschikt zouden zijn voor de 'batava'. Maar het ei van Columbus is nog niet gevonden. In het filmpje zie je dus wel waterzuring, maar geen grote vuurvlinder. Toch heeft zich in het park een explosie van nieuw leven voorgedaan. Een jonge blauwe reiger gaat op jacht; hij heeft nog geen witte kopvlek, zoals zijn ouders. Jonge houtduiven hebben ook een saai verenkleed vergeleken met de volwassen duiven, de witte nekvlek moet nog gevormd worden. Jonge boomkruipers (klik hier voor mijn eerdere blog over deze leuke vogels) werkten zich een weg omhoog langs de eikenstammen op zoek naar voedsel. In een regenplas waren jonge merels zich aan het wassen. Broerlief intimideerde de zussen om hen op afstand te houden. Toen dat jonge grut verdwenen was, nam een (volwassen) zanglijster tijd voor een bad. Klik hier om het filmpje te bekijken. 



zaterdag 10 oktober 2020

Dansende vedermuggen

Dansmuggen in het avondlicht

Het is duidelijk te merken dat de dagen korter worden. Om nog iets van de zonsondergang te zien in het park moet ik steeds vroeger weg, voor de zon achter de horizon zakt. Zo ook die avond in september; het gouden licht kleurde de bladeren en het riet groengeel. Twee vliegen streken neer op de achterkant van een blad en showden hun silhouet in de avondzon. Deze zomer viel het mij op dat er veel vliegen in de tuin waren, meer dan andere insecten zelfs. Ik heb er niet echt een verklaring voor gevonden. Zoals bij veel insecten is het reproductievermogen van (huis)vliegen enorm. Ze kunnen tot wel 15 generaties per jaar voortbrengen. Als alle vliegen zouden blijven leven, dan kunnen uit een enkel wijfje ruim 5,5 biljoen (!) nakomelingen ontstaan, met een biomassa van 80.000 kilo. Gelukkig zijn er insecteneters om daar een stokje voor te steken :). Iets verderop in het park dansten vedermuggen in de buurt van het water. 

Vedermug, foto: ©entomart
https://commons.wikimedia.org/w/index.php?curid=711739

Ook zij zagen er mooi uit in het tegenlicht. Mannelijke vedermuggen hebben twee veer-achtige uitsteeksels aan hun kop (vandaar de naam) waarmee ze vrouwelijke feromonen (geurstoffen) kunnen detecteren. In de paartijd dansen ze in grote groepen in de buurt van water. Ze worden daarom ook wel dansmuggen genoemd. Ze kunnen in grote wolken voorkomen, vooral in het voorjaar. Dat kan lastig zijn, maar ze steken niet. Als de dansmuggen gepaard hebben, zetten de vrouwtjes hun eipakketjes af op het wateroppervlak. De larven hebben een bloedrode kleur. In het eerste stadium zijn ze microscopisch klein en zwemmen ze vrij door het water. Als ze wat groter zijn graven ze zich in, in het slib om niet te veel op te vallen. Ze leven van klein organisch materiaal dat ze direct uit het water halen of via slib binnenkrijgen. Op zijn of haar beurt vormt de larve weer een zeer gewild voedsel voor vissen (vooral de bodemwoelende brasem is er dol op), maar ook steltlopers zoals grutto's eten graag rode muggenlarven in ondiepe poelen. Visdiefjes plukken de rode larven van het wateroppervlak. Hoe klein die muggenlarven ook zijn, ze vormen een belangrijke schakel in de voedselketen. Onder goede omstandigheden vormen ze voedsel voor 100-200 kg vis per hectare. 

De meeste vedermuggen brengen hun vierde en laatste larvenstadium door in de winterrust, die zo'n 80% van hun leven beslaat. In het popstadium leeft de vedermug op de grens van slib en water en wacht in het voorjaar op stijgende temperaturen. Als het water 11 graden is, komen de muggen uit de pop en vliegen ze binnen enkele weken massaal uit. Er wordt niet meer gegeten maar wel gedanst en gepaard. Zo herhaalt de cyclus zich en vliegt er in de loop van augustus en september een tweede generatie uit. Dat gaat meer verspreid in de tijd omdat er niet gewacht hoeft te worden op een goede watertemperatuur. Bekijk de dansende vedermuggen in het filmpje, samen met sfeerbeelden rond de vijver in het park door hier te klikken.  



woensdag 7 oktober 2020

85.000 spreeuwen duiken in het riet voor de nacht


Tussendoor even een extra editie van Natuurnotities. Eind september zijn we een kijkje gaan nemen bij een klein rietveld naast het Goudase IJsselpark. Hier verzamelen zich vanaf drie kwartier voor zonsondergang 85.000-90.000 spreeuwen om te overnachten. Ze komen in grote groepen aanvliegen en duiken meteen het riet in. Na de eerste aarzelende groepjes, worden de groepen groter en sneller en het riet ziet letterlijk zwart van de vogels. Terwijl het licht wegsterft neemt het volume uit de vogelkelen toe. Mocht je in de buurt zijn of wonen, dan is het de moeite waard om even te gaan kijken. Verwacht wordt dat de aantallen in oktober nog toenemen, omdat er dan wintergasten uit het noorden arriveren. In de ochtend vliegen ze bij zonsopkomst massaal op. Via waarneming.nl kun je bekijken of ze er nog zitten als je langs wilt gaan en waar het precies is (klik in de linkerkolom op de tijd van de waarneming voor meer details). Wees er (in ieder geval 's avonds) op tijd bij, want op de dijk stonden toen wij er waren behoorlijk wat toeschouwers. Je kunt het spektakel vast in het filmpje bekijken door hier te klikken, op een groot scherm zie je het 't best.