Onze winter laat meer grauwe dagen zien dan winters weer met vorst. Soms is het even een paar uurtjes winter, zoals op 9 januari, toen het park er na een nachtvorst wit bepoederd uitzag. De jonge reiger stond kou te lijden en planten en bomen vertoonden mooie randjes met rijp. Ook de sneeuwbessen zagen er door de ijskristallen mooier uit.
Sneeuwbessen met een laagje rijp
Sneeuwbessenstruiken heb je vast wel eens gezien, maar misschien niet heel bewust. De soort wordt namelijk vaak aangeplant in plantsoenen omdat deze bodembedekker onkruid onderdrukt en weinig onderhoud vergt. Sneeuwbessen, met hun witte of roze bessen, behoren tot de kamperfoeliefamilie en komen oorspronkelijk uit Noord- en Midden-Amerika. Daar groeien zo'n vijftien verschillende soorten, in heel verschillende landschappen. In het noorden van Canada en Alaska trotseren ze de kou, op de prairies zon en droogte. Maar ze groeien ook in de Rocky Mountains en de subtropen van Texas en Mexico. De soorten die wij hier in Nederland aanplanten zijn geschikt voor veel verschillende grondsoorten, kunnen goed tegen droogte en luchtvervuiling en verdragen schaduw en drupwater van bomen. Keerzijde is dat de sneeuwbes door ondergrondse uitlopers flink kan woekeren. De ronde, iets puntige blaadjes en dunne twijgen geven de plant snel een rommelige aanblik, soms worden ze daarom ook wel in blokvorm gesnoeid. De bloemetjes van de sneeuwbes bloeien tot in september en zijn dan een welkome nectarbron voor insecten.
Bloeiende sneeuwbes
In de winter vormen de bessen voedsel voor vogels. Wij mensen kunnen de bessen beter links laten liggen want ze zijn licht giftig. De sneeuwbes wordt in het Nederlands ook wel klapbes genoemd. Als je ze kapot trapt knallen de besjes. Misschien heb je ze vroeger ook wel eens gebruikt om ze weg te schieten in een blaaspijp (een stukje elektriciteitsbuis). De in ons land gebruikte variëteiten zijn meestal cultivars (gekweekte kruisingen). De directeur van de Haagse plantsoenendienst maakte in 1935 kruisingen om helder roze besjes te krijgen. Zulke roze besjes zag ik op die berijpte ochtend in het park. Nog steeds wordt er flink gekweekt met deze soort. Let er maar eens op als je langs plantsoenen loopt, want toen ik er aandacht aan ging besteden zag ik ze op veel plaatsen. In het park steeg de zon en de temperaturen kwamen al gauw weer boven het vriespunt. De rijp regende nu uit de bomen. Dat leverde sfeervolle plaatjes op. Klik hier om het filmpje te bekijken.
Ik maakte een rondje langs de polders en het park op de laatste dag van 2020. In Alphen was net een flat opgeblazen met een vuurwerkbom, daarom cirkelde er een politiehelikopter door de lucht, achter een biddend valkje langs. In de polder zag ik na lange tijd de zwanenfamilie nog eens. Zo te zien was het stel nog compleet en de zeven jongen hadden nu een wit verenpak met de laatste grijze veren uit hun eerste maanden. Mussen tsjilpten uitbundig en spreeuwen genoten al zingend van de zon. Een eksterpaartje verstevigde hun band door gezellig naast elkaar in de boom te zitten en een beetje te 'babbelen', af en toe een beetje opgeschrikt door een knalletje van illegaal vuurwerk in de verte.
Ekster met ei Bron: Cornelius Nozeman De Verdieping: Verleden van Nederland, wikimedia
Eksters blijven vaak een aantal jaren bij elkaar en bezetten jaarrond een territorium, waar ze voedsel zoeken en broeden. In een eikenboom in het park zie ik al jaren een eksternest. Een paartje herken je aan het feit dat ze geen agressief gedrag naar elkaar vertonen en aan specifieke begroetingsrituelen: de man doet de vleugels omlaag en/of de staart omhoog, soms met 'pluizige' veren waardoor het witte deel meer opvalt. Soms antwoorden de vrouwtjes hierop door te bedelen, dat doen ze zoals in je in de tekening ziet.
Bedelende ekstervrouw (rechts) Bron: Baeyens, G. (1979)
Eksters die een paarband hebben, vechten niet onderling om voedsel en delen grotere prooien, zoals een muis, pad of ei, met elkaar. Verder willen mannetjes dat vrouwtjes hun veren gladstrijken. De man benadert daarvoor het vrouwtje, zijn veren pluizig uitgezet en met zijn hoofd omlaag. Voor en na zo'n poetssessie zitten de vogels samen te rusten, maken lichamelijk contact en uiten een zacht gebabbel. Ik zag dat de eksters elkaar naderden en samen gingen zitten babbelen, maar aan poetsen kwamen ze niet toe in het drukke park met veel wandelaars. Misschien zie ik dat een volgende keer. Binnenkort zullen ze met z'n tweeën het nest gaan repareren; een eksternest herken je aan het 'dakje' dat er boven zit. Een heel nieuw nest bouwen kost zo'n veertig dagen inspanning van beide seksen. De bodem van het nest is gemaakt met een laagje klei en daarop zit een nestkom van fijn gevlochten plantenwortels. Het dakje beschermt de jongen tegen kraaien en roofvogels. De relatief kleine eieren zijn iets meer dan 3 cm lang en variabel van kleur en patroon: vaak lichtblauwgroen met olijfbruine of grijze spikkels en vlekken. Bekijk de eksters en andere vogels in het filmpje door hier te klikken.
Op een zonnig moment tussen de eindeloze regenbuien door waren er allerlei kleine vogels in het stadsparkje te ontdekken. De kale bomen staken af tegen een dreigende lucht en al snel hoorde ik het levendige gepiep van een kluitje staartmezen. Deze pluizige bolletjes in de kleuren zwart, wit en roze, met een kenmerkende lange staart, zitten zelden lang op één plek. Toch lukte het om er eentje op de film te krijgen. Staartmeesjes leven van insectjes die ze verzamelen op bomen, ze halen daarbij acrobatische toeren uit en balanceren aan de smalste twijgjes. In deze tijd van het jaar, als er weinig insectenvoedsel is, kun je ze ook in je tuin zien, want ze lusten dan graag zaden van de voederplank of vetbollen. Ze zoeken hun eten in familiegroepjes en met hun hoge piepjes houden ze contact met elkaar. Als er eentje naar een volgende boom vertrekt dan weet je dat de andere meesjes één voor één zullen volgen. En als een broer of zus nog niet uitgegeten is, wachten ze allemaal op de achterblijver. Vogelringers merkten op dat als ze één staartmees van de familie vingen om te ringen, dat de anderen in de buurt bleven om op de geringde vogel te wachten. Staartmezen zijn trouwens geen familie van de koolmees en pimpelmees maar vormen een aparte vogelfamilie. Verderop in het park hoorde ik nog hoger gepiep en daar was een groepje goudhaantjes voedsel aan het zoeken. Deze vogeltjes zijn nog kleiner en nog beweeglijker dan de staartmezen. Een half uur filmen leverde een paar bruikbare shotjes op. Waar staartmezen iets meer dan 8 gram wegen, tonen de goudhaantjes niet meer dan 4 tot 7 gram op de weegschaal.
Goudhaantje Tekening: Jos Zwarts, wikimedia
In de winter hebben alle vogels moeite om hun lichaamstemperatuur op 41 graden te houden, en dat geldt eens te meer voor kleine vogels. Om dan te overleven moeten ze de hele dag eten. De goudhaan moet per dag 2-4 gram eten, ongeveer de helft van het lichaamsgewicht, de staartmezen peuzelen één derde van hun lichaamsgewicht bij elkaar. 's Nachts gaan de staartmezen en goudhaantjes in de spaarstand: ze laten hun lichaamstemperatuur 5 graden zakken, zetten hun veren bol en slapen knus bij elkaar op een beschutte plek. Soms zoeken de twee vogelsoorten daarbij elkaars gezelschap op. Samen sterk denken deze lichtgewichten blijkbaar. Daarbij worden ze soms vergezeld door nog meer klein grut: boomkruipers (die ik ook in beeld kreeg bij het filmen), boomklevers en winterkoningen. De staartmezen zitten vaak zo dicht bij elkaar dat het één grote bol lijkt, waaruit alleen de staarten steken. Niet alleen overleven in de kou vergt veel energie. Straks, als de lente weer aanbreekt, verliest een winterkoning met de hele dag zingen een kwart van zijn gewicht. Maar voorlopig moeten ze nog even de winter doorkomen.....
Kuifeenden kunnen overdag soezen omdat ze noodgedwongen 's nachts eten
De titel van deze blog moet natuurlijk niet te letterlijk worden genomen, maar feit is dat kuifeenden 's nachts zijn gaan eten omdat andere vogels hun voedsel stelen. Dat wordt kleptoparasitisme genoemd. De markante zwart/witte mannetjes en de mokkabruin/zwarte vrouwtjes van de kuifeenden zien we vooral in de winter. Dan verblijven er meer dan 200.000 kuifeenden in ons land. Ongeveer 10% hiervan broedt hier, vooral in het westen en noorden van Nederland. Op welke momenten vogels foerageren (eten zoeken) is vaak afhankelijk van de omstandigheden, bijvoorbeeld op welke tijdstippen zich prooien aandienen of de getijden. Kuifeenden eten voornamelijk driehoeksmosseltjes (zoetwaterschelpen); eten dat dag en nacht beschikbaar is. Toch viel het onderzoekers op dat kuifeenden vooral 's nachts eten, terwijl ze niet echt goed 'nachtzicht' hebben.
Driehoeksmossel Bron: wikimedia
Met behulp van radarwaarneming zagen ze dat de eendjes een half uur na zonsondergang de rustgebieden verlieten om ver uit de kust te gaan foerageren en pas tegen zonsopkomst weer terugkwamen op hun stek. Ook de toppereend en de tafeleend eten voornamelijk 's nachts, terwijl een andere duikeend, de brilduiker, juist weer overdag zijn kostje bij elkaar scharrelt. De onderzoekers besloten eens in deze kwestie 'te duiken' en ze sloegen aan het observeren en tellen. Driehoeksmossels worden aan de bodem opgedoken maar pas doorgeslikt als het eendje weer op het water dobbert. Dat is het moment dat de dieven toeslaan. Maar eerst kijken we eens hoe vaak de duikeenden en meerkoeten succesvol zijn bij het opdiepen van voedsel. De overdag foeragerende brilduikers kwamen het vaakst van de drie onderzochte soorten boven water zonder prooi: bij 95% van de pogingen hadden ze geen eten in hun snavel. 189 keer hadden ze een prooi, maar die werd in ruim 60% van de gevallen (118 keer) afgepakt door kokmeeuwen, stormmeeuwen en meerkoeten. De 's nachts foeragerende kuifeenden brachten in 54% van hun duiken mossels mee naar boven. Hiervan werd één derde gestolen, vooral door meerkoeten. Daarnaast lieten de eenden in ongeveer 7% van de situaties hun prooien vallen als ze achterna gezeten werden door meerkoeten. Meerkoeten waren vrij succesvol en brachten in 86% van de gevallen eten mee naar boven. 11% van de door de meerkoeten opgedoken mossels werd gestolen, meestal door meeuwen maar ook door collega-meerkoeten. Eén keer pikte een kuifeend de mosseltjes af van de koet. Maar per saldo was het dus andersom. Uit het onderzoek bleek dat maar liefst 30% van alle meerkoetenvoedsel was gestolen!
In het filmpje van deze week zie je de kuifeenden rustig dobberen, ik weet nu hoe het komt dat ik ze nooit duikend in beeld krijg. En die door het beeld zwemmende meerkoet bekijk ik nu ook met andere ogen :). Klik hier om het filmpje te bekijken.
Vogels kunnen niet diep ademhalen, meerkoeten langs de wetering
Het nieuwe jaar is begonnen, de zoogdiervereniging heeft 2021 uitgeroepen tot het jaar van de otter, die zich langzamerhand aan het settelen is in ons land met een mooie populatie. Dat is nog een beetje goed nieuws in deze donkere tijden. Op één van de kortste dagen van het jaar maakte ik het filmpje van deze week, met een mooie zonsopgang die de lucht boven het park rood kleurde terwijl de wind de wolken door het zwerk joeg. Verder was er niet veel te zien. Meerkoeten verzamelen zich in de winter in groepen en in de wetering bij de molen zwommen ze rond en graasden, als ze niet verstoord werden, in het gras. De twee aalscholvers uit het vorige filmpje lijken nu een paar te vormen, ze gaan binnenkort aan een nest beginnen, de eerste eieren worden vaak al in februari gelegd. Ze gaan waarschijnlijk niet broeden in het park, want hun nesten maken ze in kolonies en ze gebruiken meestal de nesten van vorige jaren. Een kolonie bij de Langeraarse Plassen is de dichtstbijzijnde die ik ken, daar zaten de eerste vogels al voor kerst op de nesten. Ik weet niet hoe ik er bij kwam, maar ineens vroeg ik mij af hoe ademhalen bij vogels precies in zijn werk gaat. Misschien was de aanleiding dat ik wolkjes waterdamp uitademde in de kou en dat dat bij de vogels niet leek te gebeuren. In het boekje van Marcel Boer (Wat maakt vogels zo interessant?) vond ik het antwoord, dat mij behoorlijk verraste. De longen van vogels zijn niet flexibel, zoals bij ons, maar stijf. Bij het heen en weer pompen van lucht verandert het volume van de longen niet. De lucht gaat niet direct naar de longen maar wordt via een systeem van negen luchtzakken en kleppen rondgepompt, soms zelfs via holle botten.
Ademhaling door vogels Bron: L. Shyamal - own work based on R McNeill Alexander, wikimedia
Eerst gaat de lucht via de neus naar de achterste luchtzakken, dan via de longen naar de voorste luchtzakken en vervolgens weer naar buiten. Achter de neusgaten van vogels ligt een soort warmtewisselaar die ervoor zorgt dat ingeademde lucht warmte opneemt en uitgaande lucht de warmte weer afstaat. Daardoor zie je bij vogels nooit ademwolkjes uit hun neusgaten komen (uit hun bekjes wel trouwens want daar zit niet zo'n warmtewisselaar). De stijve vogellongen werken beduidend efficiënter dan zoogdierlongen omdat de lucht er altijd in één richting door stroomt. Er is geen vermenging van (oude) zuurstofarme en (nieuwe) zuurstofrijke lucht. De bloedstroom loopt daarbij tegengesteld aan de luchtstroom wat de uitwisseling bevordert. Hoe kleiner de vogel, hoe sneller de ademhaling, bij een mus bijvoorbeeld wel negentig keer per minuut.
Het vliegen vergt heel veel energie en een snelle stofwisseling. Dat is ook te zien aan de hartslag, die bij het vliegen twee tot drie keer sneller is dan in rust. Het hart van een knobbelzwaan klopt in rust 85 keer per minuut. Bij het vliegen loopt dat op tot 335. Bij een eend of meeuw zijn die cijfers respectievelijk 140-190 in rust en 480 bij het vliegen. De kolibri is de topper wat dat betreft met 1260 slagen per minuut. De snelle stofwisseling en een hoge bloedtemperatuur zorgt ervoor dat vogels ook in de winter hun lichaamstemperatuur van 41 graden kunnen vasthouden. Ze zetten hun veren op en pompen onderhuidse luchtzakken vol voor extra isolatie, Naar verluidt kan een weldoorvoede koolmees op die manier een nachtje in de vriezer overleven, terwijl een muis het daar maar een kwartier zou volhouden. Dit lijkt me wel een typisch geval van ''don't try this at home" :).
In mijn 390ste blog, deze week een filmpje van een koude decembermorgen, met een dun laagje ijs op sommige sloten, rijp op half vergane bladeren, groen dat toch al weer omhoog piept, hazelaarkatjes die langzaam groeien en een paartje aalscholvers dat elkaars nabijheid zoekt. Over een paar weken zullen ze beginnen met het maken van hun nest. Een nieuw jaar ligt voor ons. Wat het brengen zal weten we niet. Ik wens jullie - ondanks alle beperkingen - fijne feestdagen en het allerbeste voor het nieuwe jaar. Natuurlijk zie ik je graag terug bij natuurnotities in 2021!
Klik hier om het filmpje van deze week te bekijken.
In mijn jeugd vertoefde ik vaak in het Stammerderbos. Hoewel het in mijn ogen een 'groot bos' was, moet ik dat later met 'grote mensenogen' behoorlijk nuanceren. Er was een groot deel beplant met dennen en daarnaast kwamen er beuken, haagbeuken en esdoorns voor. Blijkbaar is ergens in de voorbije jaren een deel van de dennen gekapt en op die open plek is berkenbos ontstaan. Toen ik er een paar weken geleden was, stonden de berken met goudgele blaadjes te glanzen in het zonlicht.
De berken in het Stammenderbos (L)
Berken zijn bij uitstek bomen die zo'n kapvlakte snel veroveren. In noordelijke streken zijn het de enige bomen die er kunnen groeien. Al weer heel wat jaartjes geleden reisden we door Rusland met de trans-Siberiëexpres en op de moerassige gronden in de koude streken zagen we eindeloze berkenbossen met af en toe een dorpje ertussen.
Berken bij het Baikalmeer (2001)
Berken zijn de enige inheemse bomen in Groenland en IJsland en de zangeres Björk heet -vertaald in het Nederlands - 'Berk'. Nog noordelijker krimpt de berk tot struikformaat: de dwergberk probeert zich in de toendra staande te houden. In onze streken kennen we de ruwe berk, die ook wel zilverberk wordt genoemd. De ruwe berk heeft een bast die bij het ouder worden barst en donkere en lichte plekken vertoont. De takken hangen naar beneden. De zachte berk heeft lichte beharing op de takken en bladeren. De schors van berken is erg sterk en waterdicht, terwijl het hout snel wegrot. Als je afgevallen berkenstammetjes ziet liggen moet je er maar eens op letten: de witte schors is nog intact maar het stammetje is van binnen hol. Die waterdichte schors werd door de inheemse volken van Noord-Amerika en Scandinavië graag gebruikt om kano's mee af te werken en daken te bedekken. Ook werd de schors toegepast voor het maken van schoenen. De Lappen maken jassen en beenbekleding van de schors en de Zweden vlechten er tasjes en manden van.
Schorsreepjes zijn teruggevonden in turf van honderden jaren oud en soms zelfs in versteend hout van duizenden jaren oud, onder andere in Siberië. Dat komt doordat de schors betuline bevat, een harsige kamferachtige en conserverende stof. Als je in de natuur om een vuurtje verlegen zit, kun je het beste op zoek gaan naar berkensnippers: omdat ze geen water opnemen vatten ze makkelijk vlam.
De berken in 'mijn stadspark' waren al kaal toen ik er op een zonnige dag weer eens ging filmen. Er stond een stevige bries, de molenaar maakte daar dankbaar gebruik van om zijn molen weer eens aan het werk te zetten. Sinds de oplevering in 1797 bemaalt de familie Vrolijk van vader op zoon de Vrouwgeestmolen, al zes generaties lang.
Inmiddels zijn de meeste bladeren van de bomen gevallen. Ergens eind november, toen ik het filmpje maakte op een mistige dag, 'regenden' de eiken leeg. De blaadjes dwarrelden in snel tempo naar beneden. De mist nodigde uit tot een verstild filmpje in zwart/wit.
Die gevallen bladeren zijn ontzettend belangrijk voor het leven in de natuur, want zij vormen de basis van de kringloop en voeden bodembeestjes. Regenwormen en pissebedden eten dood organisch materiaal, in dit geval die bladeren dus. De regenwormen 'verhakselen' de bladeren en die kleine stukjes worden op hun beurt weer afgebroken tot anorganisch materiaal door bacteriën en schimmels. Dat is hun voedsel. Wat er overblijft nemen planten op. Met hun wortels zuigen ze de voedingstoffen samen met water naar binnen. Qua voedingsstoffen is het ene blaadje het andere niet. Dennennaalden bevatten minder voedsel dan bijvoorbeeld beukenbladeren. De planten die op zo'n bodem leven hebben zich hieraan aangepast en gaan zuinig om met de beschikbare voedingsstoffen.
Afgevallen bladeren bevatten voedingsstoffen voor het bodemleven
Veel bomen halen voedingsstoffen zoals stikstof uit hun bladeren voordat ze die afstoten. Juist stikstof is belangrijk voor het groeien van planten, dus onder zulke bomen zullen weinig planten groeien. Mocht je in de verleiding komen om de bladeren in je tuin op te ruimen, bedenk dan dat ze belangrijk zijn voor een gezonde bodem. Ook op het gras kun je ze maar beter nog even laten liggen. Ook daarin leven regenwormen die soms even naar boven komen om een blaadje de grond in te trekken en daar verder op te eten. Op je gazon laten de regenwormen hoopjes poep achter die boordevol nuttige stoffen zitten. Als je van een 'biljartlakengazon' houdt, moet je wellicht even een oogje dichtknijpen :). Op 5 december was het wereldbodemdag, georganiseerd door de FAO (de Voedsel- en Landbouworganisatie van de Verenigde Naties) om het belang van een gezonde bodem te benadrukken. Ter gelegenheid van die dag hebben 1188 waarnemers in hun tuin het bodemleven bestudeerd. Vorig jaar stond het pissebed op nummer 1, maar door de droge zomer is die een plaats gedaald. In de onderzochte tuinen kwam de regenworm het meeste voor. In onderstaand plaatje zie je een samenvatting van het onderzoek.
Bron: bodemdierendagen
Klik hier om het filmpje van deze week te bekijken van het sfeervolle park in de mist.
Vorige week eindigde mijn blog met een raadsel. Na een heel verhaal over pigmenten en structurele kleuren gaf ik aan dat deze blog zou gaan over een kleurrijke vogel zonder veel kleur. Wel hier is-ie dan:
Foto: Joefrei - Own work, CC BY-SA 3.0, wikimedia
Ik zou willen dat ik deze foto zo had kunnen maken, maar ik ben blij dat het Joefrei wel gelukt is. Zo zie je de blauwe kleur van het verenpak heel mooi. Inmiddels weet je dat deze vogel niet echt zo blauw is (er zitten geen blauwe pigmenten in zijn verenkleed), maar wij zien de blauwe kleur doordat licht van de korte blauwe golflengte weerkaatst wordt door structuren in de veren. In feite is het een optische illusie, maar wel een hele mooie.
Ik liep het park in om te filmen toen een man mij aansprak: 'Ik heb hier een paar dagen geleden een ijsvogel gezien'. Dat is altijd een bijzondere waarneming natuurlijk. Het is denk ik wel twintig jaar geleden dat ik in dit parkje een ijsvogel spotte. Dat was in een strenge winter, toen bijna alle water dichtgevroren was en er bij een duiker nog een beetje water open was. Ik vroeg aan de man waar hij de vogel had gezien en hoopte dat ik op één van mijn struintochtjes de mazzel zou hebben om 'm ook te bekijken. Er waren genoeg andere vogels actief in het park. Een ekster schudde zijn verenpak uit en ging op zoek naar een hapje. Halsbandparkieten aten schors van de pas gesnoeide treurwilg. Ik legde de wilde eenden vast die nu in vaste koppeltjes rondzwemmen. Ik ontdekte zelfs een stelletje nieuwkomers: twee krakeendjes. Wat mijn eigen waarnemingen betreft een nieuwe soort in het park. Ik stond nog even te dralen bij twee waterhoentjes toen ik vanuit mijn ooghoek een blauwe flits opmerkte. De ijsvogel kwam aanvliegen en tussen een wirwar van takken op het eilandje in de vijver ging zij zitten (helaas voor de filmerij: in de schaduw). De verschillen tussen mannen en vrouwen ijsvogel zijn niet groot. Alleen aan de kleur van de snavel is het geslacht te herkennen. De ijsvogel op bovenstaande foto is een mannetje: zijn snavel is zwart. Het ijsvogeltje in de film heeft een oranje ondersnavel en is daarmee te identificeren als een vrouwtje. Aan de oranje poten is te zien dat het om een volwassen vogel gaat. Juveniele ijsvogels hebben zwarte pootjes en een witte snavelpunt. Ik hoop dat deze vogel hier zijn domicilie kiest en wellicht in het voorjaar ergens een nestje maakt. Het kan echter ook een wintergast zijn, die net uit Polen is aangekomen.
Vorige week liet ik het woord biomimicry vallen: technologie gebaseerd op inzichten uit de natuur. Ook de ijsvogel heeft techneuten geïnspireerd: de vorm van de snavel is namelijk flink gestroomlijnd. Als een ijsvogel pijlsnel en geruisloos het water induikt spat het water nauwelijks op. Een Japanse ingenieur heeft bij het maken van een verbeterd ontwerp voor een supersnelle trein gebruik gemaakt van die inzichten rond de dolkvormige ijsvogel-snavel. De trein rijdt nu nog sneller, is energiezuiniger en veroorzaakt minder luchtdrukproblemen. Overigens is de ene ijsvogel-snavel de andere niet. Britse wetenschappers maakten vorig jaar 3D modellen van de snavels van liefst 31 soorten ijsvogels en onderwierpen die aan allerlei tests. De meest hydrodynamische snavel behoort toe aan de Groen-bruine ijsvogel – de Chloroceryle inda, bewoner van het Amazonegebied.
Bekijk de ijsvogel en andere vogels in het park in dit filmpje waarin ook de bladeren van eik en beuk gaan kleuren. Een teken dat de herfst overgaat in de winter. Klik hier om het filmpje te bekijken.
De herfst is bij uitstek het jaargetijde van de kleur. Waar we in het voorjaar blij zijn met het frisse groen en het geel, wit en roze van bloeiende bloemen is het najaar veel uitbundiger qua kleur. In het park zag ik hoe de Amerikaanse es en de smalbladige es van rozerood naar oranje en geel verkleurden. Hoe kleuren ontstaan fascineert mij enorm. Al tijdens mijn natuurgidsenopleiding (bijna twintig jaar geleden) ben ik in dat onderwerp gedoken en hield ik er een presentatie over. Ook onderzoekers blijven met het onderwerp bezig en ontdekken nog steeds nieuwe dingen. Daarover later meer. Kleuren ontstaan door lichtbreking en door pigmenten.
Carotenoïden in de natuur
De voornaamste functie van pigmenten in planten is de fotosynthese, die groen pigment gebruikt, genaamd chlorofyl, samen met andere rode en gele pigmenten die planten helpen om zo veel mogelijk licht te vangen. Chlorofyl absorbeert geel en blauw licht terwijl het groen reflecteert. Omdat chlorofyl veel voorkomt in planten, hebben planten een groene kleur. Een andere functie van pigment in planten is het aantrekken van insecten tot bloemen om de bestuiving te bevorderen. Carotenoïden (zoals de oranje kleur van worteltjes) komen het meest voor in de natuur; meer dan 600 soorten. Eén daarvan is lycopeen, dat tomaten hun mooie rode kleur geeft. Luteïne behoort ook tot deze groep, het is een geel pigment dat in fruit en groente voorkomt, bijvoorbeeld in bananenschillen. Daarnaast zijn er nog 250 soorten anthocyanen. Ze hebben een paarsrode kleur, denk hierbij aan rode kool. Hoe sterk een kleur overkomt, hangt van de concentratie van de pigmenten af. Natuurlijke pigmenten werden vroeger gebruikt als verfstoffen. Dat was een bewerkelijk proces en niet altijd even kleurvast over langere tijd. Inmiddels worden de meeste verfstoffen chemisch samengesteld (en niet altijd even milieuvriendelijk).
Chlorofyl of chartreuse?
De meest heldere kleuren in de natuur, zoals felblauw, worden niet door pigmenten gecreëerd, maar door lichtverstrooiing. Dat noemen we structurele kleuren, omdat ze ontstaan door lichtweerkaatsing op hele kleine onregelmatige structuren, bijvoorbeeld in veren of door stofdeeltjes in de lucht. Dat lukt het best bij kleuren met een korte golflengte zoals blauw en groen en minder of helemaal niet bij kleuren met een lange golflengte zoals rood, geel en oranje. Onderzoekers willen nu gaan bekijken of het mogelijk is de structurele kleuren te gaan gebruiken in de verfindustrie. Ze willen dus verf gaan maken zonder giftige (chemische) pigmenten maar met kleine structuren die zorgen voor kleuren door lichtbreking. Hiermee zouden zelfs metallickleuren gemaakt kunnen worden. Maar.... geen roodtinten dus. Misschien moeten ze daarvoor andere structuren creëren of een combinatie maken van structuren en pigmenten. De natuur als inspiratie voor technologie wordt biomimicry genoemd. Dit is er een mooi voorbeeld van. Ik ben benieuwd op welke termijn we dit soort verf op onze muren kunnen aanbrengen. Intussen genieten we van de kleuren die de natuur ons te bieden heeft. En daar heeft de mens dan weer allerlei mooie namen voor verzonnen. Ik heb de beelden van het filmpje van deze week gemonteerd op de tekst van muzieknummers over kleur, gemaakt door Monk Turner. Geel, goud en zilver zijn wel bekend. Fuchsia is een rozerode kleur, zo ver kwam ik met wat tuinkennis ook nog wel. Chartreuse zei me niks, dus ik moest dat opzoeken en kwam erachter dat dit een soort limoengroen is. En bistre is grijsbruin. Geniet van het filmpje en de kleuren door hier te klikken.
Volgende week gaat mijn blog over één van onze kleurrijkste vogeltjes, dat eigenlijk weinig kleur heeft. Misschien kun je op basis van bovenstaande tekst al raden welk vogeltje ik bedoel?