vrijdag 14 april 2017

Sjweikeser Rèngelaote

Het zou afgelopen zondag 24 graden worden, maar daar was in alle vroegte nog niet veel van te merken. De thermometer wees 6 graden aan. Vogels zongen uitbundig en op het gras en de frisgroene blaadjes parelde de dauw. Op spinnenwebben glansden de waterbolletjes als diamanten aan een snoer. Ik was op pad in Sweikhuizen, Zuid Limburg. Een dorpje met nog geen 300 huizen, al waren dat er ooit maar twee, zoals de naam doet vermoeden. Die is namelijk afgeleid van Zweihuizen. De wilgen langs het water hadden bladrozetjes als roosjes, de witte abeelblaadjes leken wel van zilver. Even verderop zag ik het frisgroene meidoornblad mooi afsteken tegen het blauwe water van de Geleenbeek. Esdoornknoppen liepen uit en ontvouwden hun blad. Tegen de steile helling stonden de fruitbomen in volle bloei. Ooit was Sweikhuizen bekend wegens de kweek van een pruimensoort, de groene reine claude ofwel de 'Sjweikeser Rèngelaot' in het lokale dialect.
Van 1820 tot de jaren zestig van de vorige eeuw werden in Sweikhuizen de sappigste pruimen van de streek geteeld. Door ruilverkaveling en verminderde belangstelling voor de fruitteelt ten gunste van de landbouw, raakte de pruimenteelt in verval. Er waren nog maar enkele tientallen bomen over toen vrijwilligers actie ondernamen. In 2000 plantten ze zo'n 100 scheuten van deze pruimenbomen in hun achtertuinen. Met hulp van de gemeente en Natuurmonumenten worden de hellingen inmiddels weer beplant met deze lokale boomsoort. De wit bebloesemde boomtjes staan verspreid in het gras en als ik richting het dorpje kijk, zie ik tussen de andere bomen overal bloesem. Prachtige weitjes met pinksterbloemen, bomen met allerlei schakeringen groen, ik heb het allemaal vastgelegd in dit filmpje.


Op de site van de stichting Stichting Sjweikeser Rèngelaot vind je meer informatie over de lokale pruim. Je kunt er ook een mooie wandelroute downloaden (kijk bij het Ommetje), van een kleine 7 km langs de boomgaarden, het dorpje Sweikhuizen en de Geleenbeek.


zaterdag 8 april 2017

Een lesje vogelzang

Op dagen dat ik vrij ben houd ik de weerapp goed in de gaten. Afgelopen zaterdag zag ik daarop dat de nacht naar zondag helder en koud zou worden, rond zonsopgang stond er een mistwolkje en daarna zon en niet te veel wind. Dat zou een mooie gelegenheid zijn om vogelzang op te nemen. Ik zette de wekker op 7 uur, maar al voor de wekker ging was ik wakker en zag dat de beloofde nevel er inderdaad was. Ik wilde filmen bij de Wijde Aa (Woubrugge) want daar kende ik een plekje waar een blauwborst was gemeld. Ik had ze op andere plaatsen gezien maar nog nooit op foto of film vastgelegd. Naarmate de zon wat hoger klom werd de nevel geler van kleur en lieten de vogels meer van zich horen. De tjiftjaf maakte met meeste kabaal en overstemde sommige andere vogels. Uit het riet klonk het driftige lied van de rietzanger. In het algemeen klinkt de zang van rietvogels vrij ver, zij moeten het vooral van hun geluid hebben om hun aanwezigheid kenbaar te maken. De rietzanger voegt daar nog iets aan toe: af en toe vliegt hij kort boven het riet uit om aan het andere geslacht te laten zien waar hij vertoeft. Het was een hel :) om dat te filmen, want ik wist nooit waar en wanneer hij precies zou verschijnen. Na de landing vloog hij soms tussen het riet naar een ander plekje om daar weer omhoog te vliegen. Ik heb dus minutenlange filmpjes waarop helemaal niets gebeurt. Maar in het digitale tijdperk is er niks verloren en delete je die gewoon. Ik ben er een paar keer in geslaagd om die vlucht toch nog in beeld te krijgen. De rietzanger zelf zat op een gegeven moment mooi in een boom net boven het riet. Ik dacht dat ik 'm scherp had, maar de camera bleek op een rietstengel te hebben gefocust. Ik heb de opname toch maar in de film verwerkt, zodat je kunt zien hoe de vogel eruit ziet; de kenmerkende oogstreep onderscheidt hem van de kleine karekiet, ook een rietvogel. Intussen hoorde ik boven de weilanden de grutto, tureluur en de kievit. De zang van de blauwborst klonk ook luid en duidelijk. Ik tuurde het riet af en vond het raar dat ik 'm niet zag, want het klonk zo dichtbij....Toen bleek dat hij in de els boven mijn hoofd zat te zingen. Tevreden met mijn opname van de blauwborst in het vroege ochtendlicht ging ik thuis ontbijten.



dinsdag 4 april 2017

Na de regen

Afgelopen weekend viel er af en toe wat regen. Niet genoeg om de tuinplanten van voldoende water te voorzien, maar wel mooi genoeg om druppels als diamantjes achter te laten op de bladeren. Toen het droog werd, waren de hommels als eerste insecten weer actief. In het filmpje zie je de akkerhommel, te herkennen aan het roodbruine borststuk en het kontje in dezelfde kleur. Van hommels overwintert alleen de koningin en ieder jaar wordt er een nieuwe staat gesticht. De akkerhommelkoningin gebruikt daarvoor graag muizenholletjes, die ze stoffeert met mos, gras en ander materiaal. Ze vormt daarvan een kogel die ze met was uit klieren aan haar achterlijf aan elkaar plakt. De hommelkoningin is voor de winter bevrucht en deze eitjes legt ze nu in het nieuwe hol in een eibeker van een halve centimeter groot. Na ongeveer vier dagen komen de eitjes uit, het begin van een nieuwe hommelstaat. Omdat hommels zo vroeg in het jaar vliegen, is het belangrijk dat er op dat moment ook voedsel te vinden is in de vorm van nectar en (vooral) stuifmeel. Je kunt hommels helpen door dit leuke plantje in je tuin te zetten: gevlekt longkruid (foto). Zoals je kunt zien in de film maken de hommels er gretig gebruik van. Longkruid komt van nature in Zuid-Limburg voor, maar is op sommige plaatsen in ons land verwilderd vanuit tuinen. Je kunt het bij een tuincentrum kopen. Als de bloemetjes net open gaan zijn ze roze. Later verkleuren ze naar paars. Vroeger werd er een aftreksel gemaakt van deze plant tegen slijmafzetting en andere aandoeningen van de luchtwegen. Zo komt het plantje aan zijn naam longkruid. In de loop van de zomer wordt het blad minder mooi. Ik knip het dan net boven de grond af. Dan komt er weer fris nieuw groen te voorschijn.


maandag 27 maart 2017

Paarse parasiet



De meeste planten hebben bladgroenkorrels, kleine chemische fabriekjes die zorgen dat de plant zelf voedingstoffen kan maken uit water, zonlicht en CO2. Sommige planten hebben die voorziening niet, zij zijn afhankelijk van andere planten voor hun voeding. Dat zijn parasieten, ze gebruiken een ander organisme in hun eigen voordeel zonder er wat voor terug te doen. Een prachtige parasiet is de paarse schubwortel. Een (in ons land) vrij zeldzame plant die je soms in parken of heemtuinen tegenkomt. Ik vond deze in de heemtuin van Leiderdorp. Er is geen sprietje groen aan te bekennen (de blaadjes op de foto's zijn van andere planten), echt een teken dat de plant zelf geen voeding maakt. De paarse schubwortel parasiteert op de wortels van wilgen en populieren. De bloemen bloeien van eind maart tot mei. Dat is de periode dat de sapstroom van de wilgen en populieren op zijn grootst is. Het relatief kleine beetje dat de paarse schubwortel daar van aftapt levert meestal geen schade op voor de boom. De bloemen worden bestoven door hommels en als de zaden rijp zijn, 'slingert' de plant ze weg. Het kan drie tot tien jaar duren eer delen van de plant boven de grond komen. Van oorsprong komt deze plant voor in Zuid-west Europa.



Grutto's, scholeksters en zwarte ibissen



Afgelopen week zaten de grutto's nog in groepen bij elkaar op de vogelplas Starrevaart bij Leidschendam. Ook de scholeksters waren nog niet verspreid over de broedplaatsen. Er werd driftig gevochten om de beste plekjes op het schelpeneilandje en de paaltjes in het water; dat leverde vermakelijke beelden op. Op een gegeven moment kwamen er vier zwarte ibissen aanvliegen. Helemaal zwart zijn ze niet, ze hebben een roodachtige gloed op delen van hun verenkleed. Zwarte ibissen zijn vogels van Zuid-Europa, vooral Spanje en je ziet ze dus niet vaak in Nederland. In dit filmpje kun je nog even te genieten van onze nationale vogel de grutto, tijdens het broeden zullen ze voor ons minder zichtbaar zijn.



dinsdag 21 maart 2017

Winderig gruttoweekend - en andere lenteverschijnselen

Afgelopen zaterdag en zondag was het Welkom Grutto-weekend omdat onze nationale vogel massaal terug in Nederland werd verwacht. Na hun lange reis uit Afrika, met een tussenstop in Spanje of Portugal, komen ze in grote groepen samen om op te vetten. Zodra ze op gewicht zijn, begint de paarvorming. Daarvan was afgelopen weekend al het een en ander te zien. Wij zijn bij het Zaans Rietveld gaan kijken, dat is een klein plas/drasgebiedje in Alphen aan den Rijn. De keiharde wind blies ons (en mijn statief) zowat van de sokken, maar de grutto's trokken zich daar weinig van aan. We zagen er baltsgedrag en de eerste paringen. Mannetjes vlogen hoog op in de lucht en daalden in een snelle vlucht af naar beneden om voor de voeten van hun gewenste partner in het gras te landen. En al vleugel-klappend liepen ze achter hun 'dame' aan. Binnenkort verlaten ze de verzamelplaatsen en gaan als broedpaar naar de plek waar ze eerder gebroed hebben of zelf geboren zijn. Ze zijn ontzettend plaatstrouw en dat is mooi als ze geboren zijn in een bloemrijk weiland op het land van een boer die rekening houdt met de grutto's door zijn maaibeleid aan te passen. Helaas keren grutto's ook trouw terug naar een weiland waar eerder een broedsel verloren ging omdat er te vroeg gemaaid werd. De kans dat er dit jaar wel een nestje vogels uitvliegt is dan helaas klein.
Niet alleen de grutto's waren in paarstemming, ook de scholeksters, met hun zwart/witte verenkleed en kenmerkende oranje snavel paarden al. En de hazen 'rammelden' er op los.
In de luwte van het Bospark zagen we de bloemetjes van uitheemse bolgewasjes die ooit naar Nederland zijn gehaald door de bewoners van landgoederen. Dit noemen we ook wel stinzenplanten, naar een van de plekken waar ze eeuwen geleden geplant werden: bij stinzen (stenen huizen) in Friesland. Aanvankelijk waren het dus tuinplanten, maar veel van deze bolletjes zijn verwilderd en we kunnen ze vinden onder bomen in tuinen, parken en bossen. Ze bloeien vòòr de bomen in het blad komen om optimaal te profiteren van de vroege zonnestralen. In het filmpje zie je onder andere de ongelooflijk blauwe Oosterse sterhyacint tussen gele winterakonieten en een witte bosanemoon (deze zie je ook op de foto bij dit blog). Verder zie je nog de gele sterretjes van het speenkruid en de zonnetjes van het klein hoefblad. Dit zijn twee planten die elk jaar wedijveren om de eerste bloei, maar die niet tot de stinzenplanten worden gerekend. Ze komen van nature voor in ons land.




Als het filmpje niet te zien is in je e-mailnieuwsbrief, klik dan op de titel van dit blog om naar de blogpagina te gaan. Of gebruik de link 'filmpje' in de tekst.

dinsdag 14 maart 2017

Witte dotjes tussen de kale takken

De meeste bomen en struiken zijn nog kaal, maar hier en daar piept het groen van de blaadjes al een beetje te voorschijn. Af en toe duikt er een struik op met een waas van witte dotjes. Nog voor de blaadjes zich ontwikkeld hebben, opent de sleedoorn zijn prachtige witte bloemetjes. Dat is nu overal te zien. Deze struik behoort tot de rozenfamilie, net als de meidoorn en de vogelkers trouwens. Veel wilgen zijn al over de top van hun bloei heen als de sleedoorn nectar en stuifmeel gaat leveren. Vroege insecten zoals hommels maken daar graag gebruik van. Van nature komt deze struik vooral in het oosten en zuiden van ons land voor, maar in veel plantsoenen en langs wegen is deze soort aangeplant, zodat we er vrijwel overal van kunnen genieten. Uit de bloemetjes groeien kleine pruimpjes die in de loop van de zomer van groen naar bedauwd blauwgrijs kleuren. Deze steenvruchtjes zijn waarschijnlijk een voorouder van onze huidige pruimen. Ze zijn echter een stuk kleiner en ook veel wranger/zuurder dan onze 'consumptiepruimen'. Het woord 'slee' betekent 'stroef makend'. Vanuit het Limburgs ken ik de uitdrukking 'schlee tenj' (ik weet niet of het goed schrijf), dat betekent dat iets een stroef gevoel op de tanden geeft.
Nu, dat doen die pruimpjes zeker. Om zo te eten zijn ze niet echt lekker. Maar je kunt ze in jam verwerken, met hun hoge pectinegehalte zorgen ze dan voor een stevige gelei. Wanneer de vorst erover heen is gegaan smaken de pruimpjes iets minder zuur. Dat kun je simuleren door ze een paar nachtjes in de vriezer te leggen. De Engelsen zijn verzot op sleedoornwodka (sloe wodka). De vruchtjes worden ingeprikt en met suiker in een fles wodka gedaan. In een paar maanden tijd kleurt het tot een prachtig rood drankje. Voor de liefhebber :).

Film: Twaalf maanden natuur in het Groene Hart



Na twee jaar filmen is het zo ver. Ik heb mijn mooiste natuurbeelden uit het Groene Hart samengesmeed tot een film van ongeveer 50 minuten. Per maand een sfeerimpressie van een minuut of 4, totaal zijn er zo'n 400 stukjes film in verwerkt. Dat betekent dus veel afwisseling en een gevarieerd beeld van de seizoenen. De trouwe lezers van dit blog zullen heel wat bekende onderwerpen tegenkomen, maar er is ook nieuw en niet eerder gebruikt materiaal te zien. Op 3 april wordt de film om 20.00 uur vertoond in 'de Vlinder', de vaste stek van IVN Alphen aan den Rijn.
Meer informatie kun je lezen op deze pagina van mijn blog. Daar is ook een preview te zien van een kleine twee minuten. Ik hoop jullie te zien op deze 'première'! Meld je dan wel aan, want het aantal plaatsen is beperkt.

woensdag 8 maart 2017

Roestende ransuil

In de winter roesten (rusten) ransuilen vaak in grotere groepen, 10 of 20 van deze vogels bij elkaar is dan geen uitzondering. Verscholen tussen de takken, het liefst in coniferen zodat niemand ze ziet, dutten ze de hele dag. Deze ransuil heb ik afgelopen zomer gefilmd. De uil zal in een appelboom bij vrienden en ik filmde vanuit het huis om het dier niet te verstoren. Op een gegeven moment werd zijn interesse toch gewekt over wat ik daar binnen stond te doen. De uil buigt zich aandachtig voorover en blijft me nieuwsgierig aanstaren. Wie bekijkt wie in de film? De meeste vogels hebben ogen die niet kunnen bewegen, zoals wij onze ogen naar links en rechts kunnen laten kijken terwijl we ons hoofd stil houden. De oplossing voor de vogel zit in een wendbare nek, waardoor hij achterom kan kijken zonder zijn lijf te bewegen. Uilen zijn daar bijzonder goed in en kunnen hun kop meer dan 180 graden draaien.

Uilen gaan 's nacht op jacht naar voedsel. Ze lokaliseren hun prooien op het gehoor maar hebben ook speciale aanpassingen aan hun ogen. Een korte brandpuntsafstand zorgt ervoor dat weinig licht verloren gaat. Het netvlies heeft veel lichtgevoelige cellen (de zogenaamde staafjes), en krachtige oogspieren laten het oog snel scherp stellen. In tegenstelling tot veel andere vogels, die ogen aan de zijkant van hun kop hebben, kijken beide ogen van de uil naar voren, waardoor ze goed diepte kunnen zien en afstanden goed kunnen inschatten. De borstels rond de snavel zijn trouwens ook gevoelig, een beetje zoals de snorharen van zoogdieren. Al met al ziet zo'n uil dus een stuk beter dan de mens. Maar wij winnen het weer op smaakzin. Vogels hebben maar 25-70 smaakpapillen en wij 10.000. Dus echt genieten van de smaak van zijn eten zal de vogel niet. Waarschijnlijk dient de smaakzin bij vogels alleen om het juiste voedsel te selecteren.


Het purpersteeltje is een overlever

Mossen hebben geen echte bladeren en wortels. Water verspreiden ze niet door de plant via een intern vaatsysteem, maar ze nemen het op met hun groene delen, die wel wat op blaadjes lijken. Waar de meeste planten wortels gebruiken om zich in de bodem te verankeren en om voedsel op te zuigen, hebben mossen alleen maar wat haartjes om zich vast te zetten. Juist die eenvoudige structuur maakt ze tot echte overlevers. Voordat de zogenaamde vaatplanten ontstonden, waren er al mossen. We praten dan over ruim 400 miljoen jaar geleden. En nog steeds kunnen we overal mossen tegenkomen: op vochtige grond, maar ook op muurtjes en boomschors. In droge tijden verschrompelt het mos, om bij regen weer 'op te bloeien'. Het purpersteeltje is een van de meest algemene mossen in Nederland. Dat is zo'n beetje de overlever onder alle overlevers, want wetenschappers vermoeden dat dit mos zelfs een atoomoorlog zou kunnen doorstaan. Laten we hopen dat het nooit zover komt dat we dit kunnen bewijzen.... Maar een feit is dat we dit mos op veel plaatsen kunnen zien en dat het zich weinig aantrekt van milieuvervuiling. Dus maak op je volgende wandeling maar eens een diepe buiging voor dit mosje, dan kun je de prachtige sporenkapsels van dichtbij bekijken.