De Groene Jonker is een plas- en moerasgebied bij Nieuwkoop: nieuwe natuur met een natuurlijk waterpeil waar ooit agrarisch land was. In deze tijd van het jaar vinden ganzen er rust en veiligheid gedurende de nacht. In de komende maanden zullen veel trekvogels het gebied bezoeken om even bij te tanken. Ik had me al een tijdje voorgenomen om dit gebied eens te bezoeken als er kans was op een mooie septemberochtendnevel. Afgelopen weekend zag ik op de weerapp dat de omstandigheden zondagochtend goed zouden zijn: een heldere koude nacht zou gevolgd worden door een heldere ochtend. Vorig jaar heb ik in dit blogje al eens uitgelegd hoe die nevel ontstaat. Het vroege opstaan loonde, zoals je in de film kunt zien!
Email-abonnees die het filmpje niet in het emailbericht zien, kunnen op de link 'filmpje' in de tekst klikken of op de titel van dit blog
De drieteenmeeuw met zijn zwarte pootjes zullen we in Nederland niet snel spotten tussen de kokmeeuwen, stormmeeuwen en zilvermeeuwen. De reden is eenvoudig: ze verblijven het grootste deel van het jaar op de noordelijke oceanen en komen niet aan land. En broeden doen ze op steile rotskliffen, ook niet echt voorhanden in Nederland :). In de trektijd kunnen we de drieteenmeeuwen wel zien als ze langs de kust ons land passeren. Sinds 1972 bestaat er een Club van Zeetrekwaarnemers, die vanaf een duin urenlang over zee turen, vaak bij stormachtig weer. Zo'n 10 jaar geleden kregen ze daarbij enorme aantallen drieteenmeeuwen in het vizier. Ze zagen ruim 150.000 exemplaren langs vliegen, gemiddeld bijna honderd per uur, terwijl dat in de jaren daarvoor nog geen 25 drieteenmeeuwen per uur was. Een enkele vogel waagde zich in het binnenland, waardoor er ook waarnemingen waren in Zuid-Holland en bij het IJsselmeer. De komende tijd kun je dus op pad gaan als je deze vogels wilt zien, de grootste aantallen worden in de maand november gespot. Zoals gezegd broeden ze op steile rotswanden, aan de kusten in het noorden van Europa. In Noorwegen hebben ze nieuwe mogelijkheden ontdekt en vinden ze ook broedplaatsen op smalle richels van huizen. In mijn Noorwegenfilm zie je ze op verschillende momenten opduiken. Behalve aan hun donkere pootjes herken je ze aan hun lawaai: je hoort vrijwel continue het krijsende 'kittie wa-aake' waar ze hun Engelse naam Kittiwake aan te danken hebben. We logeerden in het plaatsje Andenes waar de drieteenmeeuwen dag en nacht luid en duidelijk aanwezig waren. Toen ik weer thuis was vond ik het gewoon stil! Ze broeden in groepen en bouwen - als enige meeuwensoort - op rotsrichels nestjes van zeewier, mossen, planten, veren, zeepokken en modder. Dat doen man en vrouw samen. Uit de twee eieren komen witte kuikens, opvallend genoeg hebben ze geen schutkleur zoals bijvoorbeeld de zilvermeeuwenkuikens die lichtbruin gespikkeld zijn en daardoor minder opvallen in het nest.
Maar zilvermeeuwen zijn grondbroeders en de drieteenmeeuwen vertrouwen op hun moeilijk bereikbare nestplek voor de veiligheid van hun jongen. Die weten trouwens instinctief dat ze zich koest moeten houden om niet naar beneden te storten van de klif. Hun ontlasting mikken ze, achteruit staand, over de rand van het nest, waardoor de rotsen eronder behoorlijk wit kleuren. Jonge drieteentjes zijn te herkennen aan de zwarte ring rond hun nek. Op de foto bij het huis zie je er eentje aan de linkerkant, naast de onfortuinlijke dode vogel die in het touw verstrikt lijkt te zijn geraakt. Drieteenmeeuwen voeden zich met vis en ongewervelden die ze uit zee oppikken. Ze jagen in groepen, op het water drijvend pikken ze hun prooien op en soms maken ze een ondiepe duik.
Ook dicht bij huis is er in deze tijd weer van alles te zien. De warme dagen aan het begin van deze week lokten veel insecten naar de bloemen in onze tuin. Allerlei soorten zweefvliegen verzamelden nectar en stuifmeel, in een rap tempo nu het nog kan. Enkele mannetjes waren geïnteresseerd in de vrouwtjes op de Japanse anemoon en bleven er boven vliegen terwijl de vrouwtjes aten. Zodra het vrouwtje bereid is om te paren, zijn ze meteen ter plekke! Heidelibellen jagen vanuit een vast punt en vliegen op als er wat interessants te vangen is. Al 'kauwend' keren ze naar hun plekje terug. Soms lijken ze te lachen naar de camera met hun witte kaken :). Opvallend gedragen de kruisspinnen zich in deze tijd van het jaar. Ze waren er al de hele tijd, maar nu worden ze zichtbaarder. Veel in het voorjaar uitgekomen spinnen zijn al ten prooi gevallen aan de vogels en andere dieren op zoek naar een eiwitrijk hapje. Maar de overlevers hebben nu een behoorlijk formaat en ze spannen hun webben op zichtbare plaatsen. Bij voorkeur dwars over een pad waar je elke dag over heen moet.
Met een beetje spijt voor hun werk maak ik het meestal aan één draad los en drapeer het een beetje over de struiken. Nu las ik trouwens dat ze sowieso elke dag een nieuw web moeten spinnen omdat het slijt door wind en het geworstel van prooien. De prooi van de laatste spin in het filmpje beweegt nog een beetje terwijl deze al helemaal ingesponnen is. De kruisspinnen maken hun wielweb in een minuut of twintig en dat is eigenlijk razendsnel. Ik ga kijken of ik dat proces kan filmen. Als dat lukt dan zie je dat zeker terug in een blog.
Voor (nieuwe) e-mailabonnees: als het filmpje niet te zien is in het bericht, kun je op de titel van het blog, de tekst 'natuurnotities' of op de link 'filmpje' klikken in dit bericht. Je gaat dan naar mijn blog of rechtstreeks naar mijn YouTubekanaal.
Verwarrend hoor, die benaming van de walvissen. Een walvis is geen vis maar een zoogdier. In de film over onze reis naar Noorwegen, die ik vorige week geplaatst heb, kon je vanaf 16 minuut en 12 seconden een zwemmende potvis zien. (Gemist?, klik dan hier). Met een lengte van 11 (vrouwtjes) tot 18 meter (mannetjes) zijn dit de grootste tandwalvissen (waar de orka's die ik vorige week beschreef ook toe behoren) en tevens een van de grootste roofdieren op onze planeet. Die omvang is moeilijk voor te stellen, omdat je maar een deel van het dier kunt zien vanuit een boot; het grootste deel zit onder water. In feite moet je denken aan het formaat bus voor het vrouwtje, het mannetje is bijna anderhalve buslengte. Het plaatje van de Oregon Whale Watching Centre dat ik op internet vond, geeft de verhoudingen tussen de verschillende walvissen, een grote dino, olifant en mens weer. De potvis staat linksboven (sperm whale is de Engelse naam). Bij deze geweldige dieren gelden alleen maar superlatieven. Een gewicht van 50.000 kilo. De grootste hersenen van alle dieren: bijna 8 kilo. Drieduizend liter bloed waarin voldoende zuurstof kan worden opgeslagen om 2 uur (!) onder water te blijven. Dat is wel nodig ook, want de potvis vindt zijn eten op grote diepte: 2500 meter onder het zee-oppervlak zoekt de potvis reuzeninktvissen om zijn honger te stillen. En dat is die tweede vis uit de titel die geen vis is, want inktvissen zijn weekdieren. Vissen zijn gewervelde koudbloedige dieren. Afijn, terug naar die grote inktvissen. Die zijn bijna net zo lang als de potvissen (10-13 meter) en de (grotere) vrouwtjes wegen meer dan 250 kilo (en hun ogen van het formaat voetbal behoren tot de grootste in het dierenrijk). Aangezien een potvis elke dag 3% van zijn lichaamsgewicht moet eten (3% van 50.000 kilo is 1500 kilo), moet hij een stuk of zes van die kanjers van inktvissen zien te vinden. Zoals je op het plaatje kunt zien, is het hoofd van de potvis anders gevormd dan de andere walvissen. Het hoofd is veel vierkanter, terwijl dat bij de andere walvissen meer gestroomlijnd is. Het hoofd van de potvis is gevuld met 3000 liter van een wasachtige vloeistof, walschot genaamd. Aan het wateroppervlak is het walschot vloeibaar en zorgt het voor goed drijfvermogen. Wanneer de potvis afdaalt naar grote diepte, daalt de temperatuur. Het walschot gaat dan stollen en krimpt. Dat vergemakkelijkt het duiken. Wij hadden het geluk drie van deze kolossen te zien duiken. Wachten tot ze weer boven komen heeft daarna weinig zin, want je weet nu dat orka's elke twintig minuten boven komen om adem te halen (mijn blog van vorige week), maar dat dat bij de potvis makkelijk twee uur kan duren.
In de Amsterdamse Waterleidingduinen zijn de geweien van de damherten volgroeid. De fluwelige basthuid raakt nu los. De herten krijgen jeuk en 'vegen' hun geweien om de basthuid te verwijderen, voor elk hoekje van het gewei is er een aparte stronk, tak of boom. Het bloed uit de open geschuurde huid trekt vliegen aan, waar de dieren veel last van hebben. Behalve damherten, waren er ook libellen, vlinders en paddenstoelen te zien. De grote parasolzwammen, met een hoed die wel 40 cm in doorsnede kan zijn, zie je niet snel over het hoofd. Een impressie zie je in het filmpje.
Op 3 april ging mijn film Twaalf Maanden Natuur in het Groene Hart in première bij IVN Alphen aan den Rijn. Wegens grote belangstelling werd de film op 3 mei opnieuw vertoond. Ook toen moesten we een aantal geïnteresseerden teleurstellen omdat er geen plaatsen meer waren. Deze mensen zijn op de wachtlijst geplaatst. Voor deze en andere belangstellenden wordt de film voor de derde en laatste keer geprogrammeerd bij IVN Alphen aan den Rijn, in gebouw De Vlinder op zondagmiddag 19 november 2017, om 14.30 uur.
Reserveren via e-mail: aanmelden@ivn-alphenaandenrijn.nl. Wees er snel bij, want, net als de andere keren, is het aantal beschikbare plaatsen beperkt. Bekijk de trailer op de pagina 'film' via deze link.
Onze vakantie hebben we dit jaar in Noors Lapland doorgebracht: op de eilandengroep Vesteralen die 300 km boven de poolcirkel ligt. Relatief dicht bij de kust, op zo'n 10 km afstand, is daar een gigantische diepwatercanyon te vinden, waar het voor walvissen goed toeven is. Dwergvinvissen, potvissen en ook orka's zijn hier prima waar te nemen. Op de kliffen en eilanden komen duizenden zeevogels broeden, zoals Jan van Genten en papegaaiduikers. Eind juli verdwijnt de zon 's nachts wel weer onder de horizon, maar het wegstervende licht van de zonsondergang gaat bijna naadloos over in de overweldigende zonsopkomst. Een ideale natuurreis dus. Deze keer geen kort filmpje, maar een tamelijk lange, in ruim 25 minuten neem ik je mee naar deze fantastische plek. De foto's bij dit blog zijn door mijn man gemaakt. De komende weken bespreek ik de dieren die je in deze film kunt zien.
Vandaag besteed ik aandacht aan de orka's, die in de film een aantal minuten te zien zijn. We konden ze dan ook ruim vier uur observeren terwijl ze in een groep aan het jagen waren. De hoogste rugvin hoort aan het mannetje toe. Zo'n rugvin kan maximaal 2 meter hoog worden.
Foto: Andy de Bruin
Deze scherpe rugvin heeft de orka de alternatieve naam zwaardwalvis bezorgd. Ondanks deze imposante rugvinnen zijn de mannetjes niet dominant in de groep; het oudste vrouwtje heeft de leiding. Een familiegroepje zoals we hier zagen jagen bestaat meestal uit 2-3 vrouwtjes, één mannetje en een aantal jongen. Er zijn ook wel groepen van 90 dieren waargenomen en soms leeft een mannetje solitair. Elke 20 minuten moeten ze naar de oppervlakte komen om adem te halen, dat is gunstig voor ons, want je kunt ze regelmatig zien (in tegenstelling tot potvissen, waarover meer in een later blog). Binnen de orde van de walvissen behoren de orka's tot de tandwalvissen en daarbinnen weer tot de dolfijnen. Mannetjes kunnen 10 meter lang worden en 10.000 kilo wegen, vrouwtjes blijven wat kleiner, tot maximaal 8,5 meter en zijn op zijn zwaarst 7500 kg. Om op gewicht te blijven moet een volwassen orka dagelijks 400 kg eten verschalken. Dat kan vis zijn, maar ook zeehonden, zeeleeuwen, schildpadden, zeevogels en inktvissen. Ze werken daarbij samen als een team, net als een roedel wolven, en kunnen daardoor grote prooien aan. Enkele honderdduizenden jaren geleden zijn er verschillende groepen orka's ontstaan, die zich onder andere onderscheiden wat betreft het dieet.
Foto: Andy de Bruin
Zo eten de orka's die wij in de zomer gezien hebben vooral zoogdieren. In de winter voeden de orka's voor de Noorse kust zich voornamelijk met de enorme scholen haring die hier dan verblijven. Orka's kunnen over grote afstanden migreren, maar het is niet altijd duidelijk waar ze precies verblijven. Daarvoor is veel onderzoek nodig. In de film zie je onderzoekers van Norwegian Orca Survey aan het werk. Zij nemen stukjes huid van de orka's om dna-analyses te kunnen doen. De orka merkt daar weinig van, ongeveer het gevoel als bij een mens een injectienaald in de huid wordt gestoken. Ook worden de orka's gefotografeerd, want elke orka heeft zijn eigen, unieke tekening. Op die manier kan vastgesteld worden of bepaalde dieren telkens weer opduiken in dezelfde regio. In onze kustgebieden zijn orka's zeldzame dwaalgasten. In 1963 vonden er twee strandingen plaats; één in Noordwijk en één op Texel. In 2010 werd er een orka gespot in de Waddenzee, waarschijnlijk op zoek naar zeehonden. Makreelvissers op de Noordzee zien in oktober wel met enige regelmaat orka's. Deze visetende orka's volgen de migratie van de makrelen en hebben geleerd dat ze bij de vissersboten makkelijk aan een maaltje komen. Aan beide kanten van de boot kunnen er wel 60-70 orka's tegelijk opduiken.
Regelmatig bekijk ik de foto's op de site kijkopnatuur van Cees v/d Niet, natuurliefhebber, fotograaf en, net als ik, regelmatige bezoeker van de Amsterdamse Waterleidingduinen. Op zijn site kwam ik bijgaande foto tegen. Dus deze keer, tegen mijn gewoonte in, geen eigen foto's maar van Cees. Het viel me op dat de sprinkhaan in een houding zat, die ik nooit eerder was tegengekomen. Een rare plaats voor zo'n beestje, dat toch een hapklare brok is voor menige vogel. Cees Determann, ook regelmatig te vinden in de Amsterdamse Waterleidingduinen, liet ons de oplossing van dit raadsel weten, waarover de AWD in 2013 al eens iets publiceerde. En de verklaring was nogal een verrassing. Deze sprinkhaan is namelijk geïnfecteerd door een parasitaire schimmel die het beestje als een robot bestuurt. Dit klinkt als science fiction, maar het werkt als volgt. De schimmelsporen ontwikkelen zich op het lichaam van het insect en breiden zich uit tot ze de hersens bereiken van de sprinkhaan.
Foto: Cees v/d Niet
De schimmel programmeert de hersens zodanig dat de sprinkhaan zich verplaatst naar een plek waar de schimmel zich makkelijk verder kan verspreiden. De sprinkhaan kruipt zo hoog mogelijk in een stengel, wat hij normaal nooit zou doen, en klemt zich daar op een karakteristieke manier vast. In deze houding kunnen de schimmelsporen zich makkelijk verspreiden; de sprinkhaan overlijdt. De schimmel heeft de toepasselijke naam sprinkhaandoder. De natuur en al haar verschijningsvormen blijven me verbazen....
Eind 19e, begin 20ste eeuw vormde het landschap van de Nieuwkoopse Plassen een inspiratiebron voor schilders van de Haagse school. De onderwerpen die deze schilders kozen waren typisch "Hollands": polders, rivierlandschappen, koeien, schapen, molens, visserstaferelen en grote wolkenpartijen. De weergave van het licht en de atmosfeer stond centraal. Het moeilijk bereikbare gebied met open horizon en Hollandse luchten had een grote aantrekkingskracht op schilders als Roelofs en Weissenbruch. Het Haagse Gemeentemuseum wijdde er enkele jaren geleden een tentoonstelling aan.
Op een zonnige dag ben ik gaan filmen bij de plassen. Behalve het prachtige landschap, vond ik er iets dat een andere schilder mateloos inspireerde. Impressionist Claude Monet heeft maar liefst 250 schilderijen gemaakt met waterlelies als thema. Hij reisde er niet voor naar de Nieuwkoopse Plassen, maar schilderde die in zijn tuin in Giverny (Frankrijk). Hij werkte, net als Roelofs en Weissenbruch graag buiten, maar op latere leeftijd lukte het niet meer om er op uit te gaan. De tuin bood de mogelijkheid om op korte afstand van zijn huis toch de levende natuur te schilderen. Een van zijn waterleliewerken leverde bij verkoop drie jaar geleden maar liefst 40 miljoen euro op. Augustus is de maand dat de waterlelies optimaal in bloei zijn, dus trek er nu op uit als je deze schitterende bloemen zelf wilt zien. Daar hoef je geen kunstenaar of fotograaf voor te zijn.
Regelmatig lees ik de nieuwsbrieven van bijenlandschap.nl, in mijn blogs heb ik er vaker naar verwezen. In een recent bericht las ik over het boek 'Gasten van bijenhotels', door Pieter van Breugel. Het hele boek is gratis te downloaden in pdf via deze link. Toen ik online in het boek bladerde, werd ik er al gauw hebberig van. Met zijn vele foto's en 486 (!) pagina's op A4 formaat wilde ik het boek op mijn gemak gaan lezen. Ondanks mijn overvolle boekenkast ben ik gezwicht voor een papieren exemplaar (voor 27,50 Euro + 6,95 Euro verzendkosten). Ik had het de volgende dag al in huis. Mooi vakantieleesvoer voor regenachtige dagen. Ik heb meerdere bijenhotels in mijn tuin, onder andere een schijf van hout die ik ooit kreeg van een IVN landschapsbeheerder en waar we zelf boorgaten variërend van 3-10 mm in hebben gemaakt. Ik heb ook een kastje dat je aan de zijkant open kunt maken zodat je de inhoud van de plastic buisjes kunt bekijken. Daarvan heb ik de foto's gemaakt die je ziet bij dit blog. In het kastje zitten voornamelijk rosse metselbijtjes. Dat zijn actieve gebruikers van nesthulpen en als je zo'n bijenhotel in je tuin hangt, zul je ze vrijwel zeker zien. Zoals de naam al doet vermoeden, 'metselen' deze bijtjes broedcellen van leem met speeksel voor hun nageslacht, meestal een stuk of 20, uitsluitend het werk van de vrouwtjes. Die zijn daar per cel een dag zoet mee. Op zonnige dagen kunnen dat er twee worden. Dit gebeurt in maart/april.
De broedcellen liggen achter elkaar in de gangen en achter de invliegopening, die met een extra dikke prop wordt afgesloten, laten de bijtjes een ruimte vrij. Dat is een slimme actie, want sluipwespen leggen graag hun eitjes in de larven van metselbijtjes. Door die open ruimte (ook wel 'vestibule' genoemd) reiken de legboren van die sluipwespen niet ver genoeg om de echte broedcellen te bereiken. In de achterste broedcellen worden bevruchte eitjes gelegd, dat worden later vrouwtjesbijen. Zij krijgen ook meer stuifmeel in hun broedcel dan de onbevruchte eitjes waaruit later de mannetjes komen. De man/vrouwverhouding bij dit soort solitaire (alleen levende) bijtjes is 50/50. Het stuifmeel wordt gemengd met nectar en om schimmelvorming tegen te gaan voegt de bij er ook antibiotica aan toe. De nectar komt uit de mond van de bij, het verzamelde stuifmeel zit onder haar buik geplakt. Zoals je op de foto ziet, ligt het stuifmeel in een bergje, waar de bijenmoeder achterwaarts tegenop loopt om vervolgens het stuifmeel los te kammen met stijve haren op haar achterpoten. Nadat het ei in deze stuifmeelvoorraad (het bijenbroodje) is geduwd, zit moeders taak erop en wordt het nageslacht aan zijn lot over gelaten.
De eitjes zijn zo gelegd dat de larve met zijn achterste in het eten zit. Hij kromt zich om van het bijenbroodje te eten en maakt zich na enige weken eruit los om verder te eten. Dan kan hij pas voor het eerst poepen zonder zijn eten te vervuilen! Na enkele vervellingen spint de larve zich in, en houdt de poepjes zorgvuldig buiten de (roze gekleurde) cocon. De verpopping gebeurt vrij snel en in augustus liggen de bijen kant en klaar in hun cocon. Ze hebben dan alleen nog een koude winter nodig om uit te komen in maart of april van het volgende jaar. Bekijk meer informatie en vooral veel foto's van het hele proces in hoofdstuk 14 van het eerder genoemde boek. Dat hoofdstuk kun je via deze link downloaden.