zaterdag 19 september 2020

Witjes in overvloed

De afgelopen maanden heb ik twee vlindersoorten in grote aantallen gezien. Ik heb ze, samen met het bont zandoogje, vastgelegd terwijl ze op de bramen in het park aan het zonnen en eten waren (het is al weer mijn vijfentwintigste parkfilmpje overigens). De tweede lichting bloemetjes zorgde voor nectar en de bramen leverden sappig vruchtvlees. De atalanta met zijn zwart/wit/rode vleugels, die binnenkort op trek gaat naar Zuid-Europa om te overwinteren is één van die veel geziene soorten. Je kunt ze op weg helpen door rot fruit in de tuin te leggen. Een lekker zacht rot peertje weten ze te waarderen en slurpen het zoete vruchtvlees op met hun roltong. Tijdens de tuinvlindertelling was dit met ruim 32.000 individuen de meest waargenomen vlinder (in totaal werden er ruim 120.000 vlinders geteld). De andere veel geziene soort zijn witjes. Witjes zijn er in meerdere soorten en maten. Groot en klein koolwitjes tikten in de telling samen de 25.000 individuen aan en bezetten plaats drie en vier, het klein geaderd kwam op de zevende plaats met zo'n 3800 waarnemingen. Voor veel mensen vallen de verschillen tussen deze witjes nauwelijks op, ze zijn ook niet altijd makkelijk uit elkaar te houden. Deze herkenningskaart van de Vlinderstichting kan je erbij helpen. Ik probeer het aan de hand van de foto's uit te leggen voor de twee witjes die ik in het park zag: het geaderd witje en klein koolwitje (die je in tuinen vaker ziet dan het groot koolwitje). 

Als je de onderkant van de vleugels kunt zien, is het klein geaderd witje tamelijk makkelijk te onderscheiden van de andere twee witjes. De grijze bestuiving is geconcentreerd langs de aderen, vandaar de naam. Aan de bovenkant van de vleugels vallen de stippen en de zwarte hoekpunten op. Die stippen vervagen naar de binnenkant enigszins en de donkere vleugelhoeken 'druppelen' naar beneden. 

Ook het klein koolwitje heeft wat grijze bestuiving aan de onderkant, maar deze is egaler en niet geconcentreerd bij de aderen. Op de bovenvleugels hebben ze één rond zwart vlekje en de zwarte hoekpunt eindigt boven dat vlekje. Het groot koolwitje heeft twee vleugelvlekken en de zwarte hoekpunt eindigt aan de onderkant van de bovenste vlek. Het beestje is ook groter, maar dat valt vooral op als je ze samen ziet met kleine koolwitjes. Mocht het je nu zwart en wit duizelen, bekijk dan het filmpje waarin je de witte vlindertjes rond ziet dartelen in het vroege ochtendlicht, door hier te klikken




zaterdag 12 september 2020

Weidebeekjuffers: een schitterend schouwspel

Weidebeekjuffer (man)
Jarenlang ging het bergafwaarts met de beekjuffers: schitterende metallic juffers (kleine libellen) in de kleuren staalblauw en mosgroen. Beekjuffers hebben zuurstofrijk water nodig en in de vorige eeuw waren de beken niet schoon genoeg meer om dat te bieden. Ik herinner me hoe de Geleenbeek zich schuimend van de fosfaten een weg zocht langs het Stammenderbos. Inmiddels is er veel verbeterd aan de waterkwaliteit en met name de weidebeekjuffers hebben hun territoria langs beken weer ingenomen. Gelukkig maar, want een fladderende weidebeekjuffer boven het water is een prachtig schouwspel waar ik blij van wordt. Terwijl mijn man een ijsje at bij de naburige ijsboerderij, posteerde ik mijn camera op statief langs de oever van de Geul bij Camerig om de territoriumdrift, de paring en de ei-afzetting van deze wondermooie juffers vast te leggen. De zon scheen warm in mijn nek, maar het was de moeite waard. Voor de mannetjes van de beekjuffers is het hebben van een territorium een absolute noodzaak om zich voort te kunnen planten. Mannetjes zonder territorium hebben een veel lagere kans om een vrouwtje te paaien. Ze investeren daarom enorm veel energie in het verkrijgen en behouden van een territorium. Na de paring begeleidt het mannetje het vrouwtje bij het ei afzetten binnen het territorium. Hierbij verjaagt hij vrijwel alles wat maar een beetje in de buurt komt van het eiafzettende vrouwtje, zelfs grote libellen. 


Vrouwtjes van de weidebeekjuffer zetten eieren af

En dat verdedigen is erg belangrijk, want als het vrouwtje met een volgend mannetje paart, is dat mannetje in staat om het sperma van zijn voorganger te verwijderen met speciale borstels aan zijn lijf. Om de aandacht van vrouwtjes te trekken hebben weidebeekmannetjes op de onderzijde van de achterlijfspunt een wit vlekje. Op het moment dat een vrouwtje dichtbij of in het territorium van het mannetje verschijnt reageert deze daarop door vlak voor het vrouwtje in de lucht de hangen. Daarbij steekt hij het achterlijf omhoog zodat het ‘achterlichtje’ zichtbaar wordt. Het vrouwtje toont haar interesse door achter het mannetje aan te vliegen en in zijn territorium plaats te nemen. Het mannetje blijft fladderend om het vrouwtje vliegen. Een onderdeel van deze dans is het ‘drijfvertoon’ waarbij het mannetje zich op het water laat vallen en zich een stukje laat meedrijven op het water. Gedacht wordt dat hij hiermee zijn dapperheid etaleert, of dat hij hiermee de aandacht wil vestigen op de kwaliteit van zijn territorium. Eieren van beekjuffers ontwikkelen zich namelijk veel beter naarmate de stroomsnelheid hoger is. Door zich een stukje te laten meedrijven kan het vrouwtje de stroomsnelheid inschatten. Dat gedrag heb ik niet kunnen waarnemen. Feit is wel dat ik de paring en ei-afzetting zag gebeuren op een stukje water waar zeker stroming aanwezig was. In het filmpje heb ik ook de biotoop in beeld gebracht: oevervegetatie is van belang als uitkijkpost en bepaalde waterplanten zijn vitaal voor het afzetten van de eitjes. Geniet van de fraaie juffers in het filmpje door hier te klikken


zaterdag 5 september 2020

Het eken van de eik

Eikels, bladeren en schors van de eik bevatten veel looizuur
In het park begon de hitte en droogte in augustus zijn tol te eisen. Het gras werd geler en bij sommige bomen verkleurden de bladeren alsof het al herfst was. Een halsbandparkiet zat een beetje verdwaasd in de kersenboom met slap hangende blaadjes. Nog niet zo lang geleden was de boom het middelpunt van de 'kersenparty' geweest. Nu hing er zo op het oog geen vrucht meer in de boom. Ik dwaalde rond om de signalen van hitte en droogte vast te leggen. Het viel me op dat de eikels er stevig en gezond uitzagen, hoewel het blad van de eiken wat was aangetast. Een houtpantserjuffer streek neer op een blad en paste mooi bij het kleurenpalet van de boom. Eikenbomen bevatten veel tannine ofwel looizuur, één van de redenen waarom eikels voor mensen niet direct eetbaar zijn. Voor veel dieren is dat echter geen probleem en varkens, zwijnen en herten laten zich deze boomzaden goed smaken. Het woord looizuur roept associaties op met leer looien. Tegenwoordig is dat een kunstmatig chemisch proces maar in vroeger tijden speelde de eik een belangrijke rol bij het looien van leer. Als je de huid van een dier probeert te bewaren zonder bewerking leidt dat tot bederf en rotting omdat de huid uit eiwitten bestaat. Om het proces van bederf te stoppen worden looistoffen toegevoegd die een chemisch proces aangaan met de huid waardoor rottingsbacteriën er geen vat meer op hebben. Ook zorgen die stoffen er voor dat het leer buigzaam en soepel wordt. Hoe precies ontdekt is dat eikenschors kon helpen bij het leerlooien is niet bekend, waarschijnlijk is het proces met vallen en opstaan tot stand gekomen. Om aan voldoende eikenschors te komen was er een beroepsgroep die zich hiermee bezighield: de eekschillers (eek is een streeknaam voor eik). In het voorjaar, als de sapstroom van de eik op gang kwam, werden eikenstammen gekapt en ontdaan van bast en schors. Overigens groeiden de eiken weer opnieuw uit met meerdere stammen zodat men elk jaar kon oogsten van het eikenhakhout. In de eek- of schorsmolen werd de schors vermalen. Het malen van schors was een stoffig werk waarbij huid-irriterende stoffen vrijkwamen. 


De Hooydonkse watermolen in Nederwetten
deed ooit dienst als schorsmolen
Foto: Wammes Waggel - wikimedia

Eekschillers leefden vooral op de arme zandgronden, zoals de Veluwe, waar het leven hard was. Veel mensen moesten hun kostje bij elkaar scharrelen met losse klussen bij boeren aangevuld met bosbessen plukken, sprokkelhout verkopen, varens en mossen verhandelen, eikels en dennenappels verzamelen of stroperij. In het voorjaar kon met het eekschillen in korte tijd relatief veel geld verdiend worden. Voor het looiproces was veel schors nodig en de kwaliteit ervan varieerde per gebied. In bepaalde streken had men viermaal het gewicht van het leer nodig, ongeveer 90 kg voor 22 kg leer. In andere streken was er 100 kg schors nodig voor 45 kg leer (dat is iets meer dan vier koeienhuiden). Het looien van een huid nam een jaar in beslag. Allereerst moest alle bloed en haren verwijderd worden en dan begon het looiproces met de eikenschors. Hiervoor werden zo'n 15 huiden per keer in houten tonnen gelegd. Telkens laagje voor laagje huiden en (vochtig gemaakte) eikenschors. Sommige lagen bestonden uit ruwe snippers schors, maar soms ook tot poederstof vermalen eek. Dat laatste looide krachtiger, maar er was ook meer eikenschors voor nodig, dus men koos voor een combinatie van kracht en besparing. De gaatjes werden opgevuld met looivloeistof van eerdere processen. Per ton ging er zo'n dertig liter water overheen, alles werd goed aangestampt (met trappelende voeten) en met stenen verzwaard zodat de looistof kon doordringen in alle hoeken van de huiden. Het vullen van zo'n ton nam een uur of twee in beslag. In de loop van het jaar werden de tonnen drie keer van schors ververst, tot het leer gereed was voor verdere verwerking. Hendrik Demiddele heeft een hele studie gemaakt van het leerlooien in de middeleeuwen. Als je daar meer over wilt weten, klik dan hier. In het filmpje van deze week zie je zomerbeelden in het park tijdens de hittegolf die inmiddels al weer een paar weken achter ons ligt. Klik hier om het filmpje te bekijken. 


zaterdag 29 augustus 2020

De groene kikker is een moeilijk geval

In het vroege voorjaar (maart) drijven dikke klodders kikkerdril op het wateroppervlak van onze vijver. Die dril is afkomstig van de bruine kikker. Het water is nog vrij koud maar de zon kan de dril met de zwarte eitjes snel opwarmen. Bruine kikkers zijn bruinig van kleur en altijd te herkennen aan de bruine vlek naast het oog. De herkenning van groene kikkers is echter niet zo simpel. Groene kikkers paren later in het jaar en hun dril met tweekleurige (zwart/wit)eitjes verdwijnt onder water, dat inmiddels wat meer op temperatuur is gekomen. De dril is minder zichtbaar voor predatoren die wel een hapje lusten. Om vrouwtjes te interesseren kwaken de mannetjes die daarvoor speciale kwaakblazen hebben. Ze willen niet voor elkaar onder doen dus als er eentje begint, hoor je vaak een heel koor. Bruine kikkers brengen niet meer dan een zacht gesnor voort, dus als je die in de vijver hebt krijg je geen burenruzie over geluidsoverlast :). In het park bij ons huis zag ik op een morgen groene kikkers, die nog af en toe een kwaak-concert gaven. Dan is de vraag: welke soort groene kikker is dat? Dat is dus moeilijk vast te stellen, want je hebt poelkikkers, meerkikkers en bastaarden van die twee. Die laatsten lijken soms wat meer op de ene ouder en soms wat meer op de andere en kunnen behoorlijk variabel zijn. De meerkikker leeft vooral in het westen van Nederland, de poelkikker meer in het oosten. En de bastaard? Die komt overal in ons land voor. 

Stichting Ravon heeft er een herkenningskaart van gemaakt, maar ze geven aan dat de verschillen in het veld nauwelijks waar te nemen zijn. Ik probeerde toch een poging te wagen: er zaten donkere vlekjes in de iris (of was het 'iris is vrij donker'??) en de kwaakblazen waren volgens mij lichtgrijs. Ik heb 'm niet uit het water gehaald (daarvoor waren ze ook te schuw want ze lieten zich moeizaam benaderen) en bovendien zijn kikkers beschermd bij de wet, dus ik kon niet naar de onderkant van hun buik ('grijs gemarmerd' ?) kijken, maar door het water heen leek het wel zo. Al met al denk ik dat het bastaardkikkers waren. Maar zoals Ravon adviseert hou ik het maar op 'groene kikker (soort onbepaald)'. Verder zag ik nog jonge kauwtjes in het park die achter hun ouders aan hipten, maar ook al zelf op zoek naar voedsel gingen. Helaas kwamen ze daarbij ook plastic troep tegen, dat ze gelukkig niet doorslikten. Bekijk het in het filmpje door hier te klikken


zaterdag 22 augustus 2020

De zwarte stern nestelt op een bijzondere plant

Zwarte stern, Cephas / CC BY-SA 
(https://creativecommons.org/licenses/by-sa/3.0)
Ergens eind van de vorige eeuw kocht ik het boek 'De wereld van de zwarte stern' uitgegeven door het wereldnatuurfonds (inmiddels te koop als 'drie boeken voor een tientje' :)). Ik las over deze sierlijke zwarte vogel die in de winter totaal wit is en na een maand of vier à vijf broeden en jongen groot brengen in onze streken naar het midden en zuiden van Afrika vertrekt om daar de winter door te brengen. De aantallen in ons land zijn in de loop van de jaren behoorlijk afgenomen en op dit moment zijn er nog maar zo'n 1400 broedparen in Nederland. Elk jaar nam ik me voor om eens op zoek te gaan naar deze mooie vogel, maar het kwam er nooit van. Ook dit jaar waren we al weer aan de late kant toen we eind juli naar de Krimpenerwaard gingen voor de zwarte sternwandeling van het Zuid-Hollands landschap. Het was een winderige dag in het open veld, zon en wolken wisselden elkaar af. Veel volwassen vogels gaan in juli naar het zuiden en hebben hun zwarte verenkleed dan gedeeltelijk geruid. De jonge vogels vertrekken in augustus en blijven hun hele eerste jaar in Afrika omdat ze dan nog niet broeden. Het zou er om hangen of we de sterns nog konden spotten. Op een hek hoorden we het vrolijke gekwetter van jonge boerenzwaluwen die klaar zaten om gevoerd te worden. Ze namen hun gemak er van en lieten zich de zorg van de oudervogels lekker aanleunen. Al snel zagen we sloten vol krabbenscheer, een oeroude plant. Het is de vertegenwoordiger van een plantengeslacht waarvan de oudste fossielen uit het Eoceen (vijftig miljoen jaar geleden!) stammen. Krabbenscheer is voor de zwarte stern een belangrijke plant omdat zij er hun nesten op bouwen. De stekelige blader-rozetten priemden in groten getale boven het water uit. 

Krabbenscheer vormt grote velden
Voor de zwarte stern heeft deze plant de absolute voorkeur voor het maken van een nestje boven waterleliebladen en nestvlotjes die tegenwoordig geplaatst worden door natuurbeschermers omdat krabbenscheer zeldzaam wordt. De zwarte stern wil een drijvend nest, waar predatoren moeilijk bij kunnen. 'n Krabbenscheerplant weegt ongeveer 1 kilo en heeft luchtkamers om te blijven drijven. Het draagvermogen is ongeveer drie ons. Een volwassen vogel weegt 70 gram en de (meestal) drie kleintjes wegen bij de geboorte minder dan tien gram. Maar met maaltjes van kleine visjes, libellen en andere insecten loopt dat gewicht al snel op. Op een gegeven moment zijn ze zelfs zwaarder dan hun ouders, tot het babyvet wordt omgezet in vliegspieren. Dus zo'n krabbenscheerplant kan één gezinnetje net aan, mede omdat de ouders nooit tegelijk op het nest aanwezig zijn. Zwarte sterns keren elk jaar op dezelfde plek terug om te broeden en dat is met krabbenscheer nog niet zo makkelijk. De plant is een pioniersoort voor verlanding en na tien jaar kan die niet meer groeien op dezelfde plek. Behalve dit nadeel heeft de plant veel voordelen: de plant neemt veel zuurstof op in de luchtkamers, het water rond de plant is daarom zuurstofarm en bovendien donker door de dichte matten krabbenscheer. 
Er groeien weinig andere planten in de buurt bij de krabbenscheer, dus roofvissen kunnen zich niet verschuilen en het is te donker om op zicht te jagen op de sternkuikens. Bloedzuigers vormen een andere bedreiging voor de jonge vogels, men vermoedt dat de giftige bladeren van de plant ze op een afstand houden. De stekelige punten houden aanvallen uit de lucht tegen, want geen kraai, kiekendief of meeuw wil het risico lopen zijn ogen of vleugels te beschadigen aan de scherpe randen. 
Ter hoogte van de Berkenwoudse boezem kregen we de eerste zwarte sterns in beeld. Sierlijk vlogen ze boven het water op zoek naar voedsel. Helaas vlogen ze te snel weg om de camera erbij te pakken. Dat lukte een stukje verderop wel, waar de sterntjes boven een zandplaat vlogen en jongen (wit met zwart verenkleed) voerden. Maar met maximale zoom en maximale wind zijn dat niet echt goede beelden geworden. Behalve de boerenzwaluwtjes zagen we onderweg nog meer mooie dingen, dus bekijk het op je gemak in het filmpje door hier te klikken


zaterdag 15 augustus 2020

Zomer op de Kunderberg

Esparcette, verwilderd veevoer
Een wandeling door het Limburgse heuvelland is altijd een traktatie, al werkte het weer niet helemaal mee op de maandagochtend dat we over de Kunderberg liepen. De zon liet zich af en toe zien, er vielen wat spatjes regen en het waaide flink. De Kunderberg staat bekend om zijn zeldzame bloemensoorten die goed gedijen op de kalkgraslanden zoals wilde majoraan, duifkruid, knikkende distel en het voor mij nog onbekende esparcette. Dat is een mooie roze vlinderbloemige, die een beetje lijkt op lupine. Maar de esparcette is kleiner dan lupine en de bloemetjes zijn subtiel gestreept. De soort is aangeplant als veevoer en vanuit de akkers verwilderd. Het waaide te hard om veel vlinders te zien, maar hier en daar viel er een enkel exemplaar te ontdekken. In de luwte van een bosrand warmde een boomblauwtje van de tweede generatie zich op. Aan de bovenkant zijn de mannetjes en de vrouwtjes van het boomblauwtje effen lichtblauw, de mannen hebben een brede zwarte vleugelrand. De onderkant is zilvergrijs met zwarte stipjes. De eitjes worden gelegd bij  bloemknoppen. Hierdoor moet de eerste generatie van de boomblauwtjes, die in het voorjaar vliegt, andere waardplanten kiezen dan de zomergeneratie. De meeste planten hebben immers maar een korte bloeiperiode. In het voorjaar zetten ze de eitjes bijvoorbeeld af op hulst. In de zomer gebruiken ze klimop, vlinderstruik en de paarse kattenstaart. Boven het plateau jubelde een veldleeuwerik hoog in de lucht; een geluid dat ik associeer met mijn Limburgse jeugd, toen deze vogels zo gewoon waren dat je ze 's zomers altijd kon horen.
Veldleeuwerik
Foto: wikimedia, By Diliff - Own work, CC BY-SA 3.0
Om vrouwtjes te imponeren stijgen de mannetjes tot wel 100 meter hoogte in de lucht om daar hun vrolijke lied te kwelen. Er schijnt een veldleeuwerik te zijn geweest die maar liefst 56 minuten in de lucht bleef zingen voor hij neerdaalde aan de voeten van zijn begeerde vrouwtje. Of zijn avances effect hebben gehad vermeldt het verhaal niet :). Van de 750.000 broedparen uit mijn jeugd zijn er nog maar 35.000 over, zo'n 5% vergeleken met de jaren zeventig. Verlies van leefgebied is hiervan de grootste oorzaak. We daalden door een holle weg af richting Heerlen en kwamen bij een gebied met akkerbouw, waar de veldleeuweriken nog steeds te horen waren boven de gerstvelden. De wolkenlucht begon er dreigender uit te zien, met de glooiende groene en goudkleurige akkers eronder was het wel een prachtig gezicht. We konden ons brood nog oppeuzelen in de zon, maar die ging daarna al snel schuil achter de wolken. We zaten net in de auto toen de eerste spetters van een flinke regenbui afketsten op de voorruit. Loop de wandeling met ons mee in het filmpje door hier te klikken.


zaterdag 8 augustus 2020

Muntvlinder: micro's in de tuin

Zweefvlieg op herfstanemoon
Na alle frisse kleuren van het voorjaar begint de natuur er al weer een beetje verfomfaaid uit te zien: de bladeren worden aangevreten en zijn bestoft geraakt. Zaden worden gevormd en er zijn al bladeren die rood of bruin verkleuren. Datzelfde proces is ook in mijn tuin te zien. Maar op een typische Nederlandse zomerdag, rond de twintig graden en afwisselend bewolkt en zonnig, nam ik toch de camera ter hand. Ik besloot te focussen op structuren en het gefilterde licht dat door de bladeren scheen. Dat laatste hoort voor mij helemaal bij de zomer. Ik zette de knop op mijn camera op zwart/wit. Hiermee camoufleerde ik het verval, want als je de dorre bruine kleuren niet ziet, worden zelfs de gaten in een rabarberblad fotogeniek. Het luchtverkeer vanuit Schiphol was nog steeds niet op het oude niveau en ik genoot van de stilte en het nu hoorbare gezoem van de insecten. Een muntvlindertje verdween in een bloemkelk en leek als een mier de bloem aan de andere kant te verlaten :). Dat geeft wel aan hoe klein dit vlindertje is, niet meer dan één tot anderhalve centimeter. Deze soort wordt dan ook gerekend tot de microvlinders. Het is een nachtvlinder, maar dan een dagactieve. In een eerdere blog heb ik al eens uitgelegd hoe dat zit met dag- en nachtvlinders.
Muntvlinder
Afijn, dat muntvlindertje moet je even wat beter bekijken, want met zijn paars/oranje mantel ziet-ie er fraai uit. Je kunt hem in grote delen van het land zien, behalve op de droge zandgronden. In tuinen komen ze veel voor en tijdens de tuinvlindertelling worden ze dan ook vaak gezien. Zoals de naam al doet vermoeden, is er een link met munt, en dan vooral watermunt. Dat is de waardplant van de rupsen. Die groeit in onze vijver, dus de aanwezigheid van dit insect kan geen verrassing zijn. Maar de rupsen kunnen ook toe met andere planten zoals citroenmelisse, oregano en kattenkruid. Muntvlinders leven in twee generaties. De zomergeneratie kun je nu zien, die vliegt van juli tot oktober. De ontwikkeling van ei tot vlinder gaat bij deze generatie razendsnel: twee weken als rups en één week als pop en dan is de vlinder klaar om uit te vliegen. De eitjes die deze generatie legt, zorgen voor de nieuwe lichting in het voorjaar. De rupsen overwinteren in een samengevouwen bladeromhulsel. In april verpoppen ze en deze voorjaarsgeneratie kun je tot juni zien. Droom even weg bij het relaxte zomerfilmpje door hier te klikken.


zaterdag 1 augustus 2020

De Torenvalk: bidden voor het eten

Prachtige wolkenluchten torenden hoog boven de polder uit
Op een mooie zomeravond - na een werkdag waarop we ons weer eens acht uur blind hadden gestaard op het thuiswerkcomputerscherm - besloten we er nog even op uit te gaan. De zonsondergang zou wel eens een mooie kunnen worden, dus besloten we voor een wandelingetje langs de Wijde Aa, met goed uitzicht naar alle windstreken. Het pad tussen de parkeerplaats en de Wijde Aa werd opnieuw geasfalteerd maar we mochten er nog even langs glippen. Prachtige wolkenluchten torenden hoog boven de polder uit en naarmate de zon lager stond, kleurden ze meer en meer roze. Kieviten streken neer in het pas gemaaide gras en we ontwaarden nog een paar andere vogels: het bleken zowaar kemphaantjes te zijn! Boven ons stond een torenvalkje biddend in de lucht. Tegen de wind in speurde de vogel naar een prooi. Dat bidden heeft niks te maken met het opzeggen van een gebedje, maar is waarschijnlijk een verkeerde vertaling van het Engelse woord preying dat 'een prooi zoeken' betekent. Dat klinkt weliswaar hetzelfde als 'praying' (dat bidden betekent), maar is toch wel wat anders. Op een gegeven moment dook de valk omlaag: er was een muis verschalkt. Dat is het favoriete voedsel van de torenvalk. Daar is jaren onderzoek naar gedaan. Zo stuitte ik op een artikel van Rob Bijlsma in het blad Takkeling in 2012. De introductie van het artikel kwam nogal als een schok in onze huidige beleving. "Als je een eeuw geleden wilde weten wat een roofvogel at, haalde je het geweer uit de gangkast. Aan de hand van de inhoud van magen en kroppen uit de geschoten roofvogels waren prooilijsten samen te stellen die een accuraat beeld schetsten van wat roofvogels zoal op hun menu hadden staan....Ruim een eeuw geleden waren de bevindingen van Dr. Georg Rörig (1903,1907,1910) een belangrijke doorbraak in de kennis van roofvogels als onderdeel van een ecosysteem. Zijn roofvogels waren overwegend in Noord- en Midden-Duitsland bij elkaar geknald, waaronder 1237 Buizerds, ‘maar’ (zijn eigen aanhalingstekens) 180 Haviken en 516 Torenvalken. In de magen van Torenvalken vond hij 3 spitsmuizen, 642 muizen, 1 rat, 1 jonge haas, 20 vogels, 9 zandhagedissen, 1 hazelworm, 125 insecten en 1 spin."
Biddende torenvalk
Anno 2020 is het niet meer voor te stellen dat roofvogels neergeschoten worden voor onderzoek. Sinds de grote neergang in aantallen aan het eind van de vorige eeuw (voornamelijk te wijten aan het pesticidengebruik dat zich opstapelt in het lichaam van toppredatoren), zijn we blij dat er weer wat meer roofvogels rondvliegen. Gelukkig ging men rond de dertiger jaren van de vorige eeuw al over op een andere manier van onderzoek: men bekeek prooiresten en braakballen. Ook daar keek men niet op eentje meer of minder: "Nog wat later ging Otto Uttendörfer (1939, 1952) van start met het uitpluizen van braakballen en het verzamelen van geplukte prooien. Uttendörfer en zijn medewerkers waren vrijwilligers, die al in 1939 konden bogen op een prooicollectie van 255.314 gewervelde dieren, vastgesteld bij 21 soorten roofvogels en uilen." Torenvalken eten vooral muizen en daar blijven weinig prooiresten van achter in het veld. Daarom leunt het voedselonderzoek bij deze soort sterk op de braakballen. En dat heeft ook zo zijn nadelen. "Roofvogels hebben een sterk maagsap. Iedereen die wel eens braakballen van een Torenvalk heeft uitgeplozen, weet dat zoiets een tamelijk teleurstellende bezigheid is. Je moet echt heel goed kijken en zoeken, en dan nog zal hooguit 38% van de prooien via pluizen en op het oog identificeren van resten aan het licht komen. Bij andere experimenten bleek dat van muizen slechts ruim 16%, en van vogels ruim 8% van de aangevoerde prooien in braakballen werd teruggevonden. En dan heb ik het nog niet over de insecten (en andere ongewervelden) gehad; hoe die in vredesnaam te kwantificeren? Niet voor niets volstaan veel torenvalkonderzoekers bij hun prooianalyses met de vermelding dat er veel/weinig insecten in de braakballen werden gevonden. Zelf telde ik koppen, halsschilden en elytra (kevers), legboren, furficula (de ‘tangen’ aan het achterlijf van oorwormen), vleugels (sprinkhanen) en andere herkenbare unieke delen van insectenskeletten. Maar of die insecten door de valken gevangen waren, of via een prooi waren meegekomen, staat er natuurlijk niet bij. Het blijft dus behelpen." 

Afijn, na zo'n dertig jaar tellen in Drenthe en veertig jaar onderzoeken op de Veluwe kan de conclusie getrokken worden dat de muis het hoofdvoedsel is van de torenvalk. De rest van de prooien is 'klein bier', zoals je in onderstaande tabel kunt aflezen.

Voedsel van torenvalken, Bron: Rob G. Bijlsma, de Takkeling (2012)

Als je goed kijkt zie je dat de valk in het filmpje een typische prooi gevangen heeft: een muis die je heel even in de snavel ziet tussen het lange gras. Toen de zon onder was, liepen we terug naar de parkeerplaats, waar we met moeite de auto konden bevrijden tussen alle asfalteermachines die inmiddels waren aangerukt :). Bekijk het filmpje door hier te klikken.


zaterdag 25 juli 2020

Dringen in de kersenboom

Halsbandparkiet eet zoete kers
Aan de rand van de sloot voor ons huis staat een zoete kersenboom. Bij het ochtendgloren hoor ik al het harde krijsen van de halsbandparkieten die gretig de kleine kersen opeten. Bomen en struiken met eetbare vruchten zijn niet alleen bij dieren in trek, maar ook bij mensen zo lang als de mensheid bestaat. Eerst waren alleen de wilde autochtone vruchtsoorten voorhanden, maar door handel en kweken kwamen soorten met grotere vruchten op de markt. Vanaf de nieuwe steentijd werden vruchtbomen aangeplant bij de boerderij en werden op die manier onderdeel van ons cultuurlandschap. Soorten die door mensen in cultuur zijn gebracht zijn onder andere sleedoorn, pruim, zoete en zure kers, appel en peer, hazelnoot en mispel. Maar voor die tijd moesten we het doen met wat de natuur ons bood. Onze oorspronkelijke natuurlijke bossen waren arm aan eetbare vruchten. Vóór de komst van de eerste landbouwers was het vooral de hazelaar die als ondergroei van de eikenbossen groeide en de noten daarvan waren erg populair vanwege hun smaak en voedingswaarde. Eikels werden ook wel gegeten (in gepofte vorm) maar vermoedelijk meer als noodrantsoen. In de bosranden stonden de sleedoorns met een wat wrange, maar na een vorstperiode eetbare vrucht. De zure pruimpjes werden toen wellicht meer gewaardeerd dan nu omdat de mensen minder gewend waren aan suiker. Ook werden de vruchten van de wilde lijsterbes, bramen, vogelkers, gewone vlier, rode en blauwe bosbes en de schijnvruchten van meidoorns en rozen verzameld. Mogelijk werden zelfs de zaden van grove den en linden gegeten. In de nieuwe steentijd, (zo'n 5000 jaar geleden), bereikt de beuk met eetbare zaden onze noordelijke streken. De migratie ervan werd waarschijnlijk een handje geholpen door de mens. Ook de wilde appel en wilde peer dateren vermoedelijk uit deze periode.
Zoete kers of boskriek
Van nog latere datum zijn de zoete kers, die ook wel boskriek wordt genoemd, de kroospruim en kerspruim die door de Romeinen werden geïntroduceerd. Die brachten bij hun veroveringen van Noord-Europa ook soorten als de walnoot, mispel en tamme kastanje naar onze streken. De zoete kers komt in ons land van nature voor in het zuid-oostelijke deel. Vooral in Limburg zie ik ze vaak in bossen en langs holle wegen, waar de grond bezaaid is met de pitten en paarsige vlekken van het vruchtvlees. Vogels, maar ook dassen kunnen zich flink tegoed doen aan het fruit. Hoewel de zoete kers de basis is voor onze kersenteelt, is het belang daarvan afgenomen omdat de zoete kers niet als laagstam te kweken is. En de tijd dat mensen de boomgaard in gingen op lange ladders om de kersen te plukken is al lang voorbij. Het is te arbeidsintensief en daarmee te duur. Vogels hebben daar geen last van, ze strijken neer op een tak en kunnen smullen van de kersen. Toch zul je in het filmpje zien dat ze soms nog wel wat capriolen uit moeten halen om bij de zoete vruchten te komen. Het kauwtje neemt daarom genoegen met de kersen die op de grond zijn gevallen. Een jonge ekster gaat nogal onhandig te werk, ik vind het moment dat-ie een blaadje optilt om te kijken of er een kers onder groeit wel grappig. Bekijk hoe de halsbandparkieten zich te goed doen aan het fruit. Er zijn dit jaar weer een flink aantal jonkies van deze groene exoten geboren. Je herkent ze aan de 'babyogen' (donker) en kleinere snavel. Niet alleen de kersen zijn rijp, maar ook andere zaden en vruchten zijn al (bijna) zover. Klik hier om het filmpje te bekijken.



zaterdag 18 juli 2020

Een vogel vliegt uit

Een jaar of twintig geleden timmerde ik zelf een mussenkast; drie nestkastjes aan elkaar omdat mussen koloniebroeders zijn en graag elkaars gezelschap opzoeken.
Zal ik de sprong wagen?
Het goede nieuws is dat ik een heel degelijk bouwwerkje heb opgeleverd want het is nog steeds in goede staat. Het slechte nieuws is dat er nooit mussen in hebben gebroed. Toch is het middelste van de drie nestkastjes vrijwel elk jaar bezet: door een koolmezenpaartje. Jaar na jaar zien we de bouwactiviteiten van het nest. Het in ons gazon rijkelijk aanwezige mos wordt daar dankbaar voor gebruikt. De sierappelboom is in gebruik als uitkijkpunt en aanvliegroute naar de noordelijke ingang van de nestkast. Dan blijft het een tijdje stil, het broedende vrouwtje krijgt gedurende de twee weken dat ze op de eieren zit af en toe een hapje aangereikt van manlief. Op een dag horen we hele zachte piepjes: de kleintjes zijn uit het ei gekropen. Ze wegen maar twee gram. Nu breekt er voor vader en moeder een drukke periode aan, want als het goed is moeten de vogeltjes nu één gram per dag gaan groeien tot ze ongeveer 17-18 gram wegen. Rupsjes en ander dierlijk voedsel wordt aangesleept. De kleine vogeltjes worden een kleine drie weken gevoerd. Op het hoogtepunt - als de jonkies flink gegroeid zijn - zijn daarvoor wel 600 voedselvluchten per dag nodig. Ik ben er blij mee, want er wordt in onze tuin dan flink aan plaagbestrijding gedaan :). Elk jaar hoop ik getuige te zijn van het uitvliegen van de jonge meesjes. Eén keer zag ik twee kleintjes op de pergola zitten, maar het moment suprême had ik gemist. Vorig jaar heb ik hele middagen met de camera in de aanslag in de tuin gezeten, maar toen kozen de mezen het moment uit dat wij naar de supermarkt waren. Toen we terugkwamen klonk er geen gepiep meer uit vogelkeeltjes en was het nestje leeg. Thuiswerken ten tijde van de lockdown heeft dan toch nog een voordeel opgeleverd. Omdat we de hele dag thuis waren en de keukendeur door het mooie weer openstond konden we de verrichtingen in en om het nestje volgen. Als het tijd wordt om uit te vliegen, stoppen de ouders namelijk met voeren en maken ze lokgeluidjes om de kids aan te sporen om uit het overvolle nestkastje te komen. Uiteindelijk ging er toch nog heel wat tijd overheen eer de eerste mees de sprong waagde.
De jonge koolmees, net uit de kast
Ik had de moed al bijna opgegeven en de camera in de keuken gezet toen het toch nog leek te gaan gebeuren. Na vele verkenningsacties waarbij de koolmees vanuit het nestkastje met zijn jonge koppie parmantig de wereld in keek, vloog de vogel uit. Hij moest nog wel wennen aan het felle buitenlicht en even bijkomen van de sprong in het diepe terwijl hij op de leuning van de tuinstoel zat. Hij verplaatste zich naar de rozenstruik waar hem nog een maaltje werd gevoerd. De volgende dag was het hele nestje leeg, alle vogels waren succesvol uitgevlogen. Je kunt het hele proces zien in het filmpje door hier te klikken.