zondag 21 oktober 2018

Zwarte els in pastelkleurig landschap

Els
De zonsopgangen zijn inmiddels op ARBO-tijden en als ik naar mijn werk rijd, zie ik jaloersmakende ochtendnevel waar ik niks mee kan doen, behalve er zelf van genieten. Maar op een ochtend dat ik er wel met de camera op uit kon trekken had ik geluk. Bij het dorpje Aarlanderveen zag ik de zon opkomen en de natte weilanden zorgden voor een mooie waas van mist. Vliegtuigen lieten condensstrepen in de lucht achter - iets waaraan je nauwelijks ontkomt als je onder de rook van Schiphol woont - maar door de zon werden ze mooi belicht. Dat vergoedde de vervuiling een beetje. Het dorpje ligt midden tussen de weilanden en om wat diepte in de beelden te krijgen, koos ik voor de omlijsting door de zwarte elzen die er langs de slootkant groeien.
Van alle inheemse bomen komt de els het meest voor in Nederland. Op de Veluwe en in de Noordoostpolder ontbreekt-ie op een paar plekjes, maar dat is dan ook alles. De soort kan goed tegen nattigheid en is te vinden in moerasbos, dat vroeger, zeker in het westen van het land, heel algemeen was. Tegenwoordig is hij vooral te zien langs sloten. Als geen andere soort is de els voorbereid op de moeilijke leefomstandigheden van stilstaand, zuurstofarm water. Met stikstofbolletjes aan de wortels voorziet hij in zijn eigen voedsel. Bovendien vormen de wortels zogenaamde zinkers met een sponsachtige structuur waardoor de boom steviger staat. De zaadjes die uit de opengesprongen elzenproppen dwarrelen hebben luchtblaasjes zodat ze blijven drijven op het water. Eenmaal ergens aangespoeld vormen ze al snel een rij nieuwe boompjes langs de waterkant. Vroeger waren deze elzensingels heel talrijk, er was meer dan honderdduizend strekkende kilometer van in het toenmalige kleinschalige akkerland. De meeste elzensingels zijn nu nog te vinden in het gebied tussen Drachten en Dokkum (Friesland), daar staat nog een restant van bij elkaar opgeteld 3000 kilometer.
Aarlanderveen met ochtendnevel

Inmiddels was de zon boven de horizon uitgekomen en baadde de weilanden in een gouden licht. Een boer had zijn koeien het weiland in gestuurd en dat leverde mooie beelden op. Overigens kunnen koeien het slachtoffer worden van de els. Door de wortelmassa van die zinkers, is de boom bijzonder geaard. En dat leidt regelmatig tot blikseminslag in de elzen. Van de honderd koeien die jaarlijks door de bliksem worden getroffen is er altijd een behoorlijk aantal dat onder elzen stond te schuilen....
Op deze mooie ochtend was er echter geen wolkje aan de lucht en konden de koeien (en schapen) vredig grazen.

E-mailabonnees kunnen hier klikken om het filmpje te bekijken.


zondag 14 oktober 2018

Berkenzwam is (g)een berkendoder

Berkenzwam
Hoewel we een zeer droge zomer en dito herfst hebben, zijn er tot mijn verbazing nog wel wat paddenstoelen te vinden. Vorig jaar rond deze tijd schreef ik over de reuzenbovist, een buikzwam die ik ook dit jaar weer tegenkwam terwijl ik paddenstoelen filmde in Park Zegersloot. Vandaag besteed ik aandacht aan de berkenzwam. Deze buisjeszwam is een zogenaamde zwakteparasiet. Dat wil zeggen dat de zwam de boom infecteert op het moment dat deze verzwakt is. Bijvoorbeeld doordat er takken zijn afwaaid tijdens een storm, de boom uitgedroogd is of er andere bomen in de omgeving van de berk licht en ruimte wegnemen. Een berk wordt ongeveer 80 jaar, een mensenleeftijd en een jonkie vergeleken met eiken, beuken en lindes die makkelijk honderden jaren oud kunnen worden en vele mensengeneraties zien komen en gaan. De berkenzwam woekert in het binnenste van de boom en veroorzaakt daar bruinrot. Op de zwakke plek breekt de boom vaak af om op de grond verder te verteren. De paddenstoelen (vruchtlichamen met sporen) komen dan pas op de boom. Dus als je een berkenzwam ziet, heeft er al een heel proces plaatsgevonden. De berkenzwam heet in de volksmond berkendoder. In feite is de boom al kwijnende voordat de berkendoder zijn slag slaat, maar het verval wordt wel versneld met de komst van deze parasiet. Dus ik laat het aan jou om te bepalen of je deze bijnaam terecht vindt :). Overigens komen er nog 29 andere paddenstoelen op of onder de berk voor en wel 330 soorten insecten en mijten. Meer daarover lees je in dit artikel.
Bloedweizwam of blote billetjeszwam
De paddenstoel op het steeltje is een andere soort
Vorig jaar zag ik in dit gebied de bloedweizwam, ook wel gewone boomwrat genoemd. Een mooiere naam vind ik blote billetjeszwam, heel toepasselijk zoals je op de foto ziet. Dit is echter geen schimmel maar een slijmzwam. Dat zijn eencellige organismen die zich kunnen verplaatsen. Aanvankelijk zijn de 'billetjes' roze, maar als ze sporen gaan vormen worden ze bruin.

Je kunt de berkenzwam en andere paddenstoelen zien in het filmpje.

E-mailabonnees kunnen hier klikken om naar het filmpje te gaan.


zondag 7 oktober 2018

Opmars in ganzenpas

Grauwe ganzen strijken neer voor
de nacht op de Wijde Aa (Z-H)
In het donker van de nacht hoor ik ze over ons huis vliegen: grote groepen gakkende ganzen. Langzaam stromen ook de overwinteraars vanuit Noord- en Oost-Europa, Spitsbergen en Siberië weer ons land binnen, op het hoogtepunt van de winter zijn ze met z'n 2 miljoenen. Ik reed vorige week naar huis van mijn werk. Het was een warme dag geweest voor de tijd van het jaar. Langs de Wijde Aa zag ik vanaf de weg een grote groep nijlganzen zitten. Met volop zon en wat wolkjes aan de einder bedacht ik dat het wel eens een mooie zonsondergang kon worden, daar boven het water. Thuisgekomen pakte ik mijn camera en statief en vertrok onmiddellijk weer richting het water. Naast de parkeerplaats graasden koeien in het avondlicht. Spinnendraden dansten op het beetje wind dat er was. De nijlganzen zaten er nog, ze waren waakzaam toen ik uitstapte, maar vlogen niet op. Deze van oorsprong exotische vogels, hebben met grote broedsuccessen in de laatste 20 jaar een flinke populatie gevormd. Van enkele ontsnapte vogels naar zo'n 12.000 exemplaren nu.
Nijlganzen soezen in het avondlicht
De vogels hebben zich vermeerderd vanuit Den Haag en Groningen, waar de nijlganzen blijkens de statistieken zijn ontsnapt. 

Boven het water van de Wijde Aa was het een drukte van belang van grauwe ganzen. Ook deze soort heeft een opmerkelijke groei doorgemaakt, eigenlijk is er sprake van een comeback. Door bejaging en verlies van het leefgebied (moerassen) was de vogel uit ons land verdwenen. In de jaren 70 van de vorige eeuw zijn ze opnieuw uitgezet in Friesland en het Deltagebied. Maar de echte sprong voorwaarts kwam met de spontane vestiging van grauwe ganzen in de Oostvaardersplassen. Gemiddeld zijn er nu zo'n 200.000 grauwe ganzen in Nederland, met een piek in de winter van ruim 400.000 vogels. Terwijl de zon onderging, kon ik een mooie ganzenvlucht filmen tegen de oranjerode lucht. Ze vlogen langs de molens en boven de verlichte voetbalvelden van Hoogmade. In een volgebouwd land is er blijkbaar toch nog plek voor deze gasten. 
E-mailabonnees kunnen hier klikken om het filmpje te bekijken. 


maandag 1 oktober 2018

Ze komen met kilo's uit de lucht vallen

Ik merkte het al eerder op: er hangen heel veel zaden en vruchten aan de bomen dit jaar. Ik spreek dan in heel algemene termen: veel, heel veel. Maar er zijn ook mensen die berekenen hoe veel er bij benadering aan de bomen hangt. Dat hebben ze gedaan voor eikels en beukennootjes op de Veluwe. Daar zal volgens de schatting zo'n 4,7 miljoen kilo eikels uit de bomen vallen. Er zijn niet alleen veel eikels, ze zijn ook wat groter dan normaal, soms wel meer dan 10 gram per eikel. De wilde zwijnen kunnen hun buikjes rond eten en hebben met deze kanjers aan 200-300 eikels per dag genoeg. Beukennootjes zijn een stuk kleiner en lichter, maar daarvan hangt altijd nog ongeveer 1,6 miljoen kilo aan de takken. Die boomsoort is meestal niet zo scheutig met zijn zaden en produceert lang niet elk jaar. Maar in de afgelopen zes jaar was het elke herfst raak.
Nog lichter dan beukennootjes zijn bladeren. Ook daar heeft iemand flink mee zitten rekenen. Diegene heeft uitgevogeld dat er zo'n 35 miljoen kilo bladeren op de composthoop belanden, en dat gaat dan alleen over bladafval van straten en tuinen. De bossen en plantsoenen zijn niet meegerekend omdat die niet worden opgeruimd. Hoe al die berekeningen precies gemaakt zijn staat er niet bij, dus we moeten maar aannemen dat het klopt. De getallen zijn in ieder geval indrukwekkend. Ik wilde wat zaden en vruchten vastleggen in het filmpje van deze week en was er met de camera op uit getrokken in het park tegenover ons huis. Filmen in een drukke omgeving is niet altijd een pretje. Menig filmbeeld is verloren gegaan doordat een hond kwam snuffelen aan het statief, met schokkende beelden (letterlijk dan) tot gevolg. Een clubje wielrenners is gegarandeerd goed voor 'grappige' opmerkingen zoals: "zijn we goed in beeld?". Deze keer ontmoette ik echter een meisje dat erg geïnteresseerd was in de natuur. Ze had veel belangstelling voor wat ik aan het doen was en ging zelfs naar huis om pen en papier te halen voor....mijn handtekening. Ik heb het filmpje van deze week daarom opgedragen aan dit meisje met de naam Robin. E-mailabonnees kunnen hier klikken om het filmpje te bekijken.



zondag 23 september 2018

Populieren in het ochtendlicht

Populieren als windsingel
Natuur laat zich niet voorspellen. Dat bleek vorige week maar weer eens toen de wekker in de vroege ochtend rinkelde. Ik had de avond ervoor het weerbericht goed bestudeerd: na een koele nacht stond er bij zonsopgang een zonnetje getekend in de weerapp. Kans op mist dus. Ik wilde de mist vastleggen bij de Zegerplas en trok er in het donker al op uit. Ter plekke aangekomen werd het licht en bleek er meer bewolking te hangen dan voorspeld. Er was geen mist te bekennen. De plas oogde grijs en saai. Een eindje verderop zag ik de lucht mooi kleuren aan de kant waar de zon opkwam. Snel liep ik er heen en maakte langs het Aarkanaal een totaal andere film dan ik in gedachten had. Niet de plas maar populieren spelen nu de hoofdrol tegen een prachtige ochtendlucht. En dat ik nog eens een belangrijke bijrol zou geven aan lelijke flats had ik ook nooit gedacht. Afijn, bekijk dat maar in het filmpje. Maar eerst iets meer over de populieren. Deze kaarsrecht groeiende bomen worden graag geplant als windsingel. Niet alleen langs polderwegen maar ook bij fruitboomgaarden houden ze mens en plant in de luwte.
Populieren kunnen 30 meter hoog worden
Het zijn sterke groeiers die snel tot 30 meter hoogte komen. Na een jaar of twintig zijn ze rijp voor de kap, een snelle opkomst en ondergang dus, in bomentermen gesproken. Eenmaal omgezaagd, gaan ze een nieuw leven tegemoet, als speelgoed, klompen, papier, multiplex, meubels of, de kleinste toepassing van allemaal, als lucifer. Dat zo'n grote boom eindigt als zo'n klein stokje, heeft te maken met de houtstructuur: het hout splintert niet, en dat is voor de productie van lucifers van belang.
Bij populieren denken veel mensen aan eenvormige bosaanplant, zoals je misschien wel eens ziet bij op- en afritten van snelwegen. Zo'n overhoekje wordt beplant voor een snelle oogst. Maar in een gevarieerd jong bos zorgen ze snel voor hoogte, en samen met een struikenrijke onderlaag, zijn de vogels net zo dol op zo'n populierenbos als een eikenwoud. Ondanks dat alles worden er minder populieren aangeplant in Nederland. Er is een heuse stichting die zich wijdt aan de populier. Vroeger gaven ze vooral voorlichting m.b.t. houtproductie. Na een aantal jaren een slapend bestaan te hebben geleid, is de stichting begin deze eeuw weer 'ontwaakt' en richt zich nu nadrukkelijk ook op de rol van de populier in de natuur en het landschap.

E-mailabonnees kunnen hier klikken om het filmpje te zien.




maandag 17 september 2018

Oude knar

Snoek. Duméril; La Blanchère;
Mesnel via wikimedia 
Op een mooie nazomerdag hebben we weer eens door de Amsterdamse Waterleidingduinen gestruind en allerlei dieren gezien. Aan de boomkikker, pad, heidelibel en zandhagedis heb ik al eens blogs gewijd (klik op de diernaam om naar deze bijdragen te gaan). Deze keer besteed ik aandacht aan een vis: een grote snoek liet zich namelijk goed bekijken (en filmen) in een van de infiltratiekanalen van de waterzuivering. Een tijdlang lag de vis roerloos in het water, maar op een gegeven moment bewoog zij zich op de kenmerkende manier door het water: heel langzaam, met weinig beweging van de vinnen. De snoek jaagt op zicht, meestal vanuit een hinderlaag en wil zo lang mogelijk ongezien blijven. Met een plotselinge uitval pakt hij grote prooien, bij voorkeur vis zoals een baars. Maar snoeken eten ook amfibieën, jonge watervogels of een muskusrat. Het beestje heeft behoorlijk scherpe tanden en de onderkaak steekt wat uit ten opzichte van de bovenkaak. Dat laatste is handig omdat de prooi meestal van onder benaderd wordt.
Tanden van de snoek
Foto: BJ.Schoenmakers via wikimedia
Heeft de snoek eenmaal beet, dan wordt het slachtoffer met de kop naar voren ingeslikt, zodat eventuele stekels of veren met de stroom mee door de slokdarm gaan. Mocht het zicht in het water wat minder zijn, dan heeft de snoek - net als andere vissen - een speciaal orgaan aan de zijkant van het lijf waarmee kleine bewegingen van het water gevoeld kunnen worden. Meer over deze zogenaamde zijlijn lees je op Wikipedia. Waar jonge snoeken een goudgespikkeld lijf hebben, zijn oudere snoeken - ze kunnen wel 15 jaar worden - egaler en donkerder van kleur. De snoek die we zagen in de Waterleidingduinen was zo te zien de jongste niet meer. Ik denk dat het een vrouwtje was, die worden maximaal 1,40 meter, mannetjes zijn meestal niet groter dan 85 centimeter. Snoeken eten gerust soortgenoten op, tot ze de 70 centimeter gepasseerd zijn moeten ze vrezen voor hun leven. Nog een goede reden om zich te verbergen tussen de waterplanten dus. Voor deze kanjer was dat blijkbaar niet nodig, want ze was ruim 1 meter lang. Zij liet zich door ons goed bewonderen in het heldere water. Snoeken paren al in februari, ze gaan daarvoor elk jaar naar een vaste stek. De eitjes worden in ondiep water tegen waterplanten geplakt. Een flink vrouwtje kan rond de twee miljoen eitjes per jaar produceren. De kleine snoekjes groeien als kool en kunnen tot wel 30 centimeter worden in hun eerste jaar.

E-mailabonnees kunnen hier klikken om het filmpje te zien, met alle bovengenoemde dieren + damherten. De gele bloemetjes op het water zijn van het blaasjeskruid, een vleesetend plantje met een ingenieus valmechanisme. Kijk voor meer informatie op Wikipedia.


maandag 10 september 2018

Ongewenste vreemdeling

Springbalsemien
Ooit werd-ie uit de Himalaya naar Europa gehaald vanwege zijn mooie bloemen. "Orchidee voor de armelui", werd hij wel genoemd. Nu is deze plant officieel benoemd tot ongewenste exoot en plaagsoort, maar bijen en hommels zijn er gek op, omdat de bloemen veel nectar leveren. Ik heb het over de springbalsemien, die ik onlangs tegenkwam toen ik in de vroege ochtend op pad was om de morgendauw te filmen. Op de plek waar ik deze eenjarige plant vond, stond een hele groep. Met stengels van 2,5 meter lang kijk je er niet snel overheen. In razend tempo koloniseert hij hele oevers, waardoor andere planten geen kans meer krijgen om te kiemen. Als de planten in de winter afsterven erodeert de kale grond. De verspreiding gaat razendsnel, één plant kan tussen 800 en 2500 zaden produceren. De zaaddozen komen bij het drogen onder spanning te staan en bij de minste aanraking slingeren ze de zaden tot 7 meter ver. Ik heb dat eens geprobeerd te filmen, maar zelfs met high speed ("slow motion") filmen gaat het te snel om de zaden te zien. Onder het filmpje van deze week, staat een korte opname van het openspringen van de zaaddozen, die op dat moment nog niet helemaal rijp/droog zijn. De high speed opnamen zijn in het filmpje nog met de helft tot een derde vertraagd. De plant groeit graag bij het water en zaden drijven naar nieuwe stukjes grond om te ontspruiten.
Geroosterde zaden van de springbalsemien
Een mooie manier om de verspreiding van deze plant wat te beperken is oogsten. De zaden kunnen gegeten worden in alle stadia van rijpheid (groen, wit en zwart). Ze smaken een beetje noot-achtig. Wij hebben ze kort geroosterd in een droge koekenpan en bij een visje gegeten. Het was erg lekker. Het oogsten was echter nog niet zo eenvoudig omdat de zaden alle kanten op springen. Wij klemden een zakje in onze handen en schoven dat over de zaaddoos heen. Zo kwam de rondvliegende buit in het zakje terecht. Mocht je springbalsemien tegenkomen in de natuur, dan weet je nu dat je je niet bezwaard hoeft te voelen om de zaden mee te nemen. Je zorgt er juist voor dat de biodiversiteit in stand blijft.
E-mail abonnees kunnen hier klikken om het filmpje te zien met de morgendauw en springbalsemien (let op de drinkende vlieg!). Om de springende zaden te zien kunnen e-mail abonnees op deze link klikken.

Het filmpje met morgendauw en springbalsemien:


Het filmpje met springende zaden:



dinsdag 4 september 2018

Lentepaddenstoeltjes met een misleidend karakter

Meidoornbessen
Eind augustus kende een aantal heerlijke nazomerdagen; iets meer dan 20 graden, zon en niet te veel wind. Al wandelend langs het veenriviertje de Kromme Aar trof ik bij de dieren een zekere loomheid aan. Ze koesterden zich in het zonnetje en spiegelden mooi in het rimpelloze water. Ze hoeven zich nog even geen zorgen te maken over voedselgebrek en lage temperaturen van de winter. De meidoorn en hondsroos hingen overigens propvol bessen en bottels, dus er is voorlopig een mooie voorraad voedsel. Hoewel meidoornbessen ook door mensen gegeten kunnen worden, vind ik het echte meelballetjes. Bovendien is het een heel gedoe om de pitjes te verwijderen. Ik heb er eens jam van gemaakt, in combinatie met sleedoorn en appel. We moesten heel wat besjes plukken omdat er na het koken en zeven van de pitjes weinig vruchtvlees over blijft. En toen viel de smaak ook nog tegen. Dus ik geniet nu van de kleurige bessen aan de struik en laat ze lekker hangen voor de vogels.
Meidoornrotkelkje, foto: Gerhard Koller at
Mushroom Observer, via wikimedia
Overigens groeit er op de bessen soms een piepklein paddenstoeltje (4-9 mm). Niet in de herfst, maar in het voorjaar. En dat is best een ingewikkeld verhaal. Het paddenstoeltje, het Meidoornrotkelkje, verspreidt sporen, die jonge bladeren aantast. Die krijgen dan grijze of beigekleurige vlekken. Aangetaste bladeren gaan suikers afscheiden en verleidelijk geuren. Ze trekken insecten aan, die in de veronderstelling zijn dat ze neerstrijken op een nectarrijke bloem. De schimmel maakt inmiddels een nieuw soort sporen, die door de insecten verspreid worden. Als zo'n bij of hommel een meidoornbloem bezoekt, komt de schimmel in het vruchtbeginsel. Gedurende de zomer groeien de schimmeldraden in de meidoornbes verder. Aangetaste meidoornbessen vallen van de struik, maar verteren niet; ze mummificeren. Zo komen ze de winter door en groeien er uit deze bessen in het voorjaar nieuwe Meidoornrotkelkjes. De paddenstoeltjes zijn vrij zeldzaam, maar in de meeste provincies is er wel een plek waar ze groeien. Dat kun je zien op het verspreidingskaartje.
Vindplaatsen Meidoornrotkelkje
Bron: Verspreidingsatlas.nl

Om het nazomerfilmpje, met o.a. duttende eenden, een poetsende waterhoen, 'n nieuwsgierige specht, zonnende schildpad, veel meidoornbessen en rozenbottels te bekijken kunnen e-mailabonnees hier klikken.


vrijdag 24 augustus 2018

Afrikaantjes uit midden Amerika

In de jaren 70 sierden ze menige tuin, maar langzaam verdwenen ze uit het straatbeeld: de heldere oranje bloemen van Afrikaantjes. Misschien had dat ook een beetje te maken met de vreemde, minder prettige geur, waarom deze plantjes ook wel stinkertjes worden genoemd. Anders dan je zou verwachten met deze naam, groeiden ze oorspronkelijk in Midden-Amerika. Het waren heilige planten voor de inheemse Azteken, zij noemden ze cempoalxóchitl. In 1552 zijn ze beschreven in de De La Cruz-Badiano Aztec Herbal, een latijnse vertaling van het oorspronkelijke 'Kleine boek van medicinale planten van de Indianen'. Volgens de Azteken hielp het plantje tegen de hik. Het zou ook voorkomen dat je geraakt werd door een bliksemschicht en je moest het vooral meenemen als je een rivier of ander water veilig wou oversteken. In de 16e eeuw namen de Spaanse conquistadores zaden van de Afrikaantjes mee naar Europa. In Spaanse kloostertuinen bleken ze het goed te doen. Voor ze onze streken bereikten, maakten ze een omweg want de Spanjaarden verspreidden de zaden naar Afrika. Hier ontstond een 'Afro-Amerikaanse' variant, die groter en mooier was dan de wilde Afrikaantjes uit Mexico. Wellicht is daar dus de naam Afrikaantjes ontstaan. Uiteindelijk zijn de zaden van deze Afro-Amerikaanse plantjes nogmaals de oceaan overgestoken om ingeburgerd te raken in Noord-Amerikaanse tuinen.

Altaar tijdens Dia de Muertos
By Paolaricaurte, Wikimedia Commons
In Mexico en andere delen van Latijns-Amerika worden Afrikaantjes nog steeds gebruikt om huisaltaren te versieren. Op Allerheiligen en Allerzielen worden de graven voorzien van de oranje bloemen. Mexicanen offeren tijdens de Día de Muertos voedsel en drank op de begraafplaats aan hun overleden dierbaren. Zij geloven dat de geesten van de overledenen hen opzoeken. De sterke geur en felle kleur van de Afrikaantjes leiden de geesten naar het altaar.

In India worden honderdduizenden Afrikaantjes gekweekt omdat de bloemen een belangrijke plaats innemen bij ceremonies van de Hindoegodsdienst, zoals het Diwali lichtfeest. Ook in het boeddhisme worden Afrikaantjes gebruikt om het altaar te versieren. Op een binnenplaats van een klooster in Bhutan zagen we deze monnik bezig met zijn bloemschikwerkzaamheden.
Een monnik in Bhutan
maakt een altaarstuk


Verder wordt de oranje kleurstof van Afrikaantjes gebruikt in natuurlijke verf. Maar ook toegepast als saffraan-voor-de-armen. De bloemen zijn eetbaar en worden wel verwerkt in cakejes. Door gedroogde bloemblaadjes te voeren aan kippen worden de eidooiers mooi van kleur. En het veld met Afrikaantjes dat je in het filmpje ziet? De boomkwekers in Hazerswoude en Boskoop beplanten akkers tijdelijk met deze bloemen om bodemaaltjes op een natuurlijke manier te bestrijden. Zo is het Afrikaantje bij ons dus opnieuw populair aan het worden. Geniet van de kleurenpracht in het filmpje, waarin je niet alleen Afrikaantjes ziet, maar ook swingende zonnebloemen en andere zomerbloeiers.

E-mailabonnees kunnen hier klikken om het filmpje te bekijken.


vrijdag 17 augustus 2018

Meer vakwerk en een grote gele kwikstaart

Vakwerkhuizen in de Duitse Eifel
In mijn blog van vorige week schreef ik over de Limburgse vakwerkhuizen. Ze zijn kenmerkend voor het zuidelijk deel van deze provincie, maar in de rest van Nederland zijn ze niet te zien. Dat komt omdat er in ons rivierenrijke landje voldoende klei aanwezig was om bakstenen van te maken. Steenbouw was permanenter en brandveiliger. In Duitsland werd het vakwerk echter op veel grotere schaal toegepast. Daar was minder rivierklei voorhanden en bovendien had de adel daar veel zeggenschap over de boeren. Door te bouwen met houten constructies konden de woningen worden afgebroken en verplaatst als de adel te hebberig werd en een te hoge pacht eiste. Het houten skelet was 'vrijdragend', zoals dat heet (het kon zelfstandig blijven staan) en het maken ervan was een secuur werkje dat waarschijnlijk door specialistische timmerlieden werd gedaan. Zij maakten het skelet in een werkplaats en nummerden de palen zodat het frame ter plekke in elkaar gezet kon worden. Het vullen van de vakken met takken en leem kon wel door 'leken' worden gedaan en was daarmee kostenbesparend. Aanvankelijk waren de huizen bruin, leem en balken bleven ongeschilderd en gingen als het ware op in het landschap. Later kalkte men de huizen helemaal wit. In Duitsland ontstond de trend om de balken zwart te verven. Vanuit Limburg maakten we een tripje naar de Duitse Eifel, een bergachtig gebied dat eens zo hoog was als de Alpen, maar door erosie is afgesleten tot toppen van rond de 600-700 meter. Het riviertje de Rur meandert er doorheen. In de vanouds arme streek was nauwelijks industrie en behoefte aan goedkopere bouw in de vorm van vakwerk. Het nadeel voor de werkgelegenheid is inmiddels omgezet in een voordeel, want doordat het oorspronkelijke landschap en de huizen mooi bewaard zijn gebleven is er nu een goede boterham te verdienen in de toeristenindustrie.
Grote gele kwikstaart Foto: Luc Viatour via Wikimedia
Natuurlijk kon ik het niet laten om in de stadjes toch een beetje natuur te filmen; een varentje in de muur, springbalsemien tussen de straatstenen en een grote gele kwikstaart die zich zat te poetsen langs de Rur. De grote gele kwikstaart (groter en minder geel dan de gewone gele kwikstaart) is in ons land geen algemene verschijning. Omdat hij bij stromend water leeft is hij alleen te vinden langs de beken in Oost- en Zuid-Nederland. In Duitsland zijn meer geschikte beken en rivieren te vinden dus daar spot je er makkelijker een. Ze leven van diertjes die ze uit het water vissen, terwijl ze vrijwel continue met hun staart wippen. Daarmee zouden ze aangeven dat ze alert zijn, een andere verklaring heb ik er niet voor kunnen vinden. Tijdens de trektijd, september en oktober, is de kans dat je een grote gele kwikstaart in Nederland ziet groter, dan komen de Scandinavische en Poolse kwikken langs, op weg naar het zuiden. Tegenwoordig overwinteren ook zo'n 2500 grote gele kwikstaarten in Nederlandse steden. Grinddaken met water schijnen daar een interessante nieuwe biotoop te zijn voor deze mooie vogels.

E-mailabonnees kunnen hier klikken om het filmpje te bekijken.