vrijdag 17 augustus 2018

Meer vakwerk en een grote gele kwikstaart

Vakwerkhuizen in de Duitse Eifel
In mijn blog van vorige week schreef ik over de Limburgse vakwerkhuizen. Ze zijn kenmerkend voor het zuidelijk deel van deze provincie, maar in de rest van Nederland zijn ze niet te zien. Dat komt omdat er in ons rivierenrijke landje voldoende klei aanwezig was om bakstenen van te maken. Steenbouw was permanenter en brandveiliger. In Duitsland werd het vakwerk echter op veel grotere schaal toegepast. Daar was minder rivierklei voorhanden en bovendien had de adel daar veel zeggenschap over de boeren. Door te bouwen met houten constructies konden de woningen worden afgebroken en verplaatst als de adel te hebberig werd en een te hoge pacht eiste. Het houten skelet was 'vrijdragend', zoals dat heet (het kon zelfstandig blijven staan) en het maken ervan was een secuur werkje dat waarschijnlijk door specialistische timmerlieden werd gedaan. Zij maakten het skelet in een werkplaats en nummerden de palen zodat het frame ter plekke in elkaar gezet kon worden. Het vullen van de vakken met takken en leem kon wel door 'leken' worden gedaan en was daarmee kostenbesparend. Aanvankelijk waren de huizen bruin, leem en balken bleven ongeschilderd en gingen als het ware op in het landschap. Later kalkte men de huizen helemaal wit. In Duitsland ontstond de trend om de balken zwart te verven. Vanuit Limburg maakten we een tripje naar de Duitse Eifel, een bergachtig gebied dat eens zo hoog was als de Alpen, maar door erosie is afgesleten tot toppen van rond de 600-700 meter. Het riviertje de Rur meandert er doorheen. In de vanouds arme streek was nauwelijks industrie en behoefte aan goedkopere bouw in de vorm van vakwerk. Het nadeel voor de werkgelegenheid is inmiddels omgezet in een voordeel, want doordat het oorspronkelijke landschap en de huizen mooi bewaard zijn gebleven is er nu een goede boterham te verdienen in de toeristenindustrie.
Grote gele kwikstaart Foto: Luc Viatour via Wikimedia
Natuurlijk kon ik het niet laten om in de stadjes toch een beetje natuur te filmen; een varentje in de muur, springbalsemien tussen de straatstenen en een grote gele kwikstaart die zich zat te poetsen langs de Rur. De grote gele kwikstaart (groter en minder geel dan de gewone gele kwikstaart) is in ons land geen algemene verschijning. Omdat hij bij stromend water leeft is hij alleen te vinden langs de beken in Oost- en Zuid-Nederland. In Duitsland zijn meer geschikte beken en rivieren te vinden dus daar spot je er makkelijker een. Ze leven van diertjes die ze uit het water vissen, terwijl ze vrijwel continue met hun staart wippen. Daarmee zouden ze aangeven dat ze alert zijn, een andere verklaring heb ik er niet voor kunnen vinden. Tijdens de trektijd, september en oktober, is de kans dat je een grote gele kwikstaart in Nederland ziet groter, dan komen de Scandinavische en Poolse kwikken langs, op weg naar het zuiden. Tegenwoordig overwinteren ook zo'n 2500 grote gele kwikstaarten in Nederlandse steden. Grinddaken met water schijnen daar een interessante nieuwe biotoop te zijn voor deze mooie vogels.

E-mailabonnees kunnen hier klikken om het filmpje te bekijken.

donderdag 9 augustus 2018

Modderhuizen in 'Nederlands Toscane'

Vakwerkhuisje bij Camerig (L)
Onze tweede wandeling in Limburg startte bij zonsopgang in Mechelen. Terwijl we over een holle weg omhoog liepen, scheen het oranje licht door de bomen. Aangekomen bij een weiland met vergezicht, kleurde de lucht perzikroze en ontvouwde zich een on-Nederlands tafereel. De heiige verten van het glooiende landschap deden denken aan Toscane, en dat in eigen land! We hadden dus beslist geen spijt dat de wekker om 5.15 uur had gerinkeld. We liepen door het Schweibergerbos en daalden af naar de Geul via het slaperige dorpje Bissen. Bij de boerderijen hoorden we overal het vrolijke gekwetter van de huiszwaluwtjes, die heel wat nesten bevolkten onder de dakranden. Hun moddernesten zijn bijzonder, want slechts 5% van de vogelsoorten maakt gebruik van modder voor hun onderkomen en maar een klein deel daarvan gebruikt uitsluitend klei. Het is een gemakkelijk materiaal, dat veel verschillende vormen kan aannemen en het geeft goede beschutting. Voorwaarde is wel dat het blijft plakken, want de nesten van de zwaluwtjes worden niet ondersteund en hangen vrij aan muren of daken. Natte modder heeft sterke kleefkracht, en de vogeltjes verbeteren dat materiaal met hun eigen speeksel. Twee dingen kunnen zorgen voor een kink in de kabel: lucht tussen de lagen en te snel opdrogende modder die gaat barsten.
Maar ook daar hebben de zwaluwen een oplossing voor: als ze een nieuwe lading modder aanbrengen trillen ze met hun kop waardoor het vocht wordt verdeeld en de nieuwe modder op en in de drogere oppervlakken wordt aangebracht. En ze pauzeren om te zorgen dat de net verwerkte klei kan drogen en verharden, zodat het geheel niet te zwaar wordt. Het huiszwaluwnest wordt van onderaf opgebouwd met modder die binnen 50 meter van het nest wordt gevonden. Gelukkig waren de nesten al klaar voor de grote droogte begon, want modderplasjes zijn nu zeldzaam. Ongeveer 1500 bolletjes worden één voor één naar de nestplek gebracht in de snavel. Extra stevigheid wordt gecreëerd door stro en paardenharen in de modder te verwerken. De ingang waar je de koppies uit ziet steken is 2,5 centimeter hoog en 6,5 centimeter breed.
In de 'Naturalis Historia' Van Plinius de Oudere (77-79 na Christus) is te lezen: "Volgens de theorie dat de mensen hun eerste ideeën over architectuur van vogels hebben, wordt ons verteld dat Doxius, de uitvinder van de huizen van klei, zijn idee had van de zwaluwen". De Limburgse vakwerkhuizen zijn daar misschien het levende bewijs van. Want vakwerk bestaat uit een houten balkstructuur met een vulling van gevlochten wilgentenen (ook wel takken van eik of hazelaar), die bestreken wordt met een mengsel van stro en leem. De meeste vakwerkhuizen stammen uit de 18e en 19e eeuw, een boerderij uit Epen is zelfs gedateerd in de 15e eeuw. Maar de zwaluwtjes bouwen vast al veel langer zo!

E-mailabonnees kunnen hier klikken om het filmpje te bekijken. Behalve de Toscaans aandoende landschappen, zie je het huiszwaluwnestje, fladderende weidebeekjuffers en koeien in de Geul.




Droogte in retrostijl op Natuurfotografie.nl


Af en toe schrijf ik op natuurfotografie.nl over de totstandkoming van een filmpje. Vaak zijn dat filmpjes die ik ook voor mijn blogs heb gebruikt. Deze keer had ik speciaal voor natuurfotografie een video gemaakt: droogte in retrostijl. Het thema droogte sloot aan bij de fotowedstrijd van de site waarvoor je nog tot half september werkstukken kunt indienen. Bekijk het artikel en het filmpje via deze link. Mijn andere bijdragen aan natuurfotografie.nl kun je vinden via de link onder 'Meer natuur van Monique' in de linkerkolom van mijn blog.


zondag 5 augustus 2018

Over bier en brood in dorstig Limburg

In de heetste week van juli waren we in Limburg om te wandelen. Welgeteld twee keer hebben we dat kunnen doen, daarna werd het zo warm dat we ons heil in andere activiteiten moesten zoeken. Onze eerste wandeling voerde over het Plateau van Crapoel, waarover ik vorig jaar al eens een blog schreef. Toen waren we er in het koele voorjaar. Nu dorstte de natuur naar water en menige bermplant hing er verlept bij. Op de landwegen dwarrelde het stoffijne zand op onder onze voeten.
Gerst - Prof. Dr. Otto Wilhelm Thomé
Flora von Deutschland, Österreich und der Schweiz 1885
De lucht trilde van de hitte boven de gerst die klaar was om geoogst te worden. Delen van de akker waren al gemaaid en in de koelere avondlucht trok de tractor er opnieuw op uit om de klus te klaren. Ik had me nooit zo verdiept in de verschillen tussen de graansoorten die als voedselgewas dienen, maar vroeger snoepte ik wel eens rijpe tarwekorrels. De oorspronkelijke tarwesoorten heten emmertarwe, eenkoorn en spelt. Daaruit veredelde men broodtarwe en harde pastatarwe. Gerst is te herkennen aan de lange pluimen aan de aren. Het wordt vooral gebruikt voor het brouwen van bier en whisky, want deze soort bevat te weinig gluten om een mooi gerezen brood van te maken. Granen hebben er voor gezorgd dat mensen zich in nederzettingen konden gaan vestigen. Aanvankelijk werden de zaden van dit soort grassen verzameld door rondreizende groepen. Dat betekende dat je op het juiste moment op de juiste plaats moest zijn, anders was het graan niet rijp of waren de korrels al uit de aren gesprongen. Het zijn immers zaden die zich moeten verspreiden om elders opnieuw te kiemen. Toen mensen granen gingen verbouwen kon men op één plaats blijven en de oogst controleren en afwachten. Het is overigens nooit vastgesteld hoe de jagers-verzamelaars hebben geleerd dat je deze granen kunt eten, want rauw zijn ze niet gezond. Dat lees ik dus jaren na mijn snoeperijen van de rauwe tarwe :). Oorspronkelijk groeide gerst in Ethiopië en Azië (Tibet, Nepal en China), het gewas kan relatief goed tegen kou en is daarom tegenwoordig tot in Scandinavië te vinden. Zevenduizend jaar geleden werd het voor het eerst gekweekt in het Midden Oosten. Door veredeling selecteerde men op grotere korrels en aren die niet opensprongen, waardoor ze geoogst konden worden. De eerste aanwijzingen dat het gewas werd geteeld in Europa dateren van 2000-3000 voor Christus, er werden resten van gerst gevonden bij paalwoningen in Zwitserland. In de Middeleeuwen bereidde men gerstepap en platte broden, maar inmiddels bereiden de bakkers ons brood dus van tarwemeel.
Er wordt nu in ons land nog zo'n slordige 165 miljoen kilo aan gerst verbouwd als veevoeder en voor de bierindustrie. De wandeling maakte ons dorstig en het bier was welverdiend :).

In het filmpje een verslag van 'een dag op het plateau'. E-mailabonnees kunnen hier klikken om het filmpje te bekijken.


woensdag 1 augustus 2018

De terugkeer van de keizersmantel

In 1980 verdween de keizersmantel uit ons land als standvlinder, dat wil zeggen dat er geen levensvatbare populaties meer waren die zich voortplantten. Aan de basisvoorwaarden voor het ontwikkelen van de rupsen kon niet meer worden voldaan: er waren te weinig bosviooltjes om de rupsen te voeden. De vlinders fladderden nog wel eens door ons land, maar daar bleef het dan ook bij. Tot 2015, toen op vier plaatsen in Nederland ineens weer keizersmantels opdoken: in Eys (Limburg) en Winterswijk (Gelderland), grensstreken waar je remigranten zou verwachten. Maar ook aan onze kust, in de duingebieden van Meijendel en de Amsterdamse Waterleidingduinen ontstonden grotere populaties. De keizersmantel is een krachtige vlieger en kan flinke afstanden afleggen. De afgelopen jaren kwamen er steeds meer meldingen van grote aantallen keizersmantels in de Waterleidingduinen. Dat wilde ik graag met eigen ogen zien, want ik vind onze grootste parelmoervlinder een beauty en ben blij dat hij 'terug' is. De keizersmantel stelt nogal wat eisen aan de leefomgeving. Dat heeft vooral te maken met de bijzondere wijze van voortplanten.
By Karl Eckstein, wikimedia
De meeste vlinders zetten hun eitjes rechtstreeks af op de waardplant; de plant die de rupsen nodig hebben om te eten en te groeien. Dat is het meest efficiënt ook, zou je zeggen. Toch gaat het bij de keizersmantels anders. In augustus zetten de vrouwtjes de eitjes af tussen, liefst met mos begroeide, schors van eiken op ongeveer 1-1,5 meter hoogte. Niet elke eik komt in aanmerking, het gaat om eentje waar bosviooltjes in de buurt groeien en waar voldoende licht op de bodem door kan dringen. Het rupsje komt nog voor de winter uit het ei en brengt de koude maanden vastend door tussen de schors. In april kruipt de rups naar de viooltjes voor zijn eerste feestmaal. Hij verpopt aan een takje tussen de strooisellaag. Op de botanische tekening zie je de keizersmantel en de bijbehorende pop onderaan (de 6-nummers). Begin juli kun je de eerste vlinders zien, maar het hoogtepunt is in de tweede helft van juli en de eerste weken van augustus. In de Waterleidingduinen zag ik de vlinders vooral nectar zuigen op het duinkruiskruid, maar ze eten ook honingdauw.
De verdikte geurstrepen op de bovenste vleugels zijn heel opvallend. Met behulp van feromonen (geurstoffen) communiceren de mannetjes met de vrouwtjes.

In het filmpje zie je behalve de grote aantallen keizersmantels een nieuwsgierig damhertenkalfje en een eikenpage, ook geen alledaagse vlinder. E-mailabonnees kunnen hier klikken om het filmpje te zien.


donderdag 26 juli 2018

Mijn favoriete fietstocht (met gratis beschrijving)

Tijdens een fietstocht door het Groene Hart zijn 's zomers de koeien niet te missen
Regelmatig pak ik de fiets om even te kijken wat er in de polder te beleven valt. In de winter zijn de berijpte weilanden mooi om te zien en kom ik op de Wijde Aa grote groepen smienten en kleine zwanen tegen. In het voorjaar hoor ik de grutto's & wulpen en buitelen de kieviten boven de akkers. En in de zomer is er ook van alles te zien, dat heb ik vastgelegd in onderstaand filmpje. Ik heb de route voor je beschreven, dus als je in de buurt van Alphen aan de Rijn woont of op vakantie gaat, dan kun je de routebeschrijving downloaden en op de fiets stappen. Kijk op deze pagina van mijn blog voor meer informatie. Ook voor degenen die van een stevige wandeling houden is de route trouwens te doen, de afstand is ruim 18 km.

Jonge meerkoeten op het nest
Tijdens mijn rit zag ik deze keer veel jong spul: kleine futen, meerkoeten en een sliert jonge wilde eenden die al hun volwassen formaat hadden. Meerkoeten zijn in ons land vrij algemeen en vooral in de lage delen van ons land niet te missen, van stadsgracht tot sloot, overal zijn de drijfnesten te vinden, soms met wel 10 eieren er in. De kleine meerkoetjes zijn aanvankelijk zwart met een rood kopje, later worden ze grijs met een witte borst.
Meerkoetennest
Een paartje produceert makkelijk 2-3 legsels per jaar, waarbij de eerder geboren jonkies soms helpen bij het voeden van de nieuwe lichting. De meerkoeten eten voornamelijk planten: algen, kroos, ondergedoken waterplanten en zaden. In het filmpje zie je dat de meerkoet een zaaddoos van de waterlelie onder handen neemt. In aanvulling op hun vegetarische dieet eten ze (larven van) insecten, slakken, driehoekmossels, kikkervisjes en eieren van andere watervogels. Ze kunnen tot 2 meter diep duiken. Omdat ze veel water tussen hun veren hebben komen ze snel weer bovendrijven, zoals een kurk. Mannetjes en vrouwtjes zijn moeilijk uit elkaar te houden omdat de vogels er hetzelfde uitzien. Het mannetje is iets kleiner en zijn witte voorhoofdsplaat (de bles) is wat groter. Het vrouwtje is in het algemeen wat luidruchtiger dan het mannetje, die met 'pfwit' het geluid maakt van een gloeilamp die het begeeft.

Geniet van de meerkoeten en de Hollandse landschappen in het filmpje. E-mailabonnees kunnen hier klikken om het te zien.



vrijdag 20 juli 2018

Een grote futenfamilie

In mijn blog van 12 mei kon je lezen hoe de futen op het Paterswoldsemeer baltsten en aan een nest begonnen. Inmiddels kun je overal futen met kleintjes zien en ben ik wat dichter bij huis op zoek gegaan naar een futenfamilie om het gedrag van de jonkies te filmen. Tijdens een fietstocht zagen we dicht bij de oever van de Langeraarse Plas een gezinnetje met maar liefst 4 jonge fuutjes. De meeste futenfamilies zijn tegen deze tijd al uitgedund tot 1 of 2 juveniele vogels. Het was een mooie kans om een grote familie te filmen, dus een paar dagen later besloot ik er een ochtendje voor uit te trekken. Ik wilde vastleggen hoe de jonge fuutjes gevoerd werden, en dat gebeurt vooral in de ochtend en de namiddag. Vader of moeder namen regelmatig een duik en bleven dan zo'n 30 seconden onder water. Het was moeilijk te voorspellen waar de futen zouden opduiken, dus dat maakte het filmen lastig. Ze waren lang niet elke keer succesvol en kwamen regelmatig met een lege snavel aan de oppervlakte. De keren dat ze wel een visje vingen, waren de kleintjes er als de kippen bij. Het viel me op dat één fuutje gevoerd werd, de andere werden weggeduwd. Misschien moesten die leren om al voor zichzelf te zorgen, ze leken wat groter dan de benjamin van het stel.

Op de kop van de jonge futen zie je een rode plek. Ik dacht altijd dat dat veertjes waren, maar nu ik goed keek, zag ik dat het een kale plek was. En die blijkt heel belangrijk te zijn voor het voedergedrag. Naarmate de jonge vogel harder om voedsel bedelt, wordt de vlek roder. Zodra het fuutje gevoed is, kleurt de plek roze. Een handig signaal voor de ouders. Gary Nuechterlein heeft dat al in 1985 ontdekt, ik kom daar nu pas achter. Overigens spelen rode plekjes vaker een rol bij het voeden van jongen. De koppies van hele jong meerkoetjes schijnen ook om die reden rood te zijn. En onze Nederlandse Nobelprijswinnaar Niko Tinbergen toonde met experimenten aan dat jonge zilvermeeuwen aan voedsel komen door op het rode vlekje te tikken dat op de snavel van hun ouders zit. Dat tikken op de snavel is voor de ouders het signaal om voedsel op te braken. Het rode plekje wijst jonge zilvermeeuwtjes waar zij moeten pikken. Dus deze 'lippenstift' heeft een belangrijke functie.

In het filmpje is te zien dat de jonge fuutjes constant bedelden, na een paar uur filmen was ik het gepiep behoorlijk zat. Maar de futenouders hebben nog wel even te gaan, jonge futen worden ongeveer 10 weken gevoed door de volwassenen.

E-mailabonnees kunnen hier klikken om het filmpje te bekijken.



zondag 15 juli 2018

Gefladder boven de akkerdistel

Ik ging op een zonnige ochtend op zoek naar vlinders. Het weitje dat ik in gedachten had lag nog in de schaduw toen ik arriveerde. Geen vlinder te bekennen dus. Even verderop trof ik een zonbeschenen veldje met akkerdistel aan, hier zoemden en fladderden insecten dat het een lieve lust was. De meeste distels hebben diepe bloempjes, waar een vlindertong voor nodig is om de nectar eruit te halen. Maar de akkerdistel heeft relatief kleine bloempjes en is daarom ook aantrekkelijk voor hommels, bijen en zweefvliegen. De mannelijke bloemhoofdjes zijn groter dan de vrouwelijke. Ze bevatten ook stuifmeel, iets dat de vrouwelijke bloemen niet te bieden hebben. Die adverteren dan weer met een vanillegeur om bestuivers naar hun bloemen te lokken en een drupje nectar op te halen. Als je de plant bekijkt dan merk je dat die er behoorlijk variabel uit kan zien: soms hebben ze sterk gekroesde en stekelige bladeren, soms zijn de bladeren juist wat vlakker en zijn er nauwelijks stekels te bekennen. Hoe de plant er uit ziet, hangt mede van de omgeving af. Als er kans is op vraat, bijvoorbeeld in een weiland, dan zal de plant investeren in stekelig krulblad om te voorkomen dat hij in een koeienmaag verdwijnt. Op een akker tussen cultuurgewassen is dat niet nodig, daar besteedt de akkerdistel zijn energie aan andere dingen.


De plant kan agrariërs (en menige tuinliefhebber) tot wanhoop brengen, want het is een taaie rakker die zich snel kan uitbreiden. De akkerdistel maakt op 20 tot 30 centimeter onder de grond een ver kruipend horizontaal wortelstelsel aan. Alsof dat nog niet genoeg is, ontspringen hieraan verticale wortels die twee meter de grond in boren. In Noord-Amerika zijn zelfs worteldieptes tot 7 meter vastgesteld. Wortelstukjes van 1 centimeter kunnen al weer tot een nieuwe plant leiden, elk jaar ploegen heeft dus één groot akkerdistelveld tot gevolg. De enige oplossing is om de plant met rust te laten; dan worden minder wortelknoppen gevormd en verdwijnt de plant. Dat is in een mooi rijmpje samengevat:

Distels breken is distels kweken
Distels maaien is distels zaaien
Distels trekken is distels stekken
Maar distels laten staan
Is distels kapot laten gaan.

Het enige dat je dan nodig hebt is een beetje geduld :). In het filmpje van deze week zie je de dagpauwoog, het groot koolwitje en landkaartjes van de zomergeneratie te midden van veel andere insecten op de akkerdistels. E-mailabonnees kunnen hier klikken om het filmpje te bekijken.




dinsdag 10 juli 2018

Kannewasser of lampepoetser: de multifunctionele rietsigaar

Terwijl de natuur, landbouwgrond en tuinen dorsten naar regen, zijn de slootjes nog gevuld met voldoende water. Een filmpje van de waterkant dus, deze keer. Ik zag de gele plomp in verschillende stadia: van knop tot bloem en zaaddoos. Rond de bladeren en bloemen van deze plant waren roodoogjuffers bezig met het afzetten van eitjes. Het mannetje houdt zijn vrouwtje daarbij stevig vast in een zogenaamd tandem. In het laatste shot van de juffers zie je waarom: er zijn kapers op de kust die ook willen paren met het vrouwtje. Door het vrouwtje in de houdgreep te nemen, 'bewaakt' hij de ei-afzetting van zijn eitjes. Maar liefst 400 stuks zet zo'n vrouwtje af, en boort daarvoor telkens een gaatje in de waterplanten.
Grote lisdodde
In het filmpje zijn ook grote lisdodden te zien, rijzige planten van wel 2 meter hoog. De bladeren zijn smal en draaien (in lichte mate) spiraalsgewijs. De bloeiwijze bestaat uit twee dichtbloemige kolven die boven elkaar staan. Daaraan kun je meteen het onderscheid zien tussen de grote en de (slankere) kleine lisdodde. Bij de grote lisdodde sluiten die kolven op elkaar aan, bij de kleine lisdodde is tussen de twee bloemkolven een stukje stengel zichtbaar. Het onderste deel bevat de vrouwelijke bloemetjes, die zijn eerst groen en later bruin. Feitelijk staan er heel veel bloemetjes haaks op de stengel, zo dicht op elkaar dat het geheel de stengel omhult, alleen de stempels steken uit de massa.
Vrouwelijke bloempjes staan haaks op de stengel
Op de detailfoto kun je zien hoe dat eruit ziet. Daarboven staan dus de mannelijke bloemetjes, veel losser van structuur. Na de bloei valt dat bovenste deel snel af. Dat leidde tot het gezegde: 'na de bevruchting is het mannetje verdwenen en is het vrouwtje de sigaar' :). De vrouwelijke bloemen veranderen in zaden met veel vruchtpluis eraan in die bruine sigaren. Bij nat weer zwellen ze op, bij droogte krimpen ze en dan kan het vruchtpluis losraken en zich door de wind laten verspreiden. De lange haren zorgen dat de zaden op een briesje meeliften of dat de zaden blijven drijven op het water om een nieuw gebied te kunnen koloniseren.

Mannelijke bloemen
De vruchtwand scheurt open en het zaad zinkt om zich te nestelen in de zachte modderbodem. Ze behouden hun kiemkracht enige jaren, maar kunnen ook meteen gaan groeien. In één jaar kan zo'n plant uitgroeien tot een pol van wel 3 meter doorsnede. Na de bloei in de zomer zie je nog tot ver in de winter de rietsigaren staan. Zij zijn dan wel afgestorven, maar voorzien het wortelstelsel nog van zuurstof en zijn belangrijk voor het voortbestaan van de plant.

De lisdodde is een nuttige plant. Veel delen ervan kunnen gegeten worden, doe dat niet als de plant in vervuild water staat overigens.

Vruchtpluis
De witte binnenkant van de jonge scheuten en de jonge knoppen zijn geschikt voor consumptie. Het stuifmeel wordt gebruikt in koeken als een soort meel. Ook gedroogde wortels kunnen tot meel vermalen worden. De zaden zijn geschikt om te roosteren, het lijkt me wel een klusje om die te ontdoen van het pluis! Bijnamen zoals kannewasser en lampepoetser verraden dat de rietsigaren ook voor allerlei huishoudelijke klusjes werden ingezet, voordat de vaatwasser en de swiffer waren uitgevonden. Een hele mooie toepassing van het vruchtpluis vind ik de nestjes van de buidelmees, pluizige geweven mandjes die bungelen in een wilg. Ik heb ze nog nooit in het echt gezien, dat staat nog op mijn wensenlijstje.

Buidelmees bij het nest
Foto: Ralf Ottmann - wikimedia


E-mailabonnees kunnen hier klikken om het filmpje te zien.






donderdag 5 juli 2018

Het strijkorkest van de bruine sprinkhaan


Tijdens het filmen in mijn tuin zag ik een sprinkhaan op het pad. Ik kon het beestje vrij dicht naderen, zodat ik er mooie close ups van kon maken vòòr het insect met een grote sprong in de rozemarijnstruik verdween. Het was een bruine sprinkhaan, die zijn vrij algemeen in Nederland en komen in veel tuinen voor. De sprinkhanen in ons land zijn onder te verdelen in twee soorten: de langsprieten en de kortsprieten. De krekels en sabelsprinkhanen behoren tot de orde van de langsprieten. Kijk maar eens naar het blogje dat ik vorig jaar oktober schreef over de struiksprinkhaan. Dan zie je dat de antennes een stuk langer zijn dan van de bruine sprinkhaan op de foto hiernaast. Die valt onder de kortsprieten, die ook weer twee orden kent: de doornsprinkhanen en de veldsprinkhanen. De bruine is een veldsprinkhaan. Sabelsprinkhanen maken geluid door de vleugels over elkaar te strijken, hun gehoororgaan zit in de voorpoot. Bij de veldsprinkhanen werkt dat anders: ze hebben een rasp op hun dij, die ze langs de vleugelrand strijken.
Op de foto rechts zie je dat raspje bij de linkerpoot. Veldsprinkhanen horen met een orgaan in het achterlijf. Met de roepzang maakt het mannetje zijn aanwezigheid bekend en laat hij aan vrouwtjes weten dat hij paringsbereid is. Vrouwtjes beantwoorden de roep en zo ontstaat er een 'dialoog'. Na de paring zet het vrouwtje de eitjes af. Veldsprinkhanen missen de legboor die je misschien kent van de sabelsprinkhanen. Ze kunnen echter de segmenten van het achterlijf uit elkaar schuiven om de eitjes dieper in de grond af te zetten. Nadat de eieren zijn gelegd kan het vrouwtje door middel van een baltszang door het mannetje opnieuw worden aangezet tot paring. De veldsprinkhanen leven overigens van grassen en zijn ook op open terreinen waar te nemen. Via deze link kun je een gratis sprinkhanenzoekkaart downloaden. Zingen is trouwens een riskante bezigheid omdat je je aanwezigheid kenbaar maakt aan soorten die jou als lekker hapje beschouwen. Daarom is de bruine sprinkhaan goed gecamoufleerd. In de rest van de tuin was het echter een feest van geur en kleur. Dat kun je zien in het filmpje van deze week.


E-mailabonnees kunnen hier klikken om het filmpje te bekijken.