vrijdag 15 juni 2018

Grassen hielpen ons land te maken

Johann Georg Sturm (Painter: Jacob Sturm)
Fig. from book Deutschlands Flora in Abbildungen (1796)
Grassen komen op alle continenten voor, zelfs op Antarctica groeit een enkele soort. Deze plantenfamilie heeft dan ook de meeste soorten: zo'n 8000. En ze komen al een tijdje op aarde voor: in fossiele poep van dinosauriërs van zo'n 65 miljoen jaar geleden zijn al resten van grasachtigen te zien. De bloemetjes zijn, net als bij andere windbestuivers, klein maar talrijk. Er is veel stuifmeel voor nodig om de kleine bloemetjes te bereiken. Helaas voor de twee miljoen hooikoortspatiënten in ons land. Op de botanische tekening hiernaast zie je hoe die grassen er uit zien, op de tekening hieronder is dat nog eens in detail uitgelegd.


A ="volledig" aartje met een bloeiende bloem
B = stamper C = helmhokjes
D = onderste kelkkafje E = bovenste kelkkafje
F = bovenste kroonkafje (palea)
G = onderste kroonkafje (Lemma)
H = stamper en overige bloemdelen in
niet uiteengevouwen staat. Bron: wikimedia
Gras slaat zijn voedsel voornamelijk op in ondergrondse delen, daarom is het niet erg als het wordt afgegraasd door dieren. Dank zij die voorziening onder de grond kan het snel weer aangroeien. Grazende dieren helpen het gras zelfs door concurrerende gewassen op te eten, waardoor het gras alle ruimte heeft.

In mijn filmpje van deze week, zie je verschillende bloeiende grassen en de bladeren van riet (met regendruppels er op). Riet is een van de weinige waterminnende grassen en gedijt op matig tot voedselrijke plaatsen in brak of zoet water. In het midden Pleistoceen (126.000-781.000 jaar geleden) groeide het al in poeltjes en natte vennen in ons land. Riet heeft grote wortelstelsels met luchtkanalen en door die wortelpakketten groeien wateren dicht en verlanden. Op grotere schaal gebeurde dit 6000 jaar geleden in het westen en noorden van ons land. De strandwallen vormden toen inmiddels een gordel langs de kust. In de lagunes erachter mondden rivieren uit die het brakke zeewater langzaam verzoetten. Rietmoerassen ontstonden en vergingen en vormden rietveen. Dat is in feite een opeenstapeling van half vergane plantenresten in een waterlaag. Op de dode stengels groeide weer nieuw riet en uiteindelijk werd dit een dik pakket rietveen dat droger werd. Toen konden er ook bomen gaan groeien, zoals de els en hazelaar. De veenvorming ging door en er ontstond bosveen bovenop het rietveen. Zo hebben grassen de basis gelegd voor de lager gelegen provincies in ons land. Wil je meer weten over onze bodem en landschappen? Kijk dan eens rond op de interessante site van Geologie van Nederland.

E-mailabonnees kunnen hier klikken om het filmpje te bekijken.






 
  

zaterdag 9 juni 2018

Juweeltje in de bomen

Een laatste filmpje van ons bezoek aan de kop van Drenthe in de meivakantie. Zoals jullie in eerdere blogjes konden lezen, stond ons vakantiehuis aan (of eigenlijk dreef het in) het Paterswoldsemeer. Achter het huis was een stukje bostuin met een watertje er door. Dit slootje met weelderige oeverbegroeiing was blijkbaar precies de goede biotoop voor de smaragdlibel. Na een paar dagen liet de zon zich zien en waren de buien verleden tijd. Elke dag zagen we smaragdlibellen die zich in de bomen boven het water aan het opwarmen waren. Voor ons een geweldige waarneming, want in het westen van het land (en Friesland en Groningen) komt deze soort nauwelijks voor. Maar hier konden we er volop van genieten. Eind april sluipen zo'n beetje de eerste exemplaren uit. Ze zijn nog te zien tot eind juli, maar de piek ligt in mei tot begin juni. De larven die eind april omhoog kruipen uit het water hebben dan twee of drie winters in de sloot doorgebracht. 
De meesten zoeken een plekje op een meter hoogte boven het water, maar sommigen zoeken het hoger op en klimmen de boom in of leggen tientallen meters horizontaal af. Van een schuurtje of boothuis direct aan het water maken ze ook graag gebruik. Als ze eenmaal uit hun larvenhuidje zijn gebarsten moet het lichaam nog worden opgepompt tot libellenformaat. De libel is dan heel kwetsbaar want hij of zij kan nog niet vliegen en vormt een makkelijke prooi. Eenmaal geslachtsrijp vliegen de mannetjes zich echter een slag in de rondte, ze patrouilleren vlak langs de oevervegetatie en kort boven het water. Komen ze een vrouwtje tegen, dan wordt die meteen gegrepen voor een paring. Het vrouwtje zet de eitjes later in haar eentje af, vaak als het wat minder mooi weer is, zodat ze met rust gelaten wordt door andere paarlustige mannetjes. Ze dipt met haar achterlijf de eieren in klompjes van 20 tot 30 eitjes in het water. De eitjes zwellen op en zinken naar de bodem. Met het uitkomen van nieuwe larven is de cyclus rond.

E-mailabonnees kunnen hier klikken om het filmpje te bekijken.


Deel de link!

Lees je mijn blog en bekijk je mijn filmpjes met plezier? En ken je mensen die dit ook graag zouden lezen? Deel dan de link van dit blog met andere belangstellenden. Bedankt voor de genomen moeite.


zondag 3 juni 2018

Klein grut op Texel

Deze keer weinig tekst maar een wat langer filmpje om te genieten van jonge vogels, lammetjes en kalfjes op Texel. De namen van de vogels zijn in het filmpje vermeld. Het was bijzonder om zilverplevieren in zomerkleed tegen te komen, met hun pikzwarte borst. Ze broeden hier niet maar zijn op weg naar hun noordelijke broedgebied in de toendra's van Rusland. Ze maken een tussenstop op onze wadden om zeepieren, wadslakjes en garnalen te eten op slikplaten, strandjes en grasland. Je ziet ze vanzelf opduiken in het filmpje.

E-mailabonnees kunnen hier klikken om naar het filmpje te gaan.
Als je het filmpje rechtstreeks op YouTube bekijkt (via bovenstaande link), vergeet dan niet de resolutie op HD1080 in te stellen voor het beste resultaat. Dat kan door op het radertje rechtsonder te klikken en te kiezen voor 1080p. Zie onderstaande plaatjes.



zaterdag 26 mei 2018

Een lifter die niet mee-eet

Mijn man heeft onlangs een lifter meegenomen, een rustig type met een wollig beige-met-groen jasje. Hij vond 'm op de achterruit van zijn auto en verwachtte dat-ie wel weg zou vliegen als de auto startte, maar hij bleef rustig zitten tijdens het autoritje van een kilometer of zes. Mijn man had zelfs de tijd om mij te waarschuwen toen hij thuiskwam: "er zit een mooie vlinder op mijn auto". En toen ik de camera pakte en hem van alle kanten fotografeerde bleef de lindepijlstaart nog in positie. Hij (mannetjes van deze soort zijn wat groener en vrouwtjes meestal wat meer oranjeroze) zag er kakelvers uit, dus ik dacht dat hij misschien nog op temperatuur moest komen. Maar er kan nog een reden zijn dat het beestje zich zo rustig hield. De lindepijlstaart heeft geen tong want hij eet niet meer in het vlinderstadium. Als hij te veel vliegt is hij in twee dagen door zijn energievoorraad heen en als hij binnen die tijd geen partner vindt, komt er geen nageslacht.
Ook de eikenpijlstaart en populierenpijlstaart behoren tot de niet-voedende pijlstaarten. Er zijn ook pijlstaarten die wel nectar zuigen, zoals de windepijlstaart en de kolobrivlinder. De doodshoofdvlinder is ook een voedende pijlstaart, maar die eet honing die hij rooft van bijenvolken.

Pijlstaarten zijn nachtvlinders, reden om lekker dik behaard door het leven te gaan omdat ze zich niet in de zon kunnen opwarmen. Met een beperkte energievoorraad die je niet kunt aanvullen heeft het weinig zin om rond te fladderen op zoek naar een geschikte partner. Veel nachtvlinders laten geur daarom het werk doen. De vrouwtjes scheiden feromonen af, die mannetjes dank zij hun gevoelige, geveerde antennes op grote afstand kunnen ruiken. Hebben ze elkaar gevonden dan kan de paring uuuuren duren. Onze lifter heeft trouwens geluk gehad dat hij werd afgeleverd vlak bij zijn waardplant. De eitjes worden afgezet op lindes en soms ook op berk of els. En die bomen zijn toevallig in onze straat ruim voorhanden, dus de kans dat hij hier nog een partner vindt is niet uitgesloten. De vlinder was dan wel met een vreemde man meegegaan, maar het is goed afgelopen :).



Bij de vlinders zie je trouwens geen pijl aan de staart maar bij de flinke rupsen wel. Op onderstaande foto zie je een rups vlak voor de verpopping, dan worden ze paarsbruin. Daarvoor zijn ze heldergroen van kleur.

Foto: L. B. Tettenborn, Wikimedia

dinsdag 22 mei 2018

Planten zonder vader

Hoewel het nog lente is, maken de eerste planten al zaad. De tulpen in mijn tuin hebben hun mooiste tijd gehad en de bladeren verdorren en vallen af. De groene zaaddozen worden zichtbaar. Het heldere geel van de paardenbloemen heeft plaatsgemaakt voor een mooie bol met pluis. Beide soorten doen aan ongeslachtelijke voortplanting, ofwel voortplanting waarbij slechts één ouder betrokken is. Onze prachtige bloeiende bollenvelden zijn daarvoor bedoeld. Ze zijn er niet om onze ogen te strelen met hun kleurenpracht maar feitelijk zit het belangrijkste deel van die tulpenvelden onder de grond. De tulpen worden op het hoogtepunt van hun bloei afgesneden en nadat het loof is afgestorven, worden de bollen gerooid. Die hebben zich inmiddels opgesplitst in kleinere bolletjes waarvan de grootsten volgend jaar weer zullen bloeien. Die bolletjes zijn dus klonen van de moeder. Om nieuwe tulpenrassen te kweken is er overigens wel geslachtelijke voortplanting nodig. Dan breng je genetisch materiaal van een vader (stuifmeel) op een stamper (moeder) over, vaak doen veredelaars dat handmatig om niets aan het toeval over te laten. Het vruchtbeginsel van de moederplant ontwikkelt zich tot een zaaddoos. In het najaar zaait de veredelaar het zaad en dan moet hij zo'n zeven jaar geduld hebben eer hij het resultaat van zijn kruising goed kan beoordelen. In het tweede jaar worden de eerste bolletjes geoogst, maar het duurt zeker tot het zesde jaar eer de eerste tulpenbloem zichtbaar wordt bij sommige zaailingen, het jaar daarna zijn zo'n beetje alle zaailingen in bloei en kan de kweker kijken of er iets goeds bij zit. Dan moet hij nog productie gaan maken om te zorgen dat hij voldoende bollen heeft om te verkopen. Het duurt vaak 15 jaar van zaad tot verkochte bollen.


Bij de paardenbloem is er sprake van ongeslachtelijke voortplanting via zaad, met andere woorden: de bloem hoeft niet bestoven te worden om zaad te vormen. Dat betekent dat het genetische materiaal van de bloem alleen afkomstig is van de moeder. Er zijn dus nauwelijks genetische verschillen tussen die paardenbloemen, maar ze kunnen qua vorm wel iets van elkaar verschillen. Ze worden daarom microsoorten genoemd en zijn voor een leek niet van elkaar te onderscheiden. In Nederland zijn er ruim 250 microsoorten in kaart gebracht door specialisten.
In het filmpje kun je deze keer genieten van vergane tulpenglorie en zaadpluis in het late avondlicht. E-mailabonnees kunnen hier klikken om het filmpje te bekijken.




Eén van mijn volgers op Youtube, heeft een timelapsefilmpje gemaakt van de ontwikkeling van de zaadbol van de paardenbloem. Je ziet hoe de zaadbodem zich van hol naar bol vormt waardoor het pluis uiteindelijk in een mooie ronde bol komt te staan. Bekijk hier het filmpje van Rüdiger Hartmann.

zaterdag 12 mei 2018

Het drijfnest van de fuut

Vanuit ons vakantiehuis aan het Paterswoldsemeer zagen we regelmatig een futenpaar dat duidelijk op liefdespad was. Eerst moest er nog een rivaal verslagen worden, maar al snel was het paartje onafscheidelijk. Het baltsgedrag van de fuut bestaat uit het zogenaamde kopschudden, soms met opgezette verenkrans rond het hoofd. Ook bieden de partners elkaar wier aan, en komen daarbij af en toe uit het water omhoog. Ik heb veel tijd en filmminuten gebruikt in een poging om dat laatste vast te leggen, maar de hele week heb ik het ze geen enkele keer zien doen. Maar het kopschudden kon ik regelmatig vastleggen, onder andere op een mooie ochtend met mist over het meer. Tegen het eind van onze vakantieweek begonnen ze met de bouw van hun nest. Toen we weggingen was het nest niet af en het was ook onduidelijk of ze door zouden gaan met bouwen op die locatie. Misschien wilden ze nog even van hun 'verlovingstijd' genieten :). Futen maken drijfnesten, net als drie andere vogelfamilies: de rallen, jacana's en moerassterns. Al met al gaat het om 175 soorten uit deze families die op deze manier op het water broeden. Een drijfnest biedt bescherming tegen nestrovers die op het land leven, maar een ei of jong valt makkelijk uit het nest in het water. Daarom komen de jongen al ver ontwikkeld uit het ei en zijn de ouders erg beschermend. Niet zelden zie je een jong tussen het verenpak van een oudervogel uitpiepen. Het nest wordt gebouwd met plantenmateriaal dat luchtkamers bevat, zodat het goed blijft drijven. Het wordt verankerd aan oevervegetatie maar kan op en neer gaan met het waterpeil.
Soms wordt er zoveel materiaal verzameld dat het nest rust op de bodem, maar andere keren is het echt een drijvend platform. In de film zie je dat de futen nog bezig zijn met de basis en vooral takken aanslepen. Futen duiken het bouwmateriaal op binnen 50 meter van het nest. Samen werken de futen hard om te duiken naar het materiaal. Met observaties is vastgesteld dat ze binnen een uur 100 keer materiaal aanvoerden.

In het filmpje kun je behalve de baltsende en nestbouwende futen nog andere vogels zien, zoals nijlganzen, een scholekster, aalscholver, zwaluwen en meeuwen.

E-mailabonnees kunnen hier klikken om het filmpje te bekijken.




Eric van Roon heeft de futenbalts fotografisch heel mooi vastgelegd, kijk maar eens op zijn site eye4forbirds.

dinsdag 8 mei 2018

Natuur op Landgoed Vennebroek

Onlangs hebben we een week doorgebracht op de grens van de provincies Groningen en Drenthe, aan het Paterswoldsemeer. De omgeving heeft van alles wat: meren om op te varen, een waterbergingsgebied met hoge natuurwaarde (de Onlanden) waar je heerlijk kunt fietsen en een landgoederengordel met allerlei wandelroutes. Op een zandrug ten zuiden van de stad liet de Groninger elite in de tweede helft van de 18e eeuw een achttal landhuizen bouwen. Eén daarvan is Landgoed Vennebroek, 17 ha parkbos en natuur met prachtige eiken- en beukenlanen. Grauwe en Canadese ganzen hadden al kleintjes, we zagen visdiefjes over het water scheren en een knoepert van een rups kruiste ons pad. Het beestje was al gauw 10 centimeter lang en zo dik als een vinger. Hier hadden we te maken met een rups uit de houtboordersfamilie: kaal en met een made-achtig uiterlijk. De kleuren waren nogal opvallend: donkerrood van boven en naar de zijkanten toe wat meer oranje/roze met zwarte accenten op de kop, dit is de wilgenhoutrups.
Hoewel ze de naam houtboorder hebben, kunnen ze niet zo maar een gat in elke boom boren. Uit onderzoek is gebleken dat onbeschadigde schors door jonge rupsjes niet door te knagen is. De eitjes worden dan ook gelegd in verse wonden, waar het cambium (de dunne laag tussen schors en het kernhout waar water- en voedseltransport van de boom plaatsvindt) aan de oppervlakte ligt. Pas uit het ei gekomen rupsjes kunnen 6 dagen zonder eten omdat er blijkbaar niet altijd meteen voedsel beschikbaar is. De vele eitjes worden ook vaak afgezet in gaten waar al rupsen van de wilgenhoutrupsen zitten, dan vinden we rupsen van verschillende leeftijden in het hout. De kleine rupsjes blijven 18-22 maanden in het cambiale deel van de boom, ze zijn dan 3,5 centimeter lang. Daarna boren ze zich een weg in het kernhout. Op dat moment zijn ze overigens ook in staat om door de schors van een niet beschadigde boom heen te knagen, zo hebben proeven aangetoond. Omdat het hout weinig voedzaam is, moeten ze op dat moment vaak nog een jaar of twee 'doorknagen' om een volwassen rups te worden.
By Orchi, from Wikimedia Commons
Aan de voet van de boom vind je dan zaagsel dat uit de boorgaten valt. Veel dieren verpoppen in de boom en krijg je niet te zien voor ze als bruine vlinder, met camouflagestreepjes zodat ze op boomschors lijken, te voorschijn komen. Sommige rupsen zoeken echter een ander plekje om te verpoppen, zoals bij het 'overstekend wild' dat wij aantroffen. En dan maar hopen dat er geen vogel langskomt die trek heeft in een flinke snack, want dan zijn al die jaren voor niks geweest. De vlinders hebben nauwelijks monddelen en eten niet meer. Zorgen voor nageslacht is het enige dat hen nu nog bezighoudt.


In het filmpje zie bovengenoemde dieren en veel bloeiende planten en bomen op het landgoed. E-mailabonnees kunnen hier klikken om het filmpje te bekijken.



vrijdag 27 april 2018

Zoemende hommels en ander klein spul

Na de 'groenexplosie' is nu ook het insectenseizoen goed begonnen. Hommels, vlinders, bijen en zweefvliegen zoemen rond longkruid, smeerwortel, vergeet-me-nietjes en paardenbloemen in de tuin. Al jaren doe ik mijn best om te kijken wat voor insecten het precies zijn. De soorten lukken aardig: zweefvliegen hebben maar één paar vleugels, korte antennes en kunnen 'stilstaan' in de vlucht. Hommels zijn trager, groter, hebben twee paar vleugels en zijn sterk behaard. Daarom kunnen ze al vroeg in het voorjaar vliegen. En dan heb je nog een eindeloze reeks kleine bijtjes waar bij mij elke keer de verwarring toeslaat. Wat de hommels betreft beperkte ik de determinatie meestal tot het vroege voorjaar. Dan vliegen alleen de koninginnen, die groter zijn dan de andere hommels (werksters en mannetjes) die later in het jaar opduiken. Dan wordt het moeilijker omdat ze van formaat verschillen en er ook allerlei kleurvariaties zijn. EIS, Kenniscentrum Insecten, heeft nu een handig basisboekje gemaakt voor het determineren van hommels. Het is gratis te downloaden, klik hier om naar de betreffende pagina op hun website te gaan. In de inleiding van het boekje las ik dat de beginnende hommelwaarnemer een aantal stappen doorloopt. Het begint met naïviteit: je denkt: zo moeilijk kan het toch niet zijn.... Dan komt de frustratie: je ziet hommels waarvan je niet zeker weet welke soort het is. Vervolgens is er wanhoop: je twijfelt aan wat je gisteren zeker wist. Stug doorgaan, dan komt de fase van herwonnen vertrouwen: de meeste hommels herken je snel en af en toe weet je het niet. Tenslotte bereik je de fase van wijsheid: je herkent vrijwel alles en vindt het niet erg als er eens iets onbekends tussen zit. Afijn, lees het boekje maar eens, trek er op uit of ga lekker in een stoel zitten in je tuin en bekijk in welke 'hommelfase' jij zit. Ik meen in ieder geval vrij zeker te weten dat de hommel in onderstaand filmpje een akkerhommel is :). Daarnaast zie je op het hout een 'wiebelkontje', dat is een zandbijtje met de naam 'vosje'. En het insect met de lange zuigsnuit is een zweefvlieg: de wolzwever. Beide zijn vrij algemeen in tuinen, dus grote kans dat je ze tegenkomt. De vlinders zijn (in volgorde van opkomst) het klein geaderd witje en het bont zandoogje.


E-mailabonnees kunnen hier klikken om het filmpje te bekijken.



zondag 22 april 2018

Bloeiende bomen

Een afgevallen populierenkatje, windbestuiver
Het voorjaar is de tijd van de voortplanting in de natuur. Dat geldt niet alleen voor dieren, maar ook voor bomen. Die maken nu niet alleen blad, maar ook bloemen aan. Wanneer die bloemen aan de takken komen, hangt af van de manier waarop de bestuiving plaats vindt. Sommige bomen vertrouwen daarbij op de wind, andere maken gebruik van hulpjes, meestal insecten. De bomen die gaan voor de windbestuiving maken bloemen aan vóór de bladeren ontluiken. Hoe meer de wind vrij spel heeft, hoe beter. Meestal hebben die bomen katjes, die enorme hoeveelheden stuifmeel verspreiden. De kans dat het stuifmeel precies op de stamper van de vrouwelijke bloemetjes terechtkomt is heel klein, dus moet er groots uitgepakt worden. Vijf tot zes miljoen stuifmeelkorrels per katje is heel gebruikelijk. En dat keer de honderden katjes die aan een boom bungelen. Sorry voor de hooikoortspatiënten.....


Andere bomen zijn wat zuiniger met het stuifmeel, maar maken ook een lekkernij aan voor hun hulptroepen: met nectarklieren produceren ze een zoete vloeistof die suikers bevat (glucose, fructose en sacharose) en kleine hoeveelheden proteïnes, vitamines en smaakstoffen. Deze 'brandstof voor insecten' trekt bestuivers aan. De hoeveelheden nectar per bloem zijn beperkt, zodat de bijen en andere insecten genoodzaakt zijn om veel verschillende bloemen te bezoeken voor een behoorlijke portie. Terwijl ze van bloem naar bloem vliegen nemen ze stuifmeel mee en bestuiven zo de stampers.
Hommel met stuifmeel in korfje
Voor de bijen en hommels is niet alleen de nectar, maar ook het stuifmeel belangrijk. Stuifmeel is de voedselbron voor hun larven. Ze verzamelen dat vaak in 'korfjes' op hun poten. Je ziet dan dat ze gele of bruine bolletjes meevoeren.


In onderstaand filmpje zie je ontluikende bladeren en bloemen van veel verschillende bomen. De namen van de bomen staan erbij.


E-mailabonnees kunnen hier klikken om het filmpje te bekijken.