zondag 23 september 2018

Populieren in het ochtendlicht

Populieren als windsingel
Natuur laat zich niet voorspellen. Dat bleek vorige week maar weer eens toen de wekker in de vroege ochtend rinkelde. Ik had de avond ervoor het weerbericht goed bestudeerd: na een koele nacht stond er bij zonsopgang een zonnetje getekend in de weerapp. Kans op mist dus. Ik wilde de mist vastleggen bij de Zegerplas en trok er in het donker al op uit. Ter plekke aangekomen werd het licht en bleek er meer bewolking te hangen dan voorspeld. Er was geen mist te bekennen. De plas oogde grijs en saai. Een eindje verderop zag ik de lucht mooi kleuren aan de kant waar de zon opkwam. Snel liep ik er heen en maakte langs het Aarkanaal een totaal andere film dan ik in gedachten had. Niet de plas maar populieren spelen nu de hoofdrol tegen een prachtige ochtendlucht. En dat ik nog eens een belangrijke bijrol zou geven aan lelijke flats had ik ook nooit gedacht. Afijn, bekijk dat maar in het filmpje. Maar eerst iets meer over de populieren. Deze kaarsrecht groeiende bomen worden graag geplant als windsingel. Niet alleen langs polderwegen maar ook bij fruitboomgaarden houden ze mens en plant in de luwte.
Populieren kunnen 30 meter hoog worden
Het zijn sterke groeiers die snel tot 30 meter hoogte komen. Na een jaar of twintig zijn ze rijp voor de kap, een snelle opkomst en ondergang dus, in bomentermen gesproken. Eenmaal omgezaagd, gaan ze een nieuw leven tegemoet, als speelgoed, klompen, papier, multiplex, meubels of, de kleinste toepassing van allemaal, als lucifer. Dat zo'n grote boom eindigt als zo'n klein stokje, heeft te maken met de houtstructuur: het hout splintert niet, en dat is voor de productie van lucifers van belang.
Bij populieren denken veel mensen aan eenvormige bosaanplant, zoals je misschien wel eens ziet bij op- en afritten van snelwegen. Zo'n overhoekje wordt beplant voor een snelle oogst. Maar in een gevarieerd jong bos zorgen ze snel voor hoogte, en samen met een struikenrijke onderlaag, zijn de vogels net zo dol op zo'n populierenbos als een eikenwoud. Ondanks dat alles worden er minder populieren aangeplant in Nederland. Er is een heuse stichting die zich wijdt aan de populier. Vroeger gaven ze vooral voorlichting m.b.t. houtproductie. Na een aantal jaren een slapend bestaan te hebben geleid, is de stichting begin deze eeuw weer 'ontwaakt' en richt zich nu nadrukkelijk ook op de rol van de populier in de natuur en het landschap.

E-mailabonnees kunnen hier klikken om het filmpje te zien.




maandag 17 september 2018

Oude knar

Snoek. Duméril; La Blanchère;
Mesnel via wikimedia 
Op een mooie nazomerdag hebben we weer eens door de Amsterdamse Waterleidingduinen gestruind en allerlei dieren gezien. Aan de boomkikker, pad, heidelibel en zandhagedis heb ik al eens blogs gewijd (klik op de diernaam om naar deze bijdragen te gaan). Deze keer besteed ik aandacht aan een vis: een grote snoek liet zich namelijk goed bekijken (en filmen) in een van de infiltratiekanalen van de waterzuivering. Een tijdlang lag de vis roerloos in het water, maar op een gegeven moment bewoog zij zich op de kenmerkende manier door het water: heel langzaam, met weinig beweging van de vinnen. De snoek jaagt op zicht, meestal vanuit een hinderlaag en wil zo lang mogelijk ongezien blijven. Met een plotselinge uitval pakt hij grote prooien, bij voorkeur vis zoals een baars. Maar snoeken eten ook amfibieën, jonge watervogels of een muskusrat. Het beestje heeft behoorlijk scherpe tanden en de onderkaak steekt wat uit ten opzichte van de bovenkaak. Dat laatste is handig omdat de prooi meestal van onder benaderd wordt.
Tanden van de snoek
Foto: BJ.Schoenmakers via wikimedia
Heeft de snoek eenmaal beet, dan wordt het slachtoffer met de kop naar voren ingeslikt, zodat eventuele stekels of veren met de stroom mee door de slokdarm gaan. Mocht het zicht in het water wat minder zijn, dan heeft de snoek - net als andere vissen - een speciaal orgaan aan de zijkant van het lijf waarmee kleine bewegingen van het water gevoeld kunnen worden. Meer over deze zogenaamde zijlijn lees je op Wikipedia. Waar jonge snoeken een goudgespikkeld lijf hebben, zijn oudere snoeken - ze kunnen wel 15 jaar worden - egaler en donkerder van kleur. De snoek die we zagen in de Waterleidingduinen was zo te zien de jongste niet meer. Ik denk dat het een vrouwtje was, die worden maximaal 1,40 meter, mannetjes zijn meestal niet groter dan 85 centimeter. Snoeken eten gerust soortgenoten op, tot ze de 70 centimeter gepasseerd zijn moeten ze vrezen voor hun leven. Nog een goede reden om zich te verbergen tussen de waterplanten dus. Voor deze kanjer was dat blijkbaar niet nodig, want ze was ruim 1 meter lang. Zij liet zich door ons goed bewonderen in het heldere water. Snoeken paren al in februari, ze gaan daarvoor elk jaar naar een vaste stek. De eitjes worden in ondiep water tegen waterplanten geplakt. Een flink vrouwtje kan rond de twee miljoen eitjes per jaar produceren. De kleine snoekjes groeien als kool en kunnen tot wel 30 centimeter worden in hun eerste jaar.

E-mailabonnees kunnen hier klikken om het filmpje te zien, met alle bovengenoemde dieren + damherten. De gele bloemetjes op het water zijn van het blaasjeskruid, een vleesetend plantje met een ingenieus valmechanisme. Kijk voor meer informatie op Wikipedia.


maandag 10 september 2018

Ongewenste vreemdeling

Springbalsemien
Ooit werd-ie uit de Himalaya naar Europa gehaald vanwege zijn mooie bloemen. "Orchidee voor de armelui", werd hij wel genoemd. Nu is deze plant officieel benoemd tot ongewenste exoot en plaagsoort, maar bijen en hommels zijn er gek op, omdat de bloemen veel nectar leveren. Ik heb het over de springbalsemien, die ik onlangs tegenkwam toen ik in de vroege ochtend op pad was om de morgendauw te filmen. Op de plek waar ik deze eenjarige plant vond, stond een hele groep. Met stengels van 2,5 meter lang kijk je er niet snel overheen. In razend tempo koloniseert hij hele oevers, waardoor andere planten geen kans meer krijgen om te kiemen. Als de planten in de winter afsterven erodeert de kale grond. De verspreiding gaat razendsnel, één plant kan tussen 800 en 2500 zaden produceren. De zaaddozen komen bij het drogen onder spanning te staan en bij de minste aanraking slingeren ze de zaden tot 7 meter ver. Ik heb dat eens geprobeerd te filmen, maar zelfs met high speed ("slow motion") filmen gaat het te snel om de zaden te zien. Onder het filmpje van deze week, staat een korte opname van het openspringen van de zaaddozen, die op dat moment nog niet helemaal rijp/droog zijn. De high speed opnamen zijn in het filmpje nog met de helft tot een derde vertraagd. De plant groeit graag bij het water en zaden drijven naar nieuwe stukjes grond om te ontspruiten.
Geroosterde zaden van de springbalsemien
Een mooie manier om de verspreiding van deze plant wat te beperken is oogsten. De zaden kunnen gegeten worden in alle stadia van rijpheid (groen, wit en zwart). Ze smaken een beetje noot-achtig. Wij hebben ze kort geroosterd in een droge koekenpan en bij een visje gegeten. Het was erg lekker. Het oogsten was echter nog niet zo eenvoudig omdat de zaden alle kanten op springen. Wij klemden een zakje in onze handen en schoven dat over de zaaddoos heen. Zo kwam de rondvliegende buit in het zakje terecht. Mocht je springbalsemien tegenkomen in de natuur, dan weet je nu dat je je niet bezwaard hoeft te voelen om de zaden mee te nemen. Je zorgt er juist voor dat de biodiversiteit in stand blijft.
E-mail abonnees kunnen hier klikken om het filmpje te zien met de morgendauw en springbalsemien (let op de drinkende vlieg!). Om de springende zaden te zien kunnen e-mail abonnees op deze link klikken.

Het filmpje met morgendauw en springbalsemien:


Het filmpje met springende zaden:



dinsdag 4 september 2018

Lentepaddenstoeltjes met een misleidend karakter

Meidoornbessen
Eind augustus kende een aantal heerlijke nazomerdagen; iets meer dan 20 graden, zon en niet te veel wind. Al wandelend langs het veenriviertje de Kromme Aar trof ik bij de dieren een zekere loomheid aan. Ze koesterden zich in het zonnetje en spiegelden mooi in het rimpelloze water. Ze hoeven zich nog even geen zorgen te maken over voedselgebrek en lage temperaturen van de winter. De meidoorn en hondsroos hingen overigens propvol bessen en bottels, dus er is voorlopig een mooie voorraad voedsel. Hoewel meidoornbessen ook door mensen gegeten kunnen worden, vind ik het echte meelballetjes. Bovendien is het een heel gedoe om de pitjes te verwijderen. Ik heb er eens jam van gemaakt, in combinatie met sleedoorn en appel. We moesten heel wat besjes plukken omdat er na het koken en zeven van de pitjes weinig vruchtvlees over blijft. En toen viel de smaak ook nog tegen. Dus ik geniet nu van de kleurige bessen aan de struik en laat ze lekker hangen voor de vogels.
Meidoornrotkelkje, foto: Gerhard Koller at
Mushroom Observer, via wikimedia
Overigens groeit er op de bessen soms een piepklein paddenstoeltje (4-9 mm). Niet in de herfst, maar in het voorjaar. En dat is best een ingewikkeld verhaal. Het paddenstoeltje, het Meidoornrotkelkje, verspreidt sporen, die jonge bladeren aantast. Die krijgen dan grijze of beigekleurige vlekken. Aangetaste bladeren gaan suikers afscheiden en verleidelijk geuren. Ze trekken insecten aan, die in de veronderstelling zijn dat ze neerstrijken op een nectarrijke bloem. De schimmel maakt inmiddels een nieuw soort sporen, die door de insecten verspreid worden. Als zo'n bij of hommel een meidoornbloem bezoekt, komt de schimmel in het vruchtbeginsel. Gedurende de zomer groeien de schimmeldraden in de meidoornbes verder. Aangetaste meidoornbessen vallen van de struik, maar verteren niet; ze mummificeren. Zo komen ze de winter door en groeien er uit deze bessen in het voorjaar nieuwe Meidoornrotkelkjes. De paddenstoeltjes zijn vrij zeldzaam, maar in de meeste provincies is er wel een plek waar ze groeien. Dat kun je zien op het verspreidingskaartje.
Vindplaatsen Meidoornrotkelkje
Bron: Verspreidingsatlas.nl

Om het nazomerfilmpje, met o.a. duttende eenden, een poetsende waterhoen, 'n nieuwsgierige specht, zonnende schildpad, veel meidoornbessen en rozenbottels te bekijken kunnen e-mailabonnees hier klikken.


vrijdag 24 augustus 2018

Afrikaantjes uit midden Amerika

In de jaren 70 sierden ze menige tuin, maar langzaam verdwenen ze uit het straatbeeld: de heldere oranje bloemen van Afrikaantjes. Misschien had dat ook een beetje te maken met de vreemde, minder prettige geur, waarom deze plantjes ook wel stinkertjes worden genoemd. Anders dan je zou verwachten met deze naam, groeiden ze oorspronkelijk in Midden-Amerika. Het waren heilige planten voor de inheemse Azteken, zij noemden ze cempoalxóchitl. In 1552 zijn ze beschreven in de De La Cruz-Badiano Aztec Herbal, een latijnse vertaling van het oorspronkelijke 'Kleine boek van medicinale planten van de Indianen'. Volgens de Azteken hielp het plantje tegen de hik. Het zou ook voorkomen dat je geraakt werd door een bliksemschicht en je moest het vooral meenemen als je een rivier of ander water veilig wou oversteken. In de 16e eeuw namen de Spaanse conquistadores zaden van de Afrikaantjes mee naar Europa. In Spaanse kloostertuinen bleken ze het goed te doen. Voor ze onze streken bereikten, maakten ze een omweg want de Spanjaarden verspreidden de zaden naar Afrika. Hier ontstond een 'Afro-Amerikaanse' variant, die groter en mooier was dan de wilde Afrikaantjes uit Mexico. Wellicht is daar dus de naam Afrikaantjes ontstaan. Uiteindelijk zijn de zaden van deze Afro-Amerikaanse plantjes nogmaals de oceaan overgestoken om ingeburgerd te raken in Noord-Amerikaanse tuinen.

Altaar tijdens Dia de Muertos
By Paolaricaurte, Wikimedia Commons
In Mexico en andere delen van Latijns-Amerika worden Afrikaantjes nog steeds gebruikt om huisaltaren te versieren. Op Allerheiligen en Allerzielen worden de graven voorzien van de oranje bloemen. Mexicanen offeren tijdens de Día de Muertos voedsel en drank op de begraafplaats aan hun overleden dierbaren. Zij geloven dat de geesten van de overledenen hen opzoeken. De sterke geur en felle kleur van de Afrikaantjes leiden de geesten naar het altaar.

In India worden honderdduizenden Afrikaantjes gekweekt omdat de bloemen een belangrijke plaats innemen bij ceremonies van de Hindoegodsdienst, zoals het Diwali lichtfeest. Ook in het boeddhisme worden Afrikaantjes gebruikt om het altaar te versieren. Op een binnenplaats van een klooster in Bhutan zagen we deze monnik bezig met zijn bloemschikwerkzaamheden.
Een monnik in Bhutan
maakt een altaarstuk


Verder wordt de oranje kleurstof van Afrikaantjes gebruikt in natuurlijke verf. Maar ook toegepast als saffraan-voor-de-armen. De bloemen zijn eetbaar en worden wel verwerkt in cakejes. Door gedroogde bloemblaadjes te voeren aan kippen worden de eidooiers mooi van kleur. En het veld met Afrikaantjes dat je in het filmpje ziet? De boomkwekers in Hazerswoude en Boskoop beplanten akkers tijdelijk met deze bloemen om bodemaaltjes op een natuurlijke manier te bestrijden. Zo is het Afrikaantje bij ons dus opnieuw populair aan het worden. Geniet van de kleurenpracht in het filmpje, waarin je niet alleen Afrikaantjes ziet, maar ook swingende zonnebloemen en andere zomerbloeiers.

E-mailabonnees kunnen hier klikken om het filmpje te bekijken.


vrijdag 17 augustus 2018

Meer vakwerk en een grote gele kwikstaart

Vakwerkhuizen in de Duitse Eifel
In mijn blog van vorige week schreef ik over de Limburgse vakwerkhuizen. Ze zijn kenmerkend voor het zuidelijk deel van deze provincie, maar in de rest van Nederland zijn ze niet te zien. Dat komt omdat er in ons rivierenrijke landje voldoende klei aanwezig was om bakstenen van te maken. Steenbouw was permanenter en brandveiliger. In Duitsland werd het vakwerk echter op veel grotere schaal toegepast. Daar was minder rivierklei voorhanden en bovendien had de adel daar veel zeggenschap over de boeren. Door te bouwen met houten constructies konden de woningen worden afgebroken en verplaatst als de adel te hebberig werd en een te hoge pacht eiste. Het houten skelet was 'vrijdragend', zoals dat heet (het kon zelfstandig blijven staan) en het maken ervan was een secuur werkje dat waarschijnlijk door specialistische timmerlieden werd gedaan. Zij maakten het skelet in een werkplaats en nummerden de palen zodat het frame ter plekke in elkaar gezet kon worden. Het vullen van de vakken met takken en leem kon wel door 'leken' worden gedaan en was daarmee kostenbesparend. Aanvankelijk waren de huizen bruin, leem en balken bleven ongeschilderd en gingen als het ware op in het landschap. Later kalkte men de huizen helemaal wit. In Duitsland ontstond de trend om de balken zwart te verven. Vanuit Limburg maakten we een tripje naar de Duitse Eifel, een bergachtig gebied dat eens zo hoog was als de Alpen, maar door erosie is afgesleten tot toppen van rond de 600-700 meter. Het riviertje de Rur meandert er doorheen. In de vanouds arme streek was nauwelijks industrie en behoefte aan goedkopere bouw in de vorm van vakwerk. Het nadeel voor de werkgelegenheid is inmiddels omgezet in een voordeel, want doordat het oorspronkelijke landschap en de huizen mooi bewaard zijn gebleven is er nu een goede boterham te verdienen in de toeristenindustrie.
Grote gele kwikstaart Foto: Luc Viatour via Wikimedia
Natuurlijk kon ik het niet laten om in de stadjes toch een beetje natuur te filmen; een varentje in de muur, springbalsemien tussen de straatstenen en een grote gele kwikstaart die zich zat te poetsen langs de Rur. De grote gele kwikstaart (groter en minder geel dan de gewone gele kwikstaart) is in ons land geen algemene verschijning. Omdat hij bij stromend water leeft is hij alleen te vinden langs de beken in Oost- en Zuid-Nederland. In Duitsland zijn meer geschikte beken en rivieren te vinden dus daar spot je er makkelijker een. Ze leven van diertjes die ze uit het water vissen, terwijl ze vrijwel continue met hun staart wippen. Daarmee zouden ze aangeven dat ze alert zijn, een andere verklaring heb ik er niet voor kunnen vinden. Tijdens de trektijd, september en oktober, is de kans dat je een grote gele kwikstaart in Nederland ziet groter, dan komen de Scandinavische en Poolse kwikken langs, op weg naar het zuiden. Tegenwoordig overwinteren ook zo'n 2500 grote gele kwikstaarten in Nederlandse steden. Grinddaken met water schijnen daar een interessante nieuwe biotoop te zijn voor deze mooie vogels.

E-mailabonnees kunnen hier klikken om het filmpje te bekijken.

donderdag 9 augustus 2018

Modderhuizen in 'Nederlands Toscane'

Vakwerkhuisje bij Camerig (L)
Onze tweede wandeling in Limburg startte bij zonsopgang in Mechelen. Terwijl we over een holle weg omhoog liepen, scheen het oranje licht door de bomen. Aangekomen bij een weiland met vergezicht, kleurde de lucht perzikroze en ontvouwde zich een on-Nederlands tafereel. De heiige verten van het glooiende landschap deden denken aan Toscane, en dat in eigen land! We hadden dus beslist geen spijt dat de wekker om 5.15 uur had gerinkeld. We liepen door het Schweibergerbos en daalden af naar de Geul via het slaperige dorpje Bissen. Bij de boerderijen hoorden we overal het vrolijke gekwetter van de huiszwaluwtjes, die heel wat nesten bevolkten onder de dakranden. Hun moddernesten zijn bijzonder, want slechts 5% van de vogelsoorten maakt gebruik van modder voor hun onderkomen en maar een klein deel daarvan gebruikt uitsluitend klei. Het is een gemakkelijk materiaal, dat veel verschillende vormen kan aannemen en het geeft goede beschutting. Voorwaarde is wel dat het blijft plakken, want de nesten van de zwaluwtjes worden niet ondersteund en hangen vrij aan muren of daken. Natte modder heeft sterke kleefkracht, en de vogeltjes verbeteren dat materiaal met hun eigen speeksel. Twee dingen kunnen zorgen voor een kink in de kabel: lucht tussen de lagen en te snel opdrogende modder die gaat barsten.
Maar ook daar hebben de zwaluwen een oplossing voor: als ze een nieuwe lading modder aanbrengen trillen ze met hun kop waardoor het vocht wordt verdeeld en de nieuwe modder op en in de drogere oppervlakken wordt aangebracht. En ze pauzeren om te zorgen dat de net verwerkte klei kan drogen en verharden, zodat het geheel niet te zwaar wordt. Het huiszwaluwnest wordt van onderaf opgebouwd met modder die binnen 50 meter van het nest wordt gevonden. Gelukkig waren de nesten al klaar voor de grote droogte begon, want modderplasjes zijn nu zeldzaam. Ongeveer 1500 bolletjes worden één voor één naar de nestplek gebracht in de snavel. Extra stevigheid wordt gecreëerd door stro en paardenharen in de modder te verwerken. De ingang waar je de koppies uit ziet steken is 2,5 centimeter hoog en 6,5 centimeter breed.
In de 'Naturalis Historia' Van Plinius de Oudere (77-79 na Christus) is te lezen: "Volgens de theorie dat de mensen hun eerste ideeën over architectuur van vogels hebben, wordt ons verteld dat Doxius, de uitvinder van de huizen van klei, zijn idee had van de zwaluwen". De Limburgse vakwerkhuizen zijn daar misschien het levende bewijs van. Want vakwerk bestaat uit een houten balkstructuur met een vulling van gevlochten wilgentenen (ook wel takken van eik of hazelaar), die bestreken wordt met een mengsel van stro en leem. De meeste vakwerkhuizen stammen uit de 18e en 19e eeuw, een boerderij uit Epen is zelfs gedateerd in de 15e eeuw. Maar de zwaluwtjes bouwen vast al veel langer zo!

E-mailabonnees kunnen hier klikken om het filmpje te bekijken. Behalve de Toscaans aandoende landschappen, zie je het huiszwaluwnestje, fladderende weidebeekjuffers en koeien in de Geul.




Droogte in retrostijl op Natuurfotografie.nl


Af en toe schrijf ik op natuurfotografie.nl over de totstandkoming van een filmpje. Vaak zijn dat filmpjes die ik ook voor mijn blogs heb gebruikt. Deze keer had ik speciaal voor natuurfotografie een video gemaakt: droogte in retrostijl. Het thema droogte sloot aan bij de fotowedstrijd van de site waarvoor je nog tot half september werkstukken kunt indienen. Bekijk het artikel en het filmpje via deze link. Mijn andere bijdragen aan natuurfotografie.nl kun je vinden via de link onder 'Meer natuur van Monique' in de linkerkolom van mijn blog.


zondag 5 augustus 2018

Over bier en brood in dorstig Limburg

In de heetste week van juli waren we in Limburg om te wandelen. Welgeteld twee keer hebben we dat kunnen doen, daarna werd het zo warm dat we ons heil in andere activiteiten moesten zoeken. Onze eerste wandeling voerde over het Plateau van Crapoel, waarover ik vorig jaar al eens een blog schreef. Toen waren we er in het koele voorjaar. Nu dorstte de natuur naar water en menige bermplant hing er verlept bij. Op de landwegen dwarrelde het stoffijne zand op onder onze voeten.
Gerst - Prof. Dr. Otto Wilhelm Thomé
Flora von Deutschland, Österreich und der Schweiz 1885
De lucht trilde van de hitte boven de gerst die klaar was om geoogst te worden. Delen van de akker waren al gemaaid en in de koelere avondlucht trok de tractor er opnieuw op uit om de klus te klaren. Ik had me nooit zo verdiept in de verschillen tussen de graansoorten die als voedselgewas dienen, maar vroeger snoepte ik wel eens rijpe tarwekorrels. De oorspronkelijke tarwesoorten heten emmertarwe, eenkoorn en spelt. Daaruit veredelde men broodtarwe en harde pastatarwe. Gerst is te herkennen aan de lange pluimen aan de aren. Het wordt vooral gebruikt voor het brouwen van bier en whisky, want deze soort bevat te weinig gluten om een mooi gerezen brood van te maken. Granen hebben er voor gezorgd dat mensen zich in nederzettingen konden gaan vestigen. Aanvankelijk werden de zaden van dit soort grassen verzameld door rondreizende groepen. Dat betekende dat je op het juiste moment op de juiste plaats moest zijn, anders was het graan niet rijp of waren de korrels al uit de aren gesprongen. Het zijn immers zaden die zich moeten verspreiden om elders opnieuw te kiemen. Toen mensen granen gingen verbouwen kon men op één plaats blijven en de oogst controleren en afwachten. Het is overigens nooit vastgesteld hoe de jagers-verzamelaars hebben geleerd dat je deze granen kunt eten, want rauw zijn ze niet gezond. Dat lees ik dus jaren na mijn snoeperijen van de rauwe tarwe :). Oorspronkelijk groeide gerst in Ethiopië en Azië (Tibet, Nepal en China), het gewas kan relatief goed tegen kou en is daarom tegenwoordig tot in Scandinavië te vinden. Zevenduizend jaar geleden werd het voor het eerst gekweekt in het Midden Oosten. Door veredeling selecteerde men op grotere korrels en aren die niet opensprongen, waardoor ze geoogst konden worden. De eerste aanwijzingen dat het gewas werd geteeld in Europa dateren van 2000-3000 voor Christus, er werden resten van gerst gevonden bij paalwoningen in Zwitserland. In de Middeleeuwen bereidde men gerstepap en platte broden, maar inmiddels bereiden de bakkers ons brood dus van tarwemeel.
Er wordt nu in ons land nog zo'n slordige 165 miljoen kilo aan gerst verbouwd als veevoeder en voor de bierindustrie. De wandeling maakte ons dorstig en het bier was welverdiend :).

In het filmpje een verslag van 'een dag op het plateau'. E-mailabonnees kunnen hier klikken om het filmpje te bekijken.


woensdag 1 augustus 2018

De terugkeer van de keizersmantel

In 1980 verdween de keizersmantel uit ons land als standvlinder, dat wil zeggen dat er geen levensvatbare populaties meer waren die zich voortplantten. Aan de basisvoorwaarden voor het ontwikkelen van de rupsen kon niet meer worden voldaan: er waren te weinig bosviooltjes om de rupsen te voeden. De vlinders fladderden nog wel eens door ons land, maar daar bleef het dan ook bij. Tot 2015, toen op vier plaatsen in Nederland ineens weer keizersmantels opdoken: in Eys (Limburg) en Winterswijk (Gelderland), grensstreken waar je remigranten zou verwachten. Maar ook aan onze kust, in de duingebieden van Meijendel en de Amsterdamse Waterleidingduinen ontstonden grotere populaties. De keizersmantel is een krachtige vlieger en kan flinke afstanden afleggen. De afgelopen jaren kwamen er steeds meer meldingen van grote aantallen keizersmantels in de Waterleidingduinen. Dat wilde ik graag met eigen ogen zien, want ik vind onze grootste parelmoervlinder een beauty en ben blij dat hij 'terug' is. De keizersmantel stelt nogal wat eisen aan de leefomgeving. Dat heeft vooral te maken met de bijzondere wijze van voortplanten.
By Karl Eckstein, wikimedia
De meeste vlinders zetten hun eitjes rechtstreeks af op de waardplant; de plant die de rupsen nodig hebben om te eten en te groeien. Dat is het meest efficiënt ook, zou je zeggen. Toch gaat het bij de keizersmantels anders. In augustus zetten de vrouwtjes de eitjes af tussen, liefst met mos begroeide, schors van eiken op ongeveer 1-1,5 meter hoogte. Niet elke eik komt in aanmerking, het gaat om eentje waar bosviooltjes in de buurt groeien en waar voldoende licht op de bodem door kan dringen. Het rupsje komt nog voor de winter uit het ei en brengt de koude maanden vastend door tussen de schors. In april kruipt de rups naar de viooltjes voor zijn eerste feestmaal. Hij verpopt aan een takje tussen de strooisellaag. Op de botanische tekening zie je de keizersmantel en de bijbehorende pop onderaan (de 6-nummers). Begin juli kun je de eerste vlinders zien, maar het hoogtepunt is in de tweede helft van juli en de eerste weken van augustus. In de Waterleidingduinen zag ik de vlinders vooral nectar zuigen op het duinkruiskruid, maar ze eten ook honingdauw.
De verdikte geurstrepen op de bovenste vleugels zijn heel opvallend. Met behulp van feromonen (geurstoffen) communiceren de mannetjes met de vrouwtjes.

In het filmpje zie je behalve de grote aantallen keizersmantels een nieuwsgierig damhertenkalfje en een eikenpage, ook geen alledaagse vlinder. E-mailabonnees kunnen hier klikken om het filmpje te zien.